NJ 1920, p. 709
HR, 25-05-1920
HR 25-05-1920, ECLI:NL:HR:1920:82
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 mei 1920
- Magistraten
Voorzitter: Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman. Raden: Mrs. A. J. L. Nijpels, A. Fentener van Vlissingen, Jhr. E. A. E. van Meeuwen en B. Ort.
- Zaaknummer
[25051920/NJ_1920,_p._709]
- Conclusie
Mr. Tak
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1920:82, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑05‑1920
- Wetingang
(Sr art. 321.)
Samenvatting
Waar art. 321 Sr. vordert, dat het bezit van het goed zij verkregen anders dan door misdrijf, mag dit niet worden gelezen, alsof verduistering slechts denkbaar ware van door den dader met eerlijke bedoelingen verkregen goederen.
Voorgaande uitspraak
G. Th. v. d. A. enz., requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 11 Februari 1920, p. waarbij in hooger beroep, na vernietigingvan een vrijsprekend vonnis der Arr.-Rechtbank aldaar van 13 October 1919, de requirant is schuldig verklaard aan: „verduistering", en met toepassing van art. 321 Sr., veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van twee ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.