Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.3.1
2.3.1 Het recht van de eiser en de rechtsplicht van de gedaagde
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955517:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bij verbintenissen wordt ook wel gesproken van een ‘passieve’ en een ‘actieve’ zijde: Asser/Sieburgh 6-I 2020, nr. 33.
Het begrip ‘recht’ wordt hier gebruikt in de zin van een materiële aanspraak. Gaat het om een verbintenis dan zal worden aangesloten bij de gewoonte om te spreken van nakoming van de verbintenis.
Snijders & Rank-Berenschot 2022, nr. 74-75.
HR 26 mei 2000, NJ 2000/671, m.nt. D.W.F. Verkade, AA 2000, p. 677 m.nt. H. Cohen Jehoram, AMI 2000, p. 210, m.nt. N. van Lingen (Cassina/Sedetie), rov. 3.7. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 23; Tweehuysen 2016, nr. 13, die als voorbeeld een vruchtgebruiker en een bruiklener nemen.
Tweehuysen 2016, nr. 13-14.
Zie ook Meijers 1948, p. 266, die absolute rechten omschrijft als ‘‘opgebouwd uit verplichtingen, die aan een ieder ten behoeve van de rechthebbende opgelegd worden’’.
Meijers 1948, p. 266.
Rank-Berenschot 1992, p. 73; Tweehuysen 2016, nr. 14; Snijders & Rank-Berenschot 2022, nr. 75-76; Pitlo/Reehuis & Heisterskamp 2019, nr. 22; Asser/Sieburgh 6-I 2020, nr. 16-17.
Zie o.m. Rank-Berenschot 1992; Verstijlen, RMThemis 2006, afl. 6, p. 270-275; Struycken 2007; Mollema 2013; Tweehuysen 2016; Booms 2019.
Van Nispen 1978, nr. 6; Eggens, WPNR 1923/2784-2785, p. 4158-4160.
H. Drion 1962, p. 224. Dat laat natuurlijk onverlet dat de uitgangspositie anders is: verbintenissen zijn al geïndividualiseerd, terwijl bij andere verplichtingen een feitelijke concretisering noodzakelijk is; vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 38 (nr. 3).
De rechtsplicht van de gedaagde vloeit voort uit de aanspraak die de eiser ontleent aan het materiële recht. Zonder die aanspraak is immers niet duidelijk welke verplichting de gedaagde tegenover de eiser heeft. De rechtsplicht van de gedaagde vormt in die zin het spiegelbeeld van het recht van de eiser.1 Afhankelijk van het gekozen perspectief kan in plaats van het afdwingen van een rechtsplicht daarom ook worden gesproken van handhaving van een recht.2
Absolute en relatieve rechten. Een belangrijk verschil tussen materiële aanspraken heeft betrekking op de bepaaldheid van de rechtspositie die de gerechtigde ten opzichte van anderen inneemt.3 Sommige rechten kunnen tegenover een onbepaald aantal personen worden ingeroepen, terwijl andere slechts ten opzichte van een bepaald aantal personen kunnen worden uitgeoefend. Zo kan de auteursrechthebbende optreden tegen iedere derde die inbreuk maakt op zijn recht, maar heeft de houder van een exclusieve licentie die bevoegdheid (in beginsel) niet.4 Dit verschil is terug te voeren op het rechtskarakter van de onderliggende aanspraak.5 Intellectuele-eigendomsrechten worden beschouwd als absolute of exclusieve rechten, wat betekent dat zij tegen iedere derde kunnen worden ingeroepen.6 Verbintenissen roepen daarentegen slechts verplichtingen in het leven tussen een of meerdere bepaalde personen. Zij worden daarom ook wel aangeduid als relatieve rechten.7 De tegenstelling absoluut – relatief is overigens niet zo sterk als het voorgaande misschien doet vermoeden. Zo is de derdenwerking van absolute rechten op verschillende plaatsen in de wet gerelativeerd en op andere plaatsen juist verleend aan relatieve rechten.8 Het bestaan van deze uitzonderingen bevestigt niettemin het verschil in werking tussen subjectieve rechten.
Het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten heeft in de literatuur de nodige pennen in beweging gebracht.9 Deze discussie is voor deze bespreking uiteindelijk van beperkte waarde. Het verschil in bepaaldheid valt namelijk weg op het moment dat de betreffende rechtsbetrekking zich concretiseert, bijvoorbeeld omdat een derde inbreuk maakt of dreigt te maken op het recht van een ander.10 Na deze concretisering bestaat er geen duidelijk verschil meer tussen verbintenissen en andere rechtsplichten.11 Niet geheel toevallig is daarmee ook het toepassingsgebied van art. 3:296 BW afgebakend: dat vereist dat tussen een of meer bepaalde partijen een rechtsplicht bestaat.