Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/3.1
3.1 Inleiding: de doorwerking van het Unierecht in het nationale recht
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het Verdrag van Lissabon voorziet in een wijziging van het EG-Verdrag, voortaan het Verdrag betreffende de werking van de Unie (VWEU), waarin ook de derde pijler is opgenomen, en wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Zie met betrekking tot het Verdrag van Lissabon Barents, 'De Europese Grondwet is dood — leve de Europese Grondwet', NTER 2007/9, p. 174-184; Barents, Het verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (2008), hoofdstuk 1, en Lenaerts en Van Nuffel, Europees Recht in hoofdlijnen (2008), p. 45-49.
In de jaren vijftig van de twintigste eeuw zijn de oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) tot stand gekomen. De Europese Unie was vanouds gegrond op de Europese Gemeenschappen, aangevuld met een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (de tweede pijler) en een beleid inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (de derde pijler). Zie daarover Lauwaars en Timmermans, Europees recht in kort bestek (2003), p. 3-14, 40-43, 240.
Zie onder meer Kapteyn, VerLoren van Themaat c.s., Inleiding tot het recht van Europese Gemeenschappen (1995), p. 50-53; Vermeulen, Nederlandse rechtsbescherming in communautaire context (2001), p. 190-191; Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 92; Lauwaars en Timmermans, Europees recht in kort bestek (2003), p. 17-21 en Barents en Brinkhorst, Grondlijnen van Europees recht (2006), p. 63.
BR 2 november 2004, NJ 2005/80.
HvJ EG 5 februari 1963, Zaak 26/62 (Van Gend en Loos).
HvJ EG 15 juli 1964, Zaak 6/64 (Costa/ENEL).
Indien directe werking wordt opgevat als de verlening van subjectieve rechtenen/of plichten dan is er een verschil met rechtstreekse werking. Indien onder directe werking in brede zin inroepba.arheid wordt begrepen is er geen verschil tussen directe werking en rechtstreekse werking of rechtstreekse toepasbaarheid. Zie Lauwaars en Timmermans, Europees recht in kort bestek (2003), p. 107-108.
Zie Barents, 'De voorrang van unierecht in het perspectief van constitutioneel pluralisme', SEW 2009/2, p. 44-52. Op p. 51 stelt Barents: 'Voor de rechtsorde van de unie betekent [het model van constitutioneel pluralisme] dat de autonome grondslag van het Unierecht de absolute en volledige voorrang daarvan op strijdig nationaal recht inhoudt, terwijl voor de nationale rechtsorde uiteindelijk de voorrang van de grondwet de hoogste norm vormt.' Hierbij past wel de kanttekening dat de oorspronkelijke oprichtingsverdragen van Europese Gemeenschappen, tot stand zijn gekomen lang voordat de laatste versie van de Grondwet in 1983 tot stand kwam, zodat het adagium pacta sunt servanda niet alleen kan worden bezien in het licht van onze huidige grondwet. Het heeft een bredere gelding.
Kamerstukken II 2007/08, 31 570, nr. 3, p. 21-22.
In dit hoofdstuk zal ik de doorwerking van het Europese Unierecht in onze rechtsorde bespreken alsook stilstaan bij de van belang zijnde rechtspraak van de Gemeenschapsen Unierechter waar het besluiten van de Europese instellingen betreft. Ik zal hier de termen Gemeenschaps- en Unierecht naast elkaar gebruiken. Daarbij zal ik zoveel mogelijk van de Unie spreken waar het gaat om de situatie na Lissabon (december 2009)1 en van de Gemeenschap of communautaire orde als het gaat om de oude Europese Gemeenschappen.2 Wel zal ik mij waar mogelijk beperken tot weergave van de thans geldende verdragsbepalingen (VWEU en VEU). De nadruk ligt in dit hoofdstuk op het Europese bestuursrecht, maar ook komt het Europese strafrecht aan bod. In verordeningen en richtlijnen is veelal vrij concreet de (minimum)norm aangegeven en zal duidelijk zijn welke verplichtingen daaruit voortvloeien voor de lidstaten. Ook hier geldt net als voor de in het vorige hoofdstuk besproken mensenrechtenverdragen dat die bepalingen voorrang hebben boven het nationale recht. Is die rechtstreekse werking ook hier een afgeleide van de art. 93 en 94 Grondwet of gaat het hier om wat anders? De Hoge Raad heeft in lijn met de heersende gedachte hier te lande3 geoordeeld dat de rechtstreekse werking van verordeningen en richtlijnen niet is gelegen in die grondwetbepalingen, maar dat die rechtstreekse werking voortvloeit uit de communautaire rechtsorde zelf.4 Dit is in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Reeds in Van Gend en Loos overwoog het Hof dat de Europese Economische Gemeenschap een nieuwe rechtsorde vormde, zij het op een beperkt terrein, ten bate waarvan de lidstaten hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet alleen de lidstaten maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn.5 En in Costa/ENEL overwoog het Hof dat, anders dan met gewone internationale verdragen het geval is, het EEG-Verdrag een eigen rechtsorde in het leven heeft geroepen, die bij de inwerkingtreding van het verdrag in de rechtsorde van de lid-staten is opgenomen en waarmee de nationale rechters rekening dienen te houden.6 In dit verband wordt ook wel van directe werking gesproken.7 Het Hof verwoordt het op de site van de Europese Unie zelf als volgt:
