Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/259
259 Reden minder terughoudende toepassing
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS459524:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
PG Boek 3 (1981), p. 915; HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC1058, NJ 1994, 118 (Severin/ Detam) en H.E. Ras in zijn noot onder het arrest; A-G Bakels in zijn conclusie voor HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2600, NJ 1998, 764, m.nt. M.M. Mendel (Europeesche Verzekering Maatschappij/OHRA); Jongbloed (Vermogensrecht), art. 3:303, aant. 3.
P. van Schilfgaarde in zijn noot in NJ 2006, 230 onder HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005: AT7799 (G/Directors Cast & Crew Payroll Services). Deze zaak betrof een kort geding. Het citaat van Van Schilfgaarde heeft echter betrekking op art. 3:303 BW en is daarom ook van belang voor andere procedures, zoals het voorlopig getuigenverhoor. Van Schilfgaarde merkt op dat de Hoge Raad in zijn uitspraak artikel 3:303 BW niet noemt en het de vraag blijft of de Hoge Raad dat artikel voor ogen had of enkel heeft volstaan met “een beschouwing over het vereiste van spoedeisendheid”. In een procedure in kort geding is het stellen en aannemelijk maken van een spoedeisend belang immers voorwaarde voor het verkrijgen van een voorziening in kort geding (art. 254 Rv).
Dit is slechts anders als een getuige dreigt weg te vallen, bijvoorbeeld omdat de getuige een levensbedreigende ziekte heeft (zie hierover par. 6.7, waarin een maatstaf is geformuleerd voor een voorlopig getuigenverhoor met als doel het zekerstellen van bewijs).
A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3938, NJ 2008, 608 en JBPr 2009, 12, m.nt. E.F. Groot (Udo/Renault).
Op zichzelf is de enkele verwachting van een bewijsopdracht in de hoofdzaak naar mijn mening geen reden voor onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor (zie nr. 286).
In beginsel moet een te enthousiast gebruik van art. 3:303 BW worden ontmoedigd. Uitgangspunt bij art. 3:303 BW is dat voldoende belang wordt verondersteld en de rechter wordt gemaand het artikel terughoudend toe te passen.1 De achtergrond van deze voorzichtigheid is dat het afsnijden van de vordering of het verzoek doorgaans een ingrijpend middel is. De beslissing die volgt op de constatering dat onvoldoende belang bij de vordering bestaat, is afwijzing (zie nr. 251). Verder onderzoek van de zaak wordt daardoor afgesneden.
Als de reden om het belang bij de rechtsvordering terughoudend te toetsen is gelegen in de verstrekkende gevolgen van het aannemen van onvoldoende belang, dan rechtvaardigt deze constatering de opvatting dat bij minder verstrekkende gevolgen eerder een onvoldoende belang mag worden aangenomen. Van Schilfgaarde meent dat bij de beoordeling van de vraag of voldoende belang bestaat, rekening gehouden mag worden met de aard van de gevraagde voorziening en de aard van de procedure: “Bij een te geven oordeel over het ontbreken van belang in de zin van artikel 3:303 BW, speelt mede een rol de aard van de gevraagde voorziening (in casu een bevel om mee te werken aan een buitengerechtelijk akkoord) en de aard van de procedure (in casu een procedure op de voet van artikel 254 Rv) en de in dat verband opkomende eis van spoedeisendheid. De aard van de gevraagde voorziening en de aard van de procedure kunnen zodanig zijn dat de rechter meer vrijheid heeft om te oordelen dat het in artikel 3:303 bedoelde belang ontbreekt dan in andere, meer “normale” gevallen.”2
Een afwijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft veel minder verstrekkende gevolgen dan een afwijzing van een vordering in een hoofdzaak. Als de rechter oordeelt dat eiser A onvoldoende belang heeft bij zijn vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, dan zal niet onderzocht en beslist worden of onrechtmatig jegens A is gehandeld en, zo ja, welke schade door gedaagde B aan A moet worden vergoed. Indien A echter, voordat hij zijn onrechtmatige-daadsactie instelt, een voorlopig getuigenverhoor verzoekt, dan heeft de afwijzing van het voorlopig getuigenverhoor niet tot gevolg dat A geen getuigen meer kan doen horen. Hij kan dat weliswaar niet doen in een voorlopig getuigenverhoor,maarwel op een latermoment, namelijk tijdens de bodemprocedure.
Kortom, afwijzing van het voorlopig getuigenverhoor heeft niet tot gevolg dat getuigen niet kunnen worden gehoord – de getuigen zullen slechts op een later moment worden gehoord.3 Het gevolg van een afwijzing van het verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor is derhalve minder verstrekkend dan het gevolg van een afwijzing van de vordering in de hoofdzaak. Naar mijn mening moet dit leiden tot een minder terughoudende toepassing van art. 3:303 BW bij de beoordeling van een voorlopig getuigenverhoor.
In de zaak Udo/Renault4 wees A-G Huydecoper erop dat de rechter er bij de beoordeling van het verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor rekening mee hield, dat in de hoofdzaak een geldig bewijsaanbod zou moeten worden gehonoreerd (art. 166 Rv). Het belang van Udo werd daardoor gerelativeerd; Udo mocht er op vertrouwen in de hoofdzaak – voor zover nodig – bewijs te mogen leveren, terwijl de bewijslevering na een bewijsopdracht ook eenvoudiger en doelgerichter kan zijn.5