Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/13.6.3.3
13.6.3.3 Het voor raadpleging ter inzage geven van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494650:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1988/89, 21 287, nr. 3, p. 8.
Zie voor een overzicht van de rechtspraak onder meer Vakstudie Alg. Deel, aant. 7 bij art. 47 AWR.
Kamerstukken II 1988/89, 21 287, nr. 3, p. 6 en 12.
Handelingen II 1951/52, p. 1940, r.k. In gelijke zin Rb. Utrecht 7 september 1999, FED 1999/670.
Of de beperking van de inzageplicht vanwege ‘fair play’ ook in de fiscale opsporingssfeer speelt, is bij gebrek aan rechtspraak niet duidelijk. Zo nee, dan wordt dit beginsel naar mijn oordeel uitgehold als wordt overgeschakeld van controle naar opsporing c.q. inbeslagneming op de voet van art. 81 AWR. Fiscale beschouwingen kunnen bij uitstek informatie bevatten die de verdachte en/of diens gemachtigde, zoals een belastingadviseur, kunnen belasten. Daaruit kan bijvoorbeeld volgen dat in de belastingaangifte (bewust) een standpunt is ingenomen, dat voorbij fiscale grensverkenning gaat en (dus) niet pleitbaar is.
Zie Handelingen II 1951/52, p. 1940, rechterkolom.
Zie het slot van het vorige onderdeel.
HR 28 november 1923, B. nr. 3324 (betreffende de oorlogswinstbelasting). De redactie van de Vakstudie Alg. Deel is van oordeel dat het verstrekken van een specificatie veelal wel kan worden gebracht onder het verstrekken van gegevens als bedoeld in art. 47, lid 1, aanhef en onderdeel a AWR (zie aant. 31 bij art. 47 AWR).
Kamerstukken II 1990/91, 21 287, nr. 5, p. 13. Betreffende overmacht zie men bijvoorbeeld Hof Amsterdam 8 augustus 1989, Futd 1989-1617; FED 1990/122, p. 349-353; Hof Amsterdam 29 juni 2005, V-N 2006/7.3, p. 13-17 en HR 27 januari 2006, BNB 2006/191 (m.nt. De Bont). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het begrip ‘overmacht’ dezelfde betekenis heeft als in art. 40 Sr (zie Kamerstukken II, 1991/92, 21 287, nr. 8, p. 10).
Zie daarover § 14.3.2.1 hierna.
Resolutie 12 augustus 1985, nr. 585-17 771, BNB 1985/298.
Zie onder meer Daniëls 1986, p. 213 e.v.; Prast 1986, p. 90 e.v.; en Wisselink 1988, p. 75 e.v.
De inzageplicht van art. 47, lid 1, aanhef en onder b AWR strekt zich uit tot de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud ervan, die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de feiten die invloed kunnen uitoefenen op de eigen belastingheffing.
Boeken, bescheiden en andere gegevensdragers
Op grond van de wetsgeschiedenis en rechtspraak moet aan het wettelijke begrip ‘boeken, bescheiden en andere gegevensdragers’ een ruime werking worden toegekend. Daaronder vallen niet alleen schriftelijke stukken zoals de boekhouding, de kladboekhouding, de kassarol, nota's en kwitanties, akten, brieven en notulen1, maar ook het rekening-courantboek van een bank, een inventaris- en een afschrijvingsrekening; notulen van de vergaderingen van aandeelhouders, management en commissarissen; schuldbekentenissen; effecten en de door een advocaat-procureur ontvangen rekeningen van griffiegelden.2 De term gegevensdrager is medio jaren negentig van de vorige eeuw geïntroduceerd, om de vruchten van de voortschrijdende informatietechnologie binnen het bereik van de inzageplicht te brengen. Naar de stand van de toenmalige techniek kunnen in dit verband worden genoemd microfilms, microfiches, magneetschijven, optische schijven, cd’s, diskettes, cd-roms en telefoongeheugens e.d.3 Inmiddels kunnen daaraan worden toegevoegd (externe) harde schijven, usb-sticks, tablets, servers et cetera. Ook gegevensopslag in kantoornetwerken en in de ‘cloud’ zijn uiteindelijk te herleiden tot één of meer gegevensdragers.