`In zijn rechtspraak heeft het Hof van Justitie het beginsel ontwikkeld dat de nationale instanties en rechters binnen hun bevoegdheidssfeer het gemeenschapsrecht ten volle dienen toe te passen en de rechten die het gemeenschapsrecht aan de burgers verleent, dienen te beschermen (rechtstreekse toepassing van het gemeenschapsrecht), door elke strijdige bepaling van het nationale recht buiten toepassing te laten, ongeacht of deze bepaling vóór dan wel na de communautaire norm is vastgesteld (voorrang van het gemeenschapsrecht op het nationale recht). Het Hof heeft tevens het beginsel van de aansprakelijkheid van de lidstaten voor schending van het gemeenschapsrecht erkend (...).’8
In de slotakte van het Verdrag van Lissabon is ten slotte neergelegd dat de verdragen en het recht dat de Unie op grond van de verdragen vaststelt voorrang hebben boven het recht van de lidstaten, onder de voorwaarden bepaald in de rechtspraak (verklaring 17). Nederland kan — naar huidig recht — op grond van art. 92 Grondwet instemmen met deze autonome rechtorde.9 Voorts kan met instemming het advies van de Raad van State inzake de voorgenomen opdrachtverlening aan de staatscommissie Grondwet worden aangehaald:
`Na de jaren van neutraliteit is Nederland na de Duitse bezetting een actieve rol gaan spelen bij het bevorderen van internationale samenwerking. Nederland heeft actief bijgedragen aan het tot stand brengen van tal van verdragen en aan de oprichting van belangrijke internationale organisaties. In de jaren '50 is in de Grondwet bovendien gekozen voor een systeem waarbij de Nederlandse rechtsorde alle ruimte biedt voor de doorwerking van verdragen en van besluiten van internationale organisaties. In de periode daarna zijn op een breed terrein overheidsbevoegdheden overgedragen aan het internationale niveau; er is nauwelijks een overheidsterrein te noemen waarop die overdracht niet heeft plaatsgevonden. (...) De nationale staat kan zijn eigen democratische rechtsorde alleen nog overeind houden in steeds nauwere samenwerking met de rechtsorden van andere staten. Omgekeerd is dan wel van belang dat de Nederlandse democratische rechtsorde niet in zijn kern door de internationale ordening wordt aangetast. Waar het gaat om de EU is er niet of nauwelijks reden om daarvoor te vrezen: de EU heeft zich ontwikkeld tot een organisatie waarin de bescherming van de democratische rechtsorde veilig is. Overdracht van bevoegdheden aan de EU is niet mogelijk zonder instemming van de lidstaten, waaronder Nederland. Daarbij wordt een subsidiariteitstoets gehanteerd. Overdracht geeft Nederland ook invloed op het beleid van de Unie en dus van de andere lidstaten. De EU is geen bedreiging van de nationale staat, maar een samenwerkingsverband dat het optreden van nationale staten in een open wereld beschermt en versterkt. De soevereine, van niets of niemand afhankelijke staat — als die al ooit heeft bestaan — is niet meer. De keuze is steeds vaker: meedoen aan een Europese rechtsorde en daarop (evenredig) invloed uitoefenen of de eigen autonomie bewaken en (daardoor) steeds vaker overgeleverd zijn aan wat andere, meer invloedrijke staten eenzijdig of gezamenlijk beslissen.’10
Dit hoofdstuk zal ik starten met een korte uiteenzetting over de doorwerking van Europese rechtsbronnen in het nationale recht aan de orde (rechtstreekse toepassing en richtlijnconforme interpretatie), waartoe het Hof van Justitie de nodige impulsen geeft. Vervolgens sta ik in vogelvlucht stil bij Europese rechtsbeginselen, die te vergelijken zijn met onze beginselen van behoorlijk bestuur en dus ook met de daarvan afgeleide strafrechtelijke beginselen van een goede procesorde. Daarna komt de toepassing van het Unierecht door de nationale bestuursrechter aan de orde aan de hand van het gelijkwaardigheidsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het vereiste van effectieve rechtsbescherming. In dat verband bespreek ik achtereenvolgens de ambtshalve toetsingsactiviteiten door de nationale bestuursrechter, de herziening van onherroepelijke beslissingen en ten slotte de inkleuring van bewijsrecht waar het gaat om de toepassing van Unierecht in de nationale procedure. Daarna komt de toegang tot en de taak van de Unierechter aan de orde waar het gaat om rechtsbescherming tegen besluiten van Unie-instellingen zoals de Europese Commissie. Vervolgens sta ik meer uitgebreid stil bij het Europese mededingingsrecht. Ik zal het mededingingsrecht bespreken aan de hand van de wijze waarop de Europese Commissie overtredingen door ondernemingen vaststelt en boetes aan hen oplegt en welke toetsingsmaatstaf het Gerecht en het Hof van Justitie aanleggen. Vlak voor het einde van dit hoofdstuk zal ik enige aandacht besteden aan de doorwerking van Europa in ons strafrecht, voorheen in het kader van de derde pijler in de vorm van kaderbesluiten en de Schen-gen Uitvoeringsovereenkomst. Ik zal dit hoofdstuk eindigen met een korte bespreking van de verhouding tussen het EVRM en de Unie.