Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.5
3.4.5 Na de bijzaak sneuvelt ook de hulpzaak
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644803:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van der Grinten lijkt overigens te suggereren dat de hulpzaak geen zelfstandige zaak is. Over de hulpzaken bij roerende zaken stelde hij: “Wat de dienstbare zaken aan een bepaalde roerende zaak betreft, zou bij het stilzwijgen der wet - de bijzondere bepalingen over de scheeptoebehoren laat ik buiten beschouwing – kunnen worden geconcludeerd, dat de dienstbare zaken rechtens hun zelfstandigheid behouden en dus niet in technisch juridische zin hulpzaken zijn.”: Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 521.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p, 521. Hij verwees voor de onderbouwing van deze stelling naar de Toelichting ontwerp Meijers, blz. 164.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 521.
HR 14 december 1928: ECLI:NL:NR:1928:63 (Stoomketelarrest).
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 521.
Zie daarover: Ploeger (1997), p. 59-61. Zie ook Kortmann, WPNR 1988/5855.
Van der Grinten richtte niet alleen zijn pijlen op de bijzaak, maar ook op de hulpzaak.1 Een argument voor het aannemen van een juridische eenheid tussen de hulpzaak en de hoofdzaak was dat de zaken tezamen een hogere economische waarde vertegenwoordigden.2 Dit argument betwistte Van der Grinten. Allereerst plaatste hij vraagtekens bij de aanname dat de zaken inderdaad tezamen meer zouden opleveren dan individueel. Een koper van een zaak had doorgaans geen interesse in de hulpzaken. Als de zaken samen bij een verkoop meer zouden opleveren dan afzonderlijk, dan zou de eigenaar ze beide alsnog kunnen verkopen. Daarvoor was een eenheid niet nodig.3 Bovendien kon een hulpzaak een andere bestemming krijgen, waardoor zij niet meer als hulpzaak werd gezien. Zo was een stoomketel die door de eigenaar was afgescheiden, maar zich nog in de fabriek bevond geen hulpzaak meer.4 Voor de buitenwereld was dit niet altijd zichtbaar en dat zorgde volgens Van der Grinten voor rechtsonzekerheid. Ook was het niet mogelijk om hulpzaken als onderpand te gebruiken. Tot slot kwam Van der Grinten nog met een dogmatisch argument. Hij stelde dat de hulpzaak en de onroerende hoofdzaak een juridische eenheid vormden als ze aan dezelfde eigenaar toebehoorden. Als ze echter toebehoorden aan twee verschillende eigenaren, dan bleven ze twee zelfstandige zaken:
“In een logische opbouw van het recht lijkt het veel beter het zaaksbegrip niet afhankelijk te doen zijn van de eigendomsverhouding.”5
Van der Grinten kreeg zijn zin. De term hulpzaak werd aanvankelijk wel, maar uiteindelijk niet in het NBW opgenomen.6