HR, 14-10-2025, nr. 23/04783
ECLI:NL:HR:2025:1513
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
23/04783
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1513, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3147
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:762
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0334
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Mensenhandel (meermalen gepleegd), art. 273f.1.1, 273f.1.4, 273f.1.6 en 273f.1.9 Sr. 1. Grondslagverlating, art. 261.1 Sv. Heeft hof de grondslag van tll. verlaten door bij feiten de pleegplaats in te lezen? 2. Kon hof de verklaring van (onvindbare) getuige voor bewijs gebruiken, nu verdediging getuige niet heeft kunnen horen en er geen compensatie is voor ontbreken van mogelijkheid tot ondervraging? Art. 6 EVRM. 3. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefsters voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 4. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. 5. Oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel voor feit dat mede vóór 1-4-2012 is begaan, art. 1.1 en 38v Sr. Ad 1., 2. en 3. HR: art. 81.1 RO. Ad 4. HR ambtshalve: Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:714). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 248 en 112 dagen kan worden toegepast. Ad 5. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte voor de in periode van 1-2-2010 tot en met 1-9-2013 gepleegde mensenhandel o.m. veroordeeld tot vrijheidsbeperkende maatregel van 3 jaren (contactverbod met slachtoffer A). Inwerkingtreding van art. 38v Sr (mogelijkheid tot oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel) houdt in het licht van art. 1 lid 1 Sr wijziging van toepasselijke regels van sanctierecht in. Nu bewezenverklaard feit, dat door hof als 1 misdrijf is gekwalificeerd, mede vóór 1-4-2012 is begaan, had art. 38v Sr buiten toepassing moeten blijven (vgl. HR:2018:79 en HR:2018:80). HR zal zaak in dit opzicht zelf afdoen en vrijheidsbeperkende maatregel v.zv. deze ziet op slachtoffer A vernietigen. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod met slachtoffer A).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04783
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 november 2023, nummer 23-001737-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat C.F. Korvinus bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot: vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en wat betreft de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor zover deze inhoudt dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboortedatum: [geboortedatum] 1990; tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer 1] gijzeling van 248 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer 2] gijzeling van 112 dagen kan worden toegepast; tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
3.1.1 Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 251 en 114 dagen gijzeling.
3.1.2 Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop als bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
3.1.3 De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
3.2.1 Verder heeft het hof de verdachte voor de ten aanzien van [slachtoffer 1] in de periode van 1 februari 2010 tot en met 1 september 2013 gepleegde mensenhandel (feit 1) onder meer veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende maatregel van drie jaren die inhoudt dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] .
3.2.2 Artikel 38v Sr voorziet in de mogelijkheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze bepaling is ingevoerd bij de Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 546 (Wet rechterlijk gebieds- of contactverbod), die op 1 april 2012 in werking is getreden. De invoering van deze bepaling houdt, in het licht van artikel 1 lid 1 Sr, een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht. In aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde feit 1, dat door het hof als één misdrijf is gekwalificeerd, mede vóór 1 april 2012 is begaan heeft het hof miskend dat genoemde bepaling buiten toepassing moet blijven (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79 en ECLI:NL:HR:2018:80). De Hoge Raad zal de zaak in dit opzicht zelf afdoen en de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover deze ziet op het [slachtoffer 1] vernietigen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en wat betreft de oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor zover deze inhoudt dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboortedatum: [geboortedatum] 1990;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer 1] gijzeling van 248 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer 2] gijzeling van 112 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.