Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/14.3.4
14.3.4 Procedurele aspecten
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS297111:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wattel is van mening dat de bevoegde autoriteit in beginsel verplicht is om de onderling-overlegprocedure op te starten tenzij zonneklaar is dat het bezwaar van de onderneming ongegrond is. Zie Bj.M. Terra en Pj. Wattel, European Tax Law, Fiscale studieserie nr. 29, Deventer: Fed 2008, p. 282 (fifth edition). In dezelfde zin: L. Hinnekens, ‘The Tax Arbitration Convention. Its Significance for the EC Based Enterprise, the EC Itself, and for Belgian and International Tax Law’, EC Tax Review 1992/2, p. 96/97. Een Nederlandse belastingplichtige kan volgens Wolfswinkel echter niet in bezwaar en beroep komen wanneer de bevoegde autoriteit meent dat zijn bezwaar niet gegrond is en daarom weigert om een onderling overlegprocedure op te starten. M. Wolfswinkel, ‘EG-Arbitrageverdrag’, WFR 1990/5940, p. 1741.
Dat de Nederlandse belastingrechter een beroep op het Arbitrageverdrag niet honoreert, ondervond de belastingplichtige in BNB 2002/231*. In deze zaak ging het om economisch dubbele belastingheffing over rente die bij de Duitse dochter/debiteur gedeeltelijk niet aftrekbaar was op grond van de Duitse onderkapitalisatieregels terwijl deze rente volgens de Nederlandse fiscus bij de Nederlandse crediteur belastbaar was. Belanghebbende wenste de rente die voor de Duitse debiteur niet aftrekbaar was in Nederland als deelnemingsdividend te beschouwen en deed onder meer een beroep op het Arbitrageverdrag. Het hof verwierp het beroep van belanghebbende echter. Het hof overwoog: ‘De Nederlandse rechter in belastingzaken heeft ook bij deze regeling voor onderling overleg of die arbitrageprocedure geen taak.’ Zie de hofuitspraak in HR 24 mei 2002, nr. 27 071, BNB 2002/231*. In cassatie kwam deze kwestie niet meer aan de orde.
Züger wijst erop dat belastingplichtigen in de meeste lidstaten de mogelijkheid hebben om voor de lokale rechter af te dwingen dat de bevoegde autoriteit de arbitrageprocedure opstart. M. Züger, Arbitration under Tax Treaties, Improving Legal Protection in the International Tax Law, Doctoral Series International Bureau of Fiscal Documentation Academic Council, Amsterdam: IBFB Publcations BV 2001, p. 79.
Voor een aantal tekortkomingen van de arbitrageprocedure zie Company taxation in the internal market, a commission staff working paper, COM(2001) 582 final, p. 354 t/m 359 en p. 437 t/m 439. Als voorlopige oplossing voor een aantal van deze problemen heeft de Europese Commissie op 23 april 2004 een gedragscode voorgesteld. Zie de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees parlement en het Europees economisch en sociaal comité over de werkzaamheden van oktober 2002 tot december 2003 van het Gezamenlijk EU-Forum over verrekenprijzen in het kader van de belasting op ondernemingen en over een voorstel tot Gedragscode voor een efficiënte toepassing van het Arbitrageverdrag (90/436/ EEG) van 23 juli 1990, COM(2004) 297 def.
Tillinghast vindt het niet nodig dat de staten de mogelijkheid hebben om af te wijken van het advies van de commissie. Hij vindt het praktischer en rechtvaardiger tegenover de belastingplichtigen wanneer de staten gebonden zouden zijn aan het advies. D.R. Tillinghast, ‘Issues in the Implementation of the Arbitration of Disputes Arising under Income Tax Treaties’, Bulletin March 2002, p. 93.
Er is tot nu toe één zaak bekend waarin deze procedure in zijn geheel is doorlopen, een zaak tussen Frankrijk en Italië. Zie P. Adonnino, ‘Some Thoughts on the EC Arbitration Convention’, European Taxation, November 2003, p. 403 en S.B. Huibregtse, R.H.M.J. Offermans, ‘What is the Future of EU Arbitration Convention?’, International Transfer Pricing Journal, March/ April 2004, p. 80. In de periode 1995 tot 1999 zijn een kleine 100 zaken geïnitieerd. Van deze zaken is ongeveer 40% in de onderlingoverlegfase opgelost, zo blijkt uit Company taxation in the internal market, a commission staff working paper, COM(2001) 582 final, p. 748 en p. 752. Een groot aantal zaken liep nog op het moment dat deze inventarisatie werd ondernomen.
Voor een vergelijking tussen de onderlingoverlegprocedure van het OESO-modelverdrag en de arbitrageprocedure van het Arbitrageverdrag zie Company taxation in the internal market, a commission staff working paper, COM(2001) 582 final, p. 353.
P. Adonnino, ‘Some Thoughts on the EC Arbitration Convention’, European Taxation, November 2003, p. 404 en L. Hinnekens, ‘The Tax Arbitration Convention. Its Significance for the EC Based Enterprise, the EC Itself, and for Belgian and International Tax Law’, EC Tax Review 1992/2, p. 99. Ook Tillinghast die het onderwerp arbitrage in een breder kader bespreekt, pleit ervoor dat belastingplichtigen gebonden zijn aan de uitkomst van een arbitrageprocedure. D.R. Tillinghast, ‘Issues in the Implementation of the Arbitration of Disputes Arising under Income Tax Treaties’, Bulletin, March 2002, p. 93-94. Anders Velthuizen die ervan uitgaat dat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft om de uitkomst van de arbitrageprocedure aan de nationale rechter voor te leggen. Tegelijkertijd constateert hij echter dat art. 7, lid 1, Arbitrageverdrag zich tegen deze uitleg lijkt te verzetten. In de laatste volzin van deze bepaling is namelijk geregeld dat ingeval de zaak aan een rechter is voorgelegd, de termijn van twee jaar pas aanvangt op de datum waarop de rechtelijke beslissing in hoogste instantie definitief is geworden. H. Velthuizen, ‘Arbitrage in Nederlandse belastingverdragen’, WFR 2002/6474, p. 439.
