Vertrouwen voorop
Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/1.2:1.2 Opbouw van het onderzoek
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/1.2
1.2 Opbouw van het onderzoek
Documentgegevens:
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS611031:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na een nadere uiteenzetting van en toelichting op de achtergrond, doelstellingen en opzet van het onderzoek in de hoofdstukken 2 en 3 zal ik in de hoofdstukken 4 tot en met 8 een antwoord formuleren op bovenstaande vragen. Beantwoording van de eerste onderzoeksvraag staat centraal in hoofdstuk 4. Ik geef daarin een overzicht van de kwaliteitsbevorderende wetgeving die voor accountants en accountantsorganisaties in Nederland tot stand is gekomen. Ik beperk mij daarbij niet tot bespreking van de kwaliteitsbevorderende wetgeving maar verschaf ook inzicht in de beleidsoverwegingen die aan de totstandkoming ten grondslag liggen. Vervolgens staat de beantwoording van de tweede onderzoeksvraag centraal in de hoofdstukken 5 tot en met 8. In hoofdstuk 5 licht ik drie kwaliteitsbevorderende maatregelen uit, en beoordeel ik deze vanuit theoretisch juridisch perspectief. Deze maatregelen zijn (i) het extern onafhankelijk toezicht op accountantsorganisaties, (ii) het stelsel van onafhankelijk intern toezicht binnen accountantsorganisaties en (iii) de uitgebreide accountantsverklaring. In de hoofdstukken 6 tot en met 8 staat de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze drie maatregelen in de praktijk centraal. Doelmatigheid definieer ik als de theoretische geschiktheid van een maatregel om het vooropgezette doel te bereiken. Onder doeltreffendheid versta ik de mate waarin een kwaliteitsbevorderende maatregel in de praktijk een kwaliteitsbevorderend effect sorteert. Kort gezegd beoordeel ik met behulp van diverse onderzoeksmethoden of de maatregelen efficiënt en effectief zijn. In hoofdstuk 3 licht ik nader toe hoe ik de doelmatigheid en doeltreffendheid van de kwaliteitsbevorderende wetgeving beoordeel.