Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/4.2.2.1.2
4.2.2.1.2 De opvatting van Bakker in het CJB
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717455:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
P.S. Bakker, ‘Enige beschouwingen over trustakten naar Curaçaos recht en de uitleg daarvan’, CJB 2016/3, p. 190-191.
Zie hiervoor paragraaf 2.5 en paragraaf 3.4.
C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Kluwer 2020, nr. 6.
C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Kluwer 2020, nrs. 6-32.
Deze bevoegdheid impliceert niet dat er sprake is van een verbintenis.
Vgl. in dit kader: Turner v. Turner [1984] Ch 100; Re Astor’s Settlement [1952] Ch 534, p. 542; L. Ho, ‘‘Breaking Bad’: Settlors’ Reserved Powers’, in: R.C. Nolan, K.F.K. Low & T.H. Wu (red.), Trusts and Modern Wealth Management, Cambridge: Cambridge University Press 2018, p. 36, voetnoot 8.
Vgl. in dit kader tevens K.L.H. Van Mens, Civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten van het schenkingsbegrip (diss. Amsterdam UvA), Deventer: Kluwer 1985, p. 328-329, die dezelfde conclusie trekt als Bakker.
In dezelfde zin: D.J. Hayton, ‘English Trusts and their Commercial Counterparts in Contintental Europe’, in: D.J. Hayton (red.), Extending the Boundaries of Trusts and Similar Ring-Fenced Funds, Den Haag: Kluwer Law International 2002, p. 33; P. Matthews, ‘From Obligation to Property, And Back Again?’, in: D.J. Hayton (red.), Extending the Boundaries of Trusts and Similar Ring-Fenced Funds, Den Haag: Kluwer Law International 2002, p. 218-221; W.J. Zwalve, ‘‘You can’t have your cake and eat it.’ Art. 3:84 lid 3 BW als kernbepaling van toekomstig Nederlands trustrecht’, RMThemis 2015/4, p. 141.
Zie in dit kader ook paragraaf 3.3.9.
Naast Zwalve heeft ook Bakker zich uitgelaten over de Curaçaose trust. In zijn bespreking van de Curaçaose trustwetgeving en de uitleg van trustakten in het CJB neemt hij – evenals Zwalve – de trustrechtelijke rechtsverhouding tussen de trustee en begunstigde onder de loep en plaatst hierbij een aantal kanttekeningen. Hij schrijft:
“De goederenrechtelijke implicaties van beide beschikkingshandelingen laten onverlet dat met een Curaçaose trustakte (bovenal) verhoudingen van verbintenisrechtelijke aard in het leven worden geroepen. In zijn bespreking van de Curaçaose civil law-trust komt Zwalve tot de volgende definitie:
‘Een trustverhouding is de verbintenisrechtelijke rechtsbetrekking die bestaat tussen eìeìn of meer trustees en eìeìn of meer personen of rechtspersonen ten behoeve van wie de trustee het beheer voert van en, zo nodig, beschikt over de van de rest van zijn vermogen afgescheiden onder trustverband staande goederen.’
Met deze definitie ben ik het graag eens, zij het met twee kanttekeningen. Ten eerste zij erop gewezen (ook Zwalve wijst hier op) dat lid 3 van artikel 3:127 BW bepaalt dat de insteller van de trust zich in de trustakte jegens de trustee bepaalde rechten en bevoegdheden kan voorbehouden. Maakt de insteller van de trust hiervan daadwerkelijk gebruik en bedingt hij bijvoorbeeld dat de trustee de aan hem toevertrouwde zaken slechts met instemming van de insteller mag gebruiken, dan ontstaat mijns inziens tevens te dier zake een verbintenisrechtelijke rechtsbetrekking tussen insteller en trustee. Schending door de trustee van een dergelijk in de trustakte opgenomen beding resulteert in beginsel in wanprestatie jegens de insteller.
