Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.6.5.3
14.6.5.3 Uitoefening strafvorderlijke bevoegdheden voor toezichtsdoeleinden
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493446:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin reeds Wattel, aant. bij HR 26 april 1988, FED 1988/716. Zie in dit verband ook de noot onder het onderhavige arrest inBNB 1992/387. Daarin meent Den Boer dat onder deze ‘uitzonderingsregel’ gegevens of inlichtingen vallen die aantoonbaar buiten de verdenkingssfeer van het strafbare feit of de strafbare feiten zouden vallen. Voor zover deze gegevens of inlichtingen echter worden gebezigd voor een andere aanslag dan waarover een procedure loopt (vgl. een nog op te leggen aanslag over een volgend jaar), zal er volgens schrijver echter geen sprake kunnen zijn van strijd met algemene beginselen van procesrecht. Het moet dus gaan om die elementen van een in rechte bestreden aanslag waarvoor geen verdenking van een strafbare handeling bestaat (of kan bestaan). Dit zal nog wel eens tot een wat moeizame feitelijke afweging kunnen leiden.
De omgekeerde situatie waarin opsporingsbevoegdheden worden ingezet voor toezichtsdoeleinden, raakt op zichzelf niet aan de nemo tenetur-problematiek. Die betreft immers dwang tot zelfbelasting in een strafcontext. Omdat genoemde situatie hoogstens interpretatieve waarde heeft voor de samenloopproblematiek, volsta ik met enkele opmerkingen.
In zijn uitspraak van 23 september 1992, nr. 28 388, oordeelt de belastingkamer van de HR dat het niet in strijd is met de algemene beginselen van procesrecht, dat de inspecteur bij de vaststelling van de belastingschuld gebruik maakt van gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen in het kader van een tegen de belastingplichtige geopend strafrechtelijk opsporingsonderzoek; ook niet als het initiatief voor dat onderzoek is uitgegaan van de inspecteur.1 Daarbij maakt het geen verschil of de informatie afkomstig is van de belastingplichtige/verdachte zelf of van derden. Wanneer echter de opsporingsinstantie van haar bevoegdheden gebruik heeft gemaakt tot het verkrijgen van voor de belastingheffing van belang zijnde informatie zonder dat het onderzoek op de opsporing van een strafbaar feit was gericht, dan mag die informatie niet worden gebruikt.2 Dan is kennelijk – de HR laat zich hierover niet expliciet uit – sprake van détournement de pouvoir.
Gelet op deze uitspraak is aannemelijk dat opsporingsbevoegdheden niet exclusief mogen worden uitgeoefend ten dienste van de boeteoplegging door de inspecteur. Wanneer die bevoegdheden mede voor dat doel worden ingezet, dan zullen in ieder geval de aan de boeteling toekomende rechten en waarborgen in acht moeten worden genomen, in het bijzonder het boeterechtelijk zwijgrecht en de cautieplicht in art. 5:10a Awb.