Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/8.3:8.3 Latente werking betreft verklaringen; ‘real evidence’?
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/8.3
8.3 Latente werking betreft verklaringen; ‘real evidence’?
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493501:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. A-G Knigge, conclusie bij HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes); AB 2007/2 (m.nt. Jongma), pt. 71.
EHRM 8 april 2004 (Weh t. Oostenrijk), § 43.
Feteris, noot onder EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), BNB 1997/254, pt. 17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kleine aantal Straatsburgse nemo tenetur-zaken waarin de latente werking van het niet-meewerkrecht in het geding was, is enkel sprake van verklaringen die voor het aanvangsmoment van de criminal charge van de klagers werden afgedwongen en tijdens het latere strafproces op belastende wijze tegen hen werden gebruikt. Het EHRM heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag of de latente werkingssfeer ook ander bewijs dan verklaringen omvat.1 In Weh spreekt het Hof in relatie tot Saunders van ‘cases concerning the use of incriminating information compulsorily obtained outside the context of criminal proceedings in a subsequent criminal prosecution’.2 Omdat de manifeste werking van het niet-meewerkrecht zich niet uitstrekt tot de gedwongen afgifte van elk materiaal, maar enkel (bepaald) ‘real evidence’, moet worden aangenomen dat de latente werkingssfeer c.q. het bewijsverbod – wanneer toepasselijk op ander bewijs dan verklaringen – ook daartoe is beperkt. Dit zou in ieder geval Saunders-materiaal van de latente werking van het niet-meewerkrecht uitsluiten.
Beperking latente werkingssfeer tot verklaringen holt betekenis bewijsverbod uit
Dat de latente werkingssfeer van het niet-meewerkrecht bepaald ‘real evidence’ ofwel fysiek bewijs omvat, is wel waarschijnlijk. De gedwongen afgifte in de pre-‘charge’-fase van bijvoorbeeld documenten, kan evenzeer de positie van de verdediging tijdens het latere strafproces aantasten als geldt voor het afleggen van verklaringen. Wanneer de latente werkingssfeer enkel verklaringen omvat, dan zou de betekenis ervan (dus) worden uitgehold. Zie eerder Feteris die in zijn noot onder het Saunders-arrest erop wijst dat wanneer de latente werkingssfeer zich niet uitstrekt tot ander bewijs dan verklaringen, dit tot gevolg kan hebben dat onderzoeksambtenaren de informatie die zij zoeken zoveel mogelijk gaan verzamelen door documenten e.d. ter inzage te vragen, en zo min mogelijk door mondelinge of schriftelijke vragen aan de betrokkene te stellen.3
Onduidelijkheden betreffende het niet-meewerkrecht werken door in latente werkingssfeer
In hoofdstuk 7 bleek dat het toepassingsbereik van het niet-meewerkrecht (nog) niet duidelijk is; zeker in vergelijking met het EVRM-zwijgrecht. Wanneer wordt aangenomen dat de latente werkingssfeer van het niet-meewerkrecht zich uitstrekt tot fysiek bewijs, dan werken de onduidelijkheden die het niet-meewerkrecht omringen, daarin ongetwijfeld door.
In het vervolg zal ik met betrekking tot de latente werking van het niet-meewerkrecht uitgaan van verklaringen die voor het ‘charge’-moment van de verdachte worden afgedwongen. Waar nodig zal ik ook (uitdrukkelijk) ingaan op de gedwongen afgifte van ‘real evidence’.