In de kop van het arrest staat 27 februari 2018, in het dictum 28 februari 2018.
HR, 01-06-2018, nr. 18/00964
ECLI:NL:HR:2018:821
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-06-2018
- Zaaknummer
18/00964
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:821, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 01‑06‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:534, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2018:534, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑03‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:821, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 01‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.
Partij(en)
1 juni 2018
Eerste Kamer
18/00964
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/15/267271 FT RK 17.1834 van de rechtbank Noord-Holland van 16 januari 2018;
b. het arrest in de zaak 200.231.828/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2018.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-GeneraalG.R.B. van Peursem strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
Mr. M.J. Meijer heeft bij brief van 3 april 2018 op die conclusie gereageerd. De Hoge Raad heeft deze brief terzijde gelegd, nu deze niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het op 6 maart 2018 ingekomen verzoekschrift voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, omdat het niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 1 juni 2018.
Conclusie 22‑03‑2018
Inhoudsindicatie
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.
18/00964
mr. G.R.B. van Peursem
22 maart 2018
Conclusie inzake:
[verzoeker] ,
verzoeker tot cassatie,
(hierna: [verzoeker])
1. [verzoeker] heeft bij een op 6 maart 2018 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift met het opschrift “schriftuur in cassatie” beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 27 of 28 februari 20181.met zaaknummer 200.231.828/01. In dit arrest is het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 16 januari 2018 bekrachtigd, waarin de rechtbank het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen.
2 Het cassatieverzoekschrift is ingediend en ondertekend door mr. M.J. Meijer, die geen advocaat bij de Hoge Raad is.
3 Bij brief van 8 maart 2018 is [verzoeker] door de griffie van de Hoge Raad bericht dat het cassatieverzoekschrift niet is ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad en dat dit verzuim kan worden hersteld doordat een advocaat bij de Hoge Raad alsnog hetzelfde verzoekschrift getekend indient binnen twee weken na de datum waarop het verzoekschrift door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen (i.e. uiterlijk op 20 maart 2018)2..
4 Tot op heden is door [verzoeker] geen cassatieverzoekschrift ingediend dat is ondertekend door een cassatieadvocaat. Zodoende is het verzuim niet tijdig hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste van art. 426a lid 1 Rv.
5 Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑03‑2018
Vaste rechtspraak dat dit de hersteloptie is: HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212, m.nt. H.J. Snijders, recent herhaald in HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:314, RvdW 2017/311, HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:931, RvdW 2017/592, HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2557, RvdW 2017/1066 en HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2558, RvdW 2017/1065.