Onderscheid feit en beschouwing
Inzage moet worden verschaft in gegevens(dragers) die feiten bevatten. Hetzelfde geldt voor gegevensdragers die zowel feiten als beschouwingen bevatten.4 Omdat de door de inspecteur verlangde gegevensdragers niet (alsnog) mogen worden gewijzigd, is het niet mogelijk om bij de nakoming van de inzageplicht (zonder toestemming van de inspecteur) alsnog een scheiding aan te brengen tussen feit en beschouwing. Daarmee zal rekening moeten worden gehouden bij het vervaardigen van het document of andere gegevensdrager, bijvoorbeeld door feiten en beschouwingen apart vast te leggen.
Op grond van het fair play-beginsel geldt een uitzondering voor rapporten en andere geschriften van derden, voor zover zij ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daarover te adviseren. Dit geldt ook voor de onderdelen van die geschriften, die met dat doel gegevens van feitelijke of beschrijvende aard bevatten. De resterende onderdelen moeten desgevraagd worden verstrekt. Zo nodig kan het document worden gesplitst of geschoond.5 Niet alleen belastingplichtigen zullen zich op ‘fair play' kunnen beroepen, maar ook derden die (beroepshalve) over genoemde geschriften beschikken.6
Gegevensdragers waarvan de inhoud uitsluitend beschouwelijk van aard is, vallen niet onder het toepassingsbereik van de inzageplicht.7 Dan kan worden gedacht aan een schriftelijk advies van een advocaat of bedrijfsadviseur, althans wanneer dat advies geen (noemenswaardige) feiten bevat.
Inzageplicht kent actieve elementen
Voor wat betreft het voor raadpleging ter inzage verstrekken van de door de inspecteur verlangde gegevensdragers, legt art. 49, lid 2 AWR vast dat de meewerkplichtige moet toestaan dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud ervan. De inzageplicht omvat in aanleg niet meer of anders dan dat de meewerkplichtige boeken, bescheiden en andere gegevensdragers desgevraagd voor raadpleging aan de inspecteur beschikbaar moet stellen. Gesteld kan worden dat de meewerkplichtige een (meer) passieve houding kan aannemen dan geldt voor de inlichtingenplicht, zij het dat ook de inzageplicht (enig) handelen van hem vereist.
De inzageplicht is niet zuiver ‘passief‘ van aard, laat staan dat het een duldplicht zou zijn. Zij omvat elementen van actieve medewerking. Van de meewerkplichtige mag bijvoorbeeld een redelijke inspanning worden verlangd om het gevraagde zo nodig te vergaren.8 Wanneer de gevraagde documenten zich bijvoorbeeld elders (bij een derde) bevinden, dan kan van de meewerkplichtige worden verlangd dat hij die opvraagt. Ook kan hem worden gevraagd om informatie toegankelijk te maken voor de inspecteur, bijvoorbeeld door een wachtwoord van een computer of pincode van een telefoon te verstrekken.
De inzageplicht kan niet zo worden uitgelegd, dat daaronder ook valt het verstrekken van een op verzoek van de inspecteur alsnog opgemaakte specificatie.9 Dan gaat het om het vervaardigen van een nieuwe, nog niet bestaande gegevensdrager.
Wettelijk bezitsvermoeden
Met betrekking tot documenten en andere gegevensdragers, wordt de meewerkplichtige op grond van art. 54 AWR geacht te beschikken over de gegevensdragers waarop de inzageplicht betrekking heeft. Aan deze wettelijke bewijsfictie kan slechts worden ontkomen door aannemelijk te maken dat de afwezigheid of onvolledigheid van de gegevensdragers of de inhoud daarvan, het gevolg is van overmacht, dat wil zeggen een van buiten komend onheil zoals brand, diefstal, virussen, waterschade e.d.10 Het belang van deze wettelijke (bewijsfictie) is vooral gelegen in de toepassing van processuele sanctie van de omkering van de bewijslast.11 In internationale verhoudingen betekent het bezitsvermoeden volgens de staatssecretaris van Financiën dat de meerderheidsaandeelhouder een ‘middellijk recht’ heeft op de boeken en andere bescheiden van haar buitenlandse dochter.12 In de literatuur is deze opvatting sterk bekritiseerd.13