Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.3.3
11.4.3.3 Terugwerkende kracht van het (af)splitsingstijdstip
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491643:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 4 respectievelijk Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 4.
Dat het gaat om de aanvang van het boekjaar van de splitser is pas expliciet bepaald sinds het Beleidsbesluit V-N 2015/16.16 (afsplitsing) en het Beleidsbesluit V-N 2015/17.8 (zuivere splitsing). In het Beleidsbesluit V-N 2001/8.1 (afsplitsing) werd slechts gesproken over de aanvang van het boekjaar, zonder duidelijk te maken of dit het boekjaar van de splitser of de verkrijger betrof.
In de vorige versies van de beleidsbesluiten was dat anders. Zie het Beleidsbesluit V-N 2015/16.16, onderdeel 4 (afsplitsing) en het Beleidsbesluit V-N 2015/17.8, onderdeel 4 (zuivere splitsing).
Zie art. 2:334f, lid 2, onderdeel i, BW.
Een splitsing wordt civielrechtelijk van kracht de dag na de dag waarop de notariële akte is verleden (art. 2:334n BW).
Zie ook onderdeel 2.9 en de daar gemaakte (literatuur)verwijzingen.
Zie hierover ook Van der Zanden, TVVS 1998/80, onderdeel 9.
Zie hierover bijvoorbeeld Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.7.1, p. 129, Van Eck, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, commentaar op art. 2:312 BW, aantekening 2 (bijgewerkt 30-10-2020) en Boschma & Schutte-Veenstra, Tekst & Commentaar Ondernemingsrecht, commentaar op art. 2:334q BW, aantekening 2 (bijgewerkt 1-7-2021).
Mogelijk dat de verkrijger(s) op dat tijdstip nog niet bestaat (bestaan). Dat kan zich voordoen bij (een) nieuw opgerichte verkrijger(s). In zo’n geval ontstaat een voorperiode. Zie daarover ook Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.4.1.1, p. 338.
Zie Simonis, MBB 2014/12.2. Deze auteur becommentarieert in zijn bijdrage een vergelijkbare passage in het destijds geldende beleidsbesluit over de rechtsfiguur van de juridische fusie, het Beleidsbesluit V-N 2014/38.13.
In deze zin ook Ruijschop, noot in NTFR 2015/842, Van der Burgt, WPNR 2016/7130, onderdeel 6.1.2 en Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.4.1.1, p. 342, voetnoot 675. De Vries, WFR 2015/526, onderdeel 4.2, voetnoot 39, acht het ontbreken van zo’n passage in het kader van de afsplitsing begrijpelijk omdat de afsplitsende rechtspersoon blijft voortbestaan en zijn eigen resultaten behoudt, zodat het door de besluitgever gevreesde oneigenlijk gebruik zich niet kan voordoen. Het komt mij echter voor dat het voorbeeld van de staatssecretaris is gericht op de resultaten die in de terugwerkende kracht-periode met het overgegane vermogen worden behaald (binnenjaarse resultaatsaldering). Het maakt in dat licht bezien niet uit of de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan of niet.
Voor een overzicht van jurisprudentie over ‘incidenteel fiscaal voordeel’ in de context van goed koopmansgebruik verwijs ik naar Vakstudie IB, commentaar op art. 3.25 Wet IB 2001, aantekening 9.6.2 (bijgewerkt 20-6-2021).
Tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt dat voor de bepaling van het (af)splitsingstijdstip in beginsel ook kan worden aangesloten bij de civielrechtelijke regeling.1 In lijn hiermee bevatten het beleidsbesluit afsplitsing en het beleidsbesluit zuivere splitsing een goedkeurende regeling.2
De staatssecretaris keurt goed dat het (af)splitsingstijdstip wordt gesteld op de aanvang van het boekjaar van de splitsende rechtspersoon.3 Hiervoor gelden drie cumulatieve voorwaarden:
De verantwoording van de financiële gegevens van de splitser in de jaarrekening van de verkrijger(s), opgesteld volgens de bepalingen van titel 9, Boek 2 BW, dan wel een daarmee vergelijkbare buitenlandse wettelijke regeling, vindt eveneens plaats vanaf de aanvang van het boekjaar van de splitser.
De datum waarop de splitsing van kracht wordt, volgens het recht dat de splitsing beheerst, ligt binnen twaalf maanden na de aanvang van het boekjaar van de splitsende rechtspersoon.
Met de terugwerkende kracht wordt geen (incidenteel) fiscaal voordeel beoogd of behaald.
In de goedkeurende regeling wordt geen onderscheid gemaakt tussen splitsingen die tot stand worden gebracht op basis van het Nederlandse civiele recht en splitsingen die tot stand komen op grond van buitenlands civiel recht.4 Ik ga hierna uit van splitsingen naar Nederlands civiel recht.