Besluit Staatssecretaris van Financiën 30 maart 2001, nr. IFZ2001/295, V-N 2001/21.3, p. 2480.
Zie art. 7 van de goedkeuringwet EG-arbitrageverdrag inzake winstcorrectie tussen verbonden ondernemingen, wet van 27 oktober 1993, Stb. 576. Zie ook Besluit Staatssecretaris van Financiën 30 maart 2001, nr. IFZ2001/295, V-N 2001/21.3, p. 2481.
Anders dan een richtlijn heeft het Arbitrageverdrag geen directe werking. Bovendien is het Hof van Justitie EG niet bevoegd om het verdrag uit te leggen. Het is aan de nationale rechters van de lidstaten om over de toepassing van het arbitrageverdrag recht te spreken. BJ.M. Terra en PJ. Wattel, European Tax Law, Fiscale studieserie nr. 29, Deventer: Fed 2008, p. 276 (fifth edition). Zie ook P. Adonnino, ‘Some Thoughts on the EC Arbitration Convention’, European Taxation, November 2003, p. 403.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 691, nr. 8 (nota), blz. 1.
Wordt winst in twee lidstaten belast omdat het arm’s length-beginsel of de zelfstandigheidsfictie niet in acht is genomen, dan kan de betreffende onderneming haar zaak voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan zij inwoner is of waarin haar vaste inrichting is gelegen. Dit moet gebeuren binnen drie jaar na de eerste kennisgeving van de maatregel waarvan de dubbele belasting het gevolg is. Is de bevoegde autoriteit zelf niet in staat om tot een bevredigende oplossing te komen en komt het bezwaar van de onderneming haar gegrond voor dan voorziet het arbitrageverdrag in eerste instantie in een regeling voor onderling overleg tussen de desbetreffende staten.1 Zijn zij daar niet toe bereid dan rest de belastingplichtige slechts een gang naar de lokale rechter. In Nederland is tegen een weigering van de bevoegde autoriteiten om een onderlingoverlegprocedure op te starten echter geen beroep op de belastingrechter mogelijk.2
Komen de betreffende staten er binnen twee jaar niet uit dan wordt een adviserende commissie ingesteld.3 Deze commissie brengt binnen zes maanden een advies uit aan beide staten over de wijze waarop de dubbele belasting moet worden afgeschaft. De commissie dient daarbij uit te gaan van het arm’s length-beginsel respectievelijk de zelfstandigheidsfictie. De staten nemen vervolgens binnen zes maanden op basis van de beginselen van art. 4 een besluit tot afschaffing van de dubbele belastingheffing.4 Dit besluit kan afwijken van het advies van de commissie.5 Komen de staten niet tot overeenstemming dan wordt het advies van de commissie bindend.6 De arbitrageprocedure waarin het verdrag voorziet gaat dus aanzienlijk verder dan de regeling voor onderling overleg van art. 25 OESO-modelverdrag. Deze regeling voorziet namelijk niet in een tijdslimiet en kent geen verplichting om tot overeenstemming te komen.7
Het Arbitrageverdrag bevat geen bepaling die inhoudt dat de belastingplichtige is gebonden aan de uitkomst van de arbitrageprocedure. In het algemeen wordt er echter vanuit gegaan dat de arbitrageprocedure de belastingplichtige bindt.8
Ook de Nederlandse Staatssecretaris van Financiën gaat ervan uit dat de arbitrageprocedure bindend is voor de belastingplichtige. Zolang ten aanzien van correcties binnen het Nederlandse rechtsstelsel namelijk nog mogelijkheden openstaan om opgelegde aanslagen te bestrijden, zal de bevoegde autoriteit in Nederland niet in overleg treden met de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat. Als reden hiervoor voert de staatssecretaris aan dat gedurende lopende nationale procedures nog niet bekend is of daadwerkelijk internationale dubbele belasting zal ontstaan. Onder voorwaarden is Nederland echter toch bereid om tijdens een lopende nationale procedure over te gaan tot overleg met de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat omdat dit soms efficiënter kan zijn. De nationale procedure moet dan worden opgeschort. In dat geval is vereist dat de Belastingdienst en de belastingplichtige een vaststellingsovereenkomst sluiten waarbij de belastingplichtige verklaart de nationale procedure te zullen intrekken zodra de overleg- of arbitrageprocedure leidt tot het opheffen van de internationale dubbele belasting.9
Staat de aanslag over een jaar definitief vast dan is de inspecteur in Nederland verplicht om de aanslag voor zoveel nodig ambtshalve te verminderen overeenkomstig het besluit van de bevoegde autoriteiten.10 Tijdens de behandeling van de goedkeuringswet van het Arbitrageverdrag is vanuit de Tweede Kamer gesuggereerd om deze ambtshalve vermindering aan te merken als een uitspraak van de inspecteur om te bereiken dat de belastingplichtige een beroep op de rechter11 zou kunnen instellen wanneer hij meent dat de inspecteur het besluit van de bevoegde autoriteiten niet goed heeft verwerkt. De staatssecretaris vond een nieuwe rechtsgang echter niet nodig omdat hij meende dat zich in praktijk geen problemen zouden voordoen.12