Ten tweede teken ik aan dat mijns inziens het beding in de trustakte, waarin eìeìn of meer begunstigden worden aangewezen, naar Curaçaos recht als derdenbeding moet worden aangemerkt. In artikel 3:153 lid 3 BW is dan ook in lijn met de wettelijke regeling van het derdenbeding bepaald dat als de aanwijzing van de begunstigde onherroepelijk is en jegens hem om niet gemaakt, zij als aanvaard geldt indien zij ter kennis van de begunstigde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen. Gelet op deze bepaling moet het er mijns inziens voor worden gehouden dat genoemde rechtsbetrekking tussen trustee en begunstigde derhalve eerst tot leven komt als gevolg van – al dan impliciete – aanvaarding van het derdenbeding door de begunstigde.”1
De bovenstaande opvattingen van Bakker dat vanwege het voorbehouden van rechten en bevoegdheden door de insteller, tussen de insteller en trustee een verbintenisrechtelijke rechtsbetrekking ontstaat en dat de aanwijzing van begunstigden naar Curaçaos recht als een derdenbeding moet worden beschouwd, zijn naar mijn mening onjuist. Hetgeen in casu in het oog springt is dat Bakker ten aanzien van de beide door hem verdedigde standpunten, verzuimt onderscheid te maken tussen de rechtsfiguur van de trust en de rechtsfiguur van ‘powers’, oftewel de bevoegdheden die in het kader van het Curaçaose trustrecht kunnen worden verleend aan de insteller, de trustee, de (potentiële) begunstigden of derden.2 Dit is een veelvoorkomende, doch verkeerde assumptie die in het continentale recht wordt gemaakt, waarbij de beide op zichzelf staande en van elkaar verschillende rechtsfiguren met elkaar worden verward. Het feit dat de Curaçaose wetgever het bepaalde in art. 3:127 lid 3 BWC letterlijk van het HTV heeft overgenomen, helpt deze verkeerde assumptie niet uit de wereld.
Voor wat betreft de eerste opvatting van Bakker, leidt de omstandigheid dat de insteller bevoegdheden heeft voorbehouden, mijns inziens echter niet tot het ontstaan van een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tussen de trustee en de insteller. Het woord ‘beding’ verwijst naar de situatie waarin tussen partijen – als onderdeel van een overeenkomst – afspraken zijn gemaakt. Bij de instelling van de Curaçaose trust – die eenzijdig geschiedt – is dit niet het geval. Aan de insteller als zodanig wordt daarentegen krachtens het trustverband dat ontstaat als gevolg van de trustcreatie, een recht tot uitoefening van bepaalde handelingen verleend bij welke hij een zekere mate van beslissingsvrijheid heeft. Een dergelijke bevoegdheid valt mijns inziens echter niet onder het begrip ‘verbintenis’. Tussen de insteller en de trustee ontstaat als gevolg van het trustverband in casu géén rechtsbetrekking die zich kenmerkt door het feit dat de één jegens de ander gerechtigd is tot een prestatie, waartoe de ander jegens degene verplicht is.3 De beslissingsvrijheid die de insteller te dien aanzien heeft, brengt géén gebondenheid tussen de insteller en de trustee met zich, hetgeen wel vereist is bij een verbintenisrechtelijke rechtsbetrekking.4 Dientengevolge kan er nimmer sprake zijn van een schending door de trustee die een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ex art. 6:74 BWC oplevert. Het is immers de insteller aan wie een bevoegdheid wordt toegekend en die bepaalt of hij al dan niet tot uitoefening daarvan overgaat.5 Daarenboven miskent Bakker in dit kader het feit dat de Curaçaose trust niet is ingesteld ten behoeve van de insteller als zodanig, doch ten behoeve van (potentiële) begunstigden of ter verwezenlijking van een bepaald doel. Dit impliceert dat hij als zodanig – behoudens de aan hem toegekende trustrechtelijke bevoegdheden – geen rechten ontleent aan de trust.6
De tweede opvatting behelst een algemene misvatting die onder continentale juristen heerst – waaronder ook Bakker gezien zijn zienswijze hieromtrent – dat de trust als een overeenkomst met een derdenbeding moet worden aangemerkt.7 Zoals reeds meermalen is geschetst en met klem is benadrukt, is de instelling van de trust géén overeenkomst. De instelling van de trust is een eenzijdig gerichte rechtshandeling. De trust doet krachtens het trustverband geen verbintenissen ontstaan tussen zowel de insteller, de trustee als – bij aanvaarding – tussen de begunstigde. De insteller is na de totstandkoming van de trust in beginsel niet bij de trust betrokken.8 Voorts komt als gevolg van de goederenrechtelijke werking van het trustverband dat terstond na de totstandkoming van de Curaçaose trust ontstaat, de trustrechtelijke rechtsbetrekking tussen de trustee en de begunstigde tot stand en verwerft de begunstigde hierbij van rechtswege ten aanzien van de trustgoederen een bundel van rechten, bevoegdheden en remedies. Het voorgaande kan niet enkel met betrekking tot de begunstigde geschieden, doch ook ten aanzien van de potentiële begunstigde die (nog) geen economisch belang heeft en die daardoor ook (vooralsnog) geen aanspraak kan maken op trustgoederen. De verwerving van ‘het recht van de begunstigde’ van rechtswege door de (potentiële) begunstigde impliceert dat de (potentiële) begunstigde verkrijgt zonder dat aanvaarding noodzakelijk is.9 Door te beargumenteren dat de trustrechtelijke rechtsbetrekking tussen de trustee en de (potentiële) begunstigde na de aanvaarding van een derdenbeding tot leven komt, negeert Bakker de goederenrechtelijke werking van het trustverband en derhalve een wezenlijk element van de Curaçaose trust.