Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/2.3.5
2.3.5 Vrij verkeer van goederen
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS610627:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Teuben 2005, p. 87, Craig &; De Búrca 2015, p. 666, en onder meer: HvJ EG 25 juni 1997, C-114/96 (Kieffer en Thill), r.o 27, HvJ EG 20 mei 2003, C-108/01 (Parmaham), r.o. 53 en HvJ EG 20 mei 2003, C-469/00 (Grana Padano), r.o. 86, waarnaar Teuben eveneens verwijst, alsook: HvJ EG 14 december 2004, C-210/03 (Swedish Match), r.o. 59.
Zie over het vrij verkeer in goederen onder meer Lenaerts &; Van Nuffel 2011, p. 204-228, Craig &; De Búrca 2015, p. 665-720, en Woods &; Watson 2014, p. 381-408.
HvJ EG 11 juli 1974, C-8/74 (Dassonville), r.o. 5. Zie ook: Teuben 2005, p. 95.
Teuben 2005, p. 100.
HvJ EG 20 februari 1979, C-120/78 (Cassis de Dijon), r.o. 14. Zie ook: Fairhurst 2016, p. 597 en 598.
Teuben 2005, p. 101.
HvJ EG 10 december 1968, C-7/68 (Commissie t. Italië).
HvJ EG 21 oktober 1999, C-97/98 (Jägerskiöld), r.o. 34-39. Voorafgaand aan deze overwegingen, overwoog het Hof dat: ‘niet alles wat op geld waardeerbaar is en als zodanig het voorwerp van handelstransacties kan vormen, noodzakelijkerwijs onder die verdragsbepalingen [inzake het vrij verkeer in goederen] valt’ (r.o. 33).
Teuben 2005, p. 101 en 102. Daarbij wijst Teuben erop dat emissierechten tussen lidstaten ingevolge de Richtlijn verhandelbaar moeten zijn, de emissierechten uit een andere lidstaat als geldig dienen te worden erkend, en emissierechten in de hele EU te gebruiken moeten zijn ter voldoening van de uitstoot van broeikasgassen (ten tijde van het proefschrift van Teuben alleen CO2).
Zowel voor nationale maatregelen, als voor EU-handelingen geldt dat deze zijn onderworpen aan artikel 34 en 35 VwEU.1 De artikelen 34 en 35 VwEU zien op kwantitatieve invoer-, resp. uitvoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking.2 In Dassonville heeft het Hof geoordeeld dat onder artikel 34 VwEU valt:
‘iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen is te beschouwen;’3
Teuben verdedigde in haar proefschrift inzake de oorspronkelijke Richtlijn, dat daar waar de Richtlijn de regeling van bepaalde delen (gedeeltelijk) overliet aan de lidstaten, de nationale implementatiebepalingen getoetst moesten worden aan artikel 34 VwEU. In het kader van de verschillen in de regelingen voor allocatie van emissierechten die zo tussen lidstaten konden ontstaan, concludeerde zij:
‘Nationale regelingen voor de allocatie zouden mogelijk de productiekosten in eigen land kunnen verlagen ten opzichte van die in het buitenland, bijvoorbeeld door een ruimere toekenning (in totaal, op sectorniveau of individueel) of door meer dan andere landen gebruik te maken van grandfathering. Door dit verschil in productiekosten kan wellicht de invoer worden beperkt.’4
Nog daargelaten dat de huidige Richtlijn niet meer werkt met nationale allocatieplannen, kan de Richtlijn, ook daar waar de regeling van bepaalde onderdelen aan de lidstaten wordt overgelaten, in ieder geval voor zover het niet de emissierechten zelf betreft, mijns inziens niet onder artikel 34 of 35 VwEU vallen. Immers, de eisen die door de Richtlijn en de nationale implementatiebepalingen worden gesteld, betreffen niet direct of indirect de invoer of uitvoer van goederen. Er worden slechts eisen aan het productieproces gesteld, in die zin dat emissies dienen te worden bijgehouden en geverifieerd, en daar emissierechten voor dienen te worden ingeleverd. Indien er al verschil in regelgeving tussen lidstaten zou ontstaan bij de implementatie van de Richtlijn, en deze verschillen door de Richtlijn zouden worden toegestaan, beperkt dit nog niet de handel in producten die door installaties worden geproduceerd. Dit zou pas, voor zover het artikel 34 VwEU betreft, het geval zijn indien en voor zover in de lidstaat van invoer eisen zouden worden gesteld ten aanzien van het goed, vanwege dit verschil in regelgeving. Voor zover dergelijke eisen niet aan de invoer van goederen wordt gesteld, voldoet de invoerende lidstaat aan het beginsel van wederzijdse erkenning uit Cassis de Dijon,5 en kan er reeds om die reden niet worden gesproken van een ‘maatregel van gelijke werking’ in de zin van artikel 34 VwEU en het arrest Dassonville.
Wat betreft de handel in emissierechten kan het volgende worden vastgesteld. Artikel 34 en 35 VwEU vallen onder het hoofdstuk ‘Vrij verkeer van goederen’. Van belang is dus te weten of een emissierecht een ‘goed’ is dat onder de bepalingen uit dat hoofdstuk valt. Het Hof heeft hierover nog geen expliciet oordeel gegeven. In dit kader kan er echter worden gewezen op de analyse van Teuben.6 Zij wees op Commissie t. Italië,7 waaruit volgde dat het om waren moet gaan die op geld waardeerbaar zijn. Echter, vervolgens wees zij op het arrest Jägerskiöld waarin visrechten c.q. vergunningen die voor overdracht vatbaar waren, niet als ‘goed’ werden aangemerkt. 8Met Teuben ben ik dan ook van mening, naar analogie van het arrest Jägerskiöld, dat emissierechten geen ‘goed’ in de zin van de vrij verkeersbepalingen inzake goederen zijn. De artikelen 34 en 35 VwEU zijn dan ook niet op de handel in emissierechten van toepassing.
Met Teuben ben ik van mening dat, zelfs als emissierechten wel als ‘goed’ zouden zijn te kwalificeren, er geen strijd met artikel 34 en 35 VwEU kan ontstaan, nu de Richtlijn de handel in en het gebruik van emissierechten uitputtend heeft geregeld.9