De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.1:8.1 Inleiding
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250464:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een moedermaatschappij de door haar gedeponeerde 403-verklaring heeft ingetrokken, blijft zij aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking.1 Dit betreft de zogenoemde ‘overblijvende aansprakelijkheid’. De moedermaatschappij kan deze aansprakelijkheid beëindigen als aan een viertal cumulatieve voorwaarden wordt voldaan.
In dit hoofdstuk ga ik allereerst in op de reikwijdte van de overblijvende aansprakelijkheid (§ 8.2). Daarna noem ik de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om deze aansprakelijkheid te beëindigen (§ 8.3). Vervolgens werk ik deze verder uit. Als eerste komt het vereiste aan de orde dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken (§ 8.4). Voorts ga ik in op de voorwaarden dat de moedermaatschappij een mededeling moet deponeren van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen en een aankondiging moet plaatsen in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt (§ 8.5). Tot slot onderzoek ik het recht van de crediteuren om verzet in te stellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen (§ 8.6 en § 8.7).
Als een crediteur verzet heeft ingesteld, kan hij een vervangende waarborg verlangen voor de voldoening van zijn vordering op de 403-maatschappij. Ik onderzoek onder welke omstandigheden een dergelijke waarborg wordt toegewezen (§ 8.8) en hoe de omvang daarvan wordt vastgesteld (§ 8.9). Voorts wijs ik op enkele aandachtspunten bij de beoordeling of een crediteur recht heeft op een vervangende waarborg en de vaststelling van de omvang van een te geven waarborg, met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van de ingetrokken 403-verklaring (§ 8.10). Vervolgens geef ik drie rekenvoorbeelden waarbij ik naga of een crediteur verzet kan instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, of hij recht heeft op een vervangende waarborg en welke omvang die waarborg dan (minimaal) moet hebben (§ 8.11).
Aansluitend ga ik in op de vraag of een moedermaatschappij al kan beginnen met de procedure om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen voordat de 403-verklaring is ingetrokken (§ 8.12), en of er een vaste volgorde is waarin moet worden voldaan aan de voorwaarden om deze aansprakelijkheid te beëindigen (§ 8.13). Tot slot onderzoek ik of het verbreken van de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij moet worden geschrapt als voorwaarde voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid (§ 8.14).