Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/4.2
4.2 CBIT
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305619:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Net als in Nederland zijn pensioenfondsen in de USA vrijgesteld van belasting. Werkgevers kunnen de premies die zij betalen aan pensioenfondsen aftrekken en de werknemer wordt belast over de pensioenuitkering. Het effect hiervan is dat de belastingheffing over de renteaangroei op de premies wordt uitgesteld. De CBIT zou dat voordeel wegnemen. Zo ver wilde de Treasury echter niet gaan en het rapport besprak twee opties om de bevoorrechte positie van pensioenfondsen te handhaven.
Het rapport constateerde dat financiële instellingen het leeuwendeel van de winst behalen door middel van ontvangst van dividend en rente, terwijl zij substantiële kosten – andere dan rente – maken om deze winst te kunnen behalen. Het rapport analyseerde de fiscale gevolgen van de CBIT voor financiële instellingen op hoofdlijnen, maar erkende dat nadere studie nodig was. Dat leek Gammie een wankele basis voor een zo fundamentele verandering van het belastingsysteem. M. Gammie, ‘Reforming corporate taxation: an evaluation of the United States Treasury integration proposals and other corporate tax systems in an international context’, British Tax Review 1992, p. 257.
En het is maar de vraag of het woonland zou willen afzien van de heffing over de rente. Zie E.N. Sunley, ‘Corporate integration: An economic perspective’, Tax Law Review Spring 1992, p. 634.
US Department of the Treasury, Integration of the individual and corporate tax systems, taxing business income once, p. 50.
Report of the Department of the Treasury on integration of the individual and corporate tax systems, taxing business income once, januari 1992, p. 49.
Head leek een eenzijdige invoering van de CBIT niet haalbaar. Zie J.G. Head, ‘Company tax structure and company tax incidence’, International Tax and Public Finance 1997, p. 93. Gammie was van mening dat de CBIT tot binnenlandse verhoudingen beperkt zou moeten blijven. Dat zou betekenen dat rente betaald aan buitenlandse crediteuren aftrekbaar zou blijven. M. Gammie, ‘Reforming corporate taxation: an evaluation of the United States Treasury integration proposals and other corporate tax systems in an international context’, British Tax Review 1992, p. 258.
In 1992 publiceerde het US Department of the Treasury een rapport met de titel: ‘Integration of the individual and corporate tax systems, taxing business income once’. De USA heeft net als Nederland een klassiek stelsel en het rapport beoogde door middel van een integratie van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting de verstoringen te verminderen die inherent zijn aan het klassieke stelsel. Het rapport noemde in dat kader de dubbele heffing, de bevoordeling van vreemd vermogen ten opzichte van eigen vermogen en de prikkel tot winstinhouding. Het rapport had het karakter van een discussiestuk en bevatte geen aanbevelingen om tot wetswijziging te komen. Een van de varianten die het rapport beschreef, was de CBIT.
De CBIT was geen vennootschapsbelasting maar een ondernemingsbelasting die ook van toepassing was op de winst die werd behaald door ondernemers-natuurlijke personen. De rente die werd verschuldigd door ondernemingen, zou niet langer aftrekbaar zijn. Door deze grondslagverbreding kon het tarief van de CBIT lager zijn dan het tarief van de vennootschapsbelasting. In 1992 was het tarief van de Amerikaanse vennootschapsbelasting 34%, terwijl voor de CBIT een tarief van 31% werd voorgesteld. De CBIT elimineerde de dubbele heffing van de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting door de ontvangst van dividend en rente in beginsel vrij te stellen van belasting. Deze vrijstelling gold echter alleen als het dividend en de rente werden voldaan uit belaste winst. Ingeval het dividend en de rente afkomstig waren uit onbelaste winst, werden zij wel bij de ontvanger belast. De onderneming die dividend uitkeerde of rente betaalde diende daarom bij te houden wat belaste en onbelaste winst was.
Buiten de ondernemingssfeer was de rente wel aftrekbaar. De keerzijde hiervan was dat deze rente bij de ontvangende onderneming werd belast. Een onderneming diende dus ten aanzien van ontvangen rente een onderscheid te maken tussen rente op CBIT debt die werd vrijgesteld en rente op non-CBIT debt die werd belast. Rente die werd ontvangen van buitenlandse ondernemingen kwalificeerde als rente op non-CBIT debt en werd dus belast.
Het onderscheid tussen dividend en rente enerzijds en huur en royalty’s anderzijds zou in de CBIT aan belang winnen. Het rapport onderkende dat maatregelen nodig zouden zijn om rente te onderscheiden van huur en royalty’s. Ook werd ingegaan op de positie van pensioenfondsen1 en financiële instellingen.2 De bronbelasting op dividend en rente werd afgeschaft. Om de economische schokeffecten van het schrappen van de renteaftrek te beperken, zou het nodig zijn om de CBIT geleidelijk – over een periode van tien jaar – in te voeren.
Wat betreft de CBIT rees de vraag of daardoor de kosten van het lenen van geld na belasting voor de debiteur zouden stijgen. Wanneer de rente niet meer aftrekbaar zou zijn, liep de debiteur de belastingbesparing daarover immers mis. Daar stond tegenover dat de CBIT zou kunnen leiden tot lagere rentetarieven wanneer de rente bij de crediteur werd vrijgesteld. Ter illustratie, als de marktrente 10% was en de rente aftrekbaar was voor de debiteur en belast bij de crediteur, zou de nettorente bij een tarief van 34% voor de debiteur en de crediteur 6,6% bedragen. Werd de renteaftrek vervolgens geschrapt en de ontvangst van rente vrijgesteld, dan zou het rentetarief moeten dalen tot 6,6%, om de nettorente bij de debiteur en de crediteur gelijk te laten blijven.
De internationale kapitaalmarkten opereren echter op basis van de veronderstelling dat de rente aftrekbaar is voor de inlener.3 CBIT-leningen zouden moeten concurreren met leningen die werden uitgegeven door debiteuren die waren gevestigd in landen waar de rente wel aftrekbaar was. Voor vrijgestelde en buitenlandse investeerders zou het dus aantrekkelijker zijn om in dergelijke leningen te beleggen, vanwege de hogere rente. De US Treasury ging er daarom vanuit dat het rentetarief onvoldoende zou dalen, om het gemis aan renteaftrek volledig te reflecteren.4
Een eenzijdige invoering van de CBIT zou in internationale verhoudingen tot dubbele heffing over de rente leiden. Rente was namelijk in alle OECD-staten aftrekbaar bij de debiteur en belast bij de crediteur. De Treasury erkende dan ook dat de CBIT: ‘would require extensive international discussions with tax authorities and market participants’.5 In december 1992 maakte de Treasury bekend andere vormen van integratie te prefereren boven de CBIT. Een schedular tax op de uitoefening van een onderneming, zoals de CBIT, werd gezien als een langetermijnoptie.6