Deze zaak, waarin reeds op 6 november 2012 een - behalve wat betreft het derde middel - gelijkluidend standpunt is bepaald, hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (12/02392) waarin eveneens heden wordt geconcludeerd.
HR, 22-01-2013, nr. 12/03523
ECLI:NL:HR:2013:BY8371
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-01-2013
- Zaaknummer
12/03523
- Conclusie
Mr. Vegter
- LJN
BY8371
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BY8371, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑01‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8371
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4314, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2013:BY8371, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑11‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY8371
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4314
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑01‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81 lid 1 RO met verwijzing naar LJN BY8365.
22 januari 2013
Strafkamer
nr. S 12/03523
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 april 2012, nummer 20/002829-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I.P. Sigmond, advocaat te Heerlen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, - en wat betreft het derde middel ook HR 22 januari 2013, LJN BY8365 - geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 januari 2013.
Conclusie 20‑11‑2012
Mr. Vegter
Partij(en)
Nr. 12/03523
Mr. Vegter
Zitting: 20 november 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]1.
1.
Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 april 2012. Er is tijdig een schriftuur houdende vijf middelen van cassatie ingekomen.
2.
Het derde middel bedoelt kennelijk te klagen dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid omdat daaruit niet zou volgen dat goederen zijn onttrokken aan de boedel.
3.
De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op art. 341, aanhef onder a sub 1º, Sr. Die bepaling beoogt onder meer alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers verricht, te treffen waardoor hetgeen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden.2. Goederen kunnen zowel rechtens als feitelijk aan de boedel worden onttrokken.3.
4.
Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben doen voorkomen dat in 2003 de koop/verkoop en overdracht van zogenaamde WKK-machines heeft plaatsgevonden - terwijl deze overeenkomst daadwerkelijk in januari 2005 tot stand is gekomen - en dit ook als zodanig in de boekhouding hebben verwerkt. Het middel gaat (schriftuur onderdeel 2.6) ervan uit dat van feitelijke onttrekking van de machines geen sprake kan zijn geweest. Omdat de machines zich bij derden bevonden en dit na de (vermeende) overdracht nog steeds deden, hebben de machines geen verplaatsing ondergaan en is er dus geen sprake van onttrekking aan de boedel, aldus de toelichting op het middel. Daarmee wordt een eis aan onttrekking aan de boedel (te weten feitelijke verplaatsing) gesteld die het recht niet kent. Het middel dat uitgaat van een te beperkte uitleg van (feitelijke) onttrekking aan de boedel, kan mitsdien niet tot cassatie leiden.
5.
Het eerste middel, dat klaagt dat het Hof de preliminaire verweren van de verdachte volledig heeft genegeerd en onbesproken heeft gelaten, mist feitelijke grondslag nu uit de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat dergelijke verweren (tijdig) zijn gevoerd. Het tweede middel, dat klaagt dat het Hof heeft miskend dat niet-ondertekende geschriften geen geschrift in de zin van art. 225 Sr kunnen zijn en 's Hofs motivering in strijd met de wet is, stelt eisen die het (straf)recht niet kent. Het vierde middel, dat klaagt dat het Hof heeft nagelaten het verweer dat het faillissement niet onvermijdelijk dan wel niet voorzienbaar was te behandelen dan wel zonder nadere motivering heeft verworpen, berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het Hof heeft dit verweer onder C.3.1 gemotiveerd verworpen. Het vijfde middel, dat klaagt over de strafmotivering, geeft blijk van een miskenning van de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter met betrekking tot de straftoemeting.
6.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑11‑2012