Ad 1 en 2
Onderdeel van de (civielrechtelijke) splitsingsprocedure is dat een voorstel tot splitsing wordt opgesteld. Dit splitsingsvoorstel dient onder meer het tijdstip te vermelden met ingang waarvan financiële gegevens over elk deel van het vermogen dat zal overgaan, zullen worden verantwoord in de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verkrijger(s).5 Het gekozen tijdstip hoeft niet gelijk te zijn aan het moment waarop de splitsing civielrechtelijk van kracht wordt, maar kan ook daarvóór liggen.6 In dergelijke situaties is sprake van ‘boekhoudkundige of economische terugwerkende kracht’.7 Bij een zuivere splitsing, waarbij de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan, bepaalt art. 2:334q, lid 1, BW dat het laatste boekjaar van deze splitser op het gekozen tijdstip eindigt. Op deze manier is balanscontinuïteit bereikt.8 Aan een zuivere splitsing nemen altijd meerdere verkrijgers deel, terwijl het boekjaar van de splitser maar op één tijdstip eindigt. Om die reden dient het verwerkingstijdstip in de jaarrekening van alle verkrijgers bij een zuivere splitsing volgens de (civiele) wetgever gelijk te zijn.9 Ik wijs erop dat het civielrechtelijk niet verplicht is om wat betreft de boekhoudkundige verwerking aan te sluiten bij de aanvang van het boekjaar van de splitsende rechtspersoon. Er kan ook voor een ander moment worden gekozen.10 Om de goedkeurende regeling voor terugwerkende kracht van het fiscale (af)splitsingstijdstip te kunnen toepassen, is echter vereist dat wordt aangesloten bij de aanvang van het boekjaar van de splitser.11 Daarnaast dient de splitsing van kracht te worden binnen twaalf maanden na de start van dat boekjaar. Volgens art. 2:334n BW wordt een splitsing van kracht met ingang van de dag na die waarop de notariële splitsingsakte is gepasseerd.
Ad 3
Het beleidsbesluit zuivere splitsing bevat een voorbeeld van een situatie waarin volgens de staatssecretaris sprake is van een (incidenteel) fiscaal voordeel: door de terugwerkende kracht wordt bewerkstelligd dat het resultaat van de splitsende rechtspersoon kan worden afgezet tegen resultaten van vennootschappen die niet bij de zuivere splitsing betrokken zijn, omdat de verkrijgende rechtspersoon al deel uitmaakt van een fiscale eenheid. In de literatuur is de vraag opgeworpen of de praktijk veel aan dit voorbeeld heeft, omdat het voorbeeld niet duidelijk maakt waarin het incidentele fiscale voordeel nu exact is gelegen: in het met terugwerkende kracht binnenjaars (horizontaal) salderen van winsten en verliezen, in het gegeven dat dit gebeurt met resultaten die juridisch niet toekomen aan de bij de splitsing betrokken rechtspersonen of in een combinatie daarvan.12 Het komt mij voor dat de staatssecretaris de combinatie als een incidenteel fiscaal voordeel aanmerkt. De goedkeurende regeling resulteert namelijk sowieso in het met terugwerkende kracht salderen van resultaten van de splitser en de verkrijger(s). Het is mijns inziens opvallend dat de staatssecretaris in het beleidsbesluit afsplitsing geen voorbeeld geeft van een (in zijn ogen) incidenteel fiscaal voordeel. Volgens mij kan namelijk een vergelijkbaar effect worden bereikt in het geval van terugwerkende kracht van het afsplitsingstijdstip in combinatie met het fiscale-eenheidsregime. Het gevolg van die terugwerking is namelijk dat het van de afsplitsende rechtspersoon afkomstige vermogen in fiscale zin naar een eerder tijdstip overgaat naar de verkrijgende rechtspersoon. De resultaten die met dat vermogen worden behaald in de ‘terugwerkende kracht-periode’ kunnen bij de desbetreffende – in een fiscale eenheid gevoegde – verkrijger in aanmerking worden genomen, waardoor die resultaten in beginsel kunnen worden afgezet tegen resultaten van andere in de betreffende fiscale eenheid gevoegde maatschappijen.13 Zonder terugwerking zou het hier bedoelde resultaat bij de afsplitsende rechtspersoon zelf tot uitdrukking zijn gekomen.
In de jurisprudentie is de vraag of al dan niet sprake is van een (incidenteel) fiscaal voordeel in de context van fiscale doorschuifregelingen aan de orde geweest in een zaak over de geruisloze omzetting van art. 3.65 Wet IB 2001.14 In HR BNB 2015/144 werd een eenmanszaak omgezet in een BV. De relevante feiten waren als volgt. In april 2007 genoot belanghebbende een (relatief grote) incidentele bate. In september 2007 werd een intentieverklaring opgesteld om met ingang van 1 januari 2007 de onderneming voor rekening en risico van een nog op te richten BV te drijven. In maart 2008 werd de BV opgericht en de inbreng civielrechtelijk geëffectueerd. Belanghebbende verzocht deze inbreng te laten plaatsvinden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007. Over de incidentele bate zou dan acuut vennootschapsbelasting worden geheven en – op termijn – inkomstenbelasting in de vorm van belastbaar inkomen uit a.b. Zonder de beoogde terugwerkende kracht zou de incidentele bate acuut tegen het progressieve tarief van box 1 Wet IB 2001 worden belast. De Hoge Raad oordeelde dat geen sprake was van een incidenteel fiscaal voordeel, omdat het onderscheid in belastingdruk een permanent karakter heeft. Het gevolg van terugwerkende kracht is volgens de Hoge Raad nu eenmaal dat de winst behaald in de terugwerkende kracht-periode geconfronteerd wordt met die lagere belastingdruk. Dat in deze periode een (omvangrijke) incidentele bate werd genoten, betekent niet dat sprake is van een incidenteel fiscaal voordeel. Uit dit arrest kan meer in algemene zin het volgende worden afgeleid: volgens de Hoge Raad is een incidenteel fiscaal voordeel afwezig als met de terugwerkende kracht de permanente toestand die (of het regime dat) nu eenmaal het gevolg is van (en daarmee inherent is aan) de desbetreffende fiscaal begeleide transactie ook geldt voor baten en lasten die in de terugwerkende-kracht-periode opkomen. De focus ligt dus niet op het incidentele karakter van de bate (of de last).