Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/9.5.4.3
9.5.4.3 Art. 10d, lid 10, Wet VPB 1969
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS302016:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8 (NvW), p. 20/21.
Deze kwestie is gesignaleerd door H. Maatoug en J.P. Boer, ‘Two is a party, three is a crowd (I)’, MBB februari 2004, p. 59-60. Brandsma beantwoordt deze vraag bevestigend. R.P.C.W.M. Brandsma, Fiscale onderkapitalisatie van vennootschappen, FM nr. 111, Deventer: Kluwer 2004, p. 102-103. In dezelfde zin H. Pijl, ‘Drie observaties bij thin cap’, WFR 2006/6665, p. 375 en S. van Weeghel, ‘Enkele internationale aspecten van de onderkapitalisatieregeling’, TFO juni 2004, p. 108-109.
Art. 10d, lid 10, beoogt te voorkomen dat de rente die niet aftrekbaar is op grond van de regeling tegen onderkapitalisatie bij de berekening van de voorkoming van dubbele belasting hoger is dan bij de berekening van de wereldwinst. De werking van het plafond is door de staatssecretaris met het volgende voorbeeld verduidelijkt. In het voorbeeld is het rentepercentage op het vreemd vermogen 6%. Het gehele vreemd vermogen is verkregen van verbonden lichamen. Met de franchise is omwille van de eenvoud geen rekening gehouden. Voor de toepassing van de wereldwinst luidt de balans van de belastingplichtige:
Activa
1200
Eigen vermogen
200
Vreemd vermogen
1000
De balans van de vaste inrichting ziet er als volgt uit:
Activa
800
Eigen vermogen
50
Vreemd vermogen
750
Eerst wordt berekend welk bedrag aan rente niet aftrekbaar is voor de toepassing van de wereldwinst. Dat is 400/1000 x 60 = 24. Vervolgens wordt regeling tegen onderkapitalisatie toegepast bij de berekening van de winst van de vaste inrichting. Dan is 600/750 × 45 = 36 van aftrek uitgesloten. Dat is echter meer dan de rente die voor de toepassing van de wereldwinst niet aftrekbaar is. Op grond van art. 10d, lid 10, Wet VPB 1969 is de niet-aftrekbare rente voor de berekening van de voorkomingswinst dan 24.1
In de literatuur is discussie ontstaan over de vraag of bij de berekening van het plafond de rente die correspondeert met het teveel aan vreemd vermogen (als bedoeld in art. 10d, lid 1) moet worden gemaximeerd tot de rente die per saldo is verschuldigd op verbonden leningen (als bedoeld in art. 10d, lid 3).2 Het art. 10d, lid 10, Wet VPB 1969 verwijst namelijk wel naar het eerste maar niet naar het derde lid van deze bepaling. Het belang van deze kwestie laat zich illustreren aan de hand van het voorbeeld, waarbij wordt aangenomen dat het vreemd vermogen voor een bedrag van 300 is verstrekt door een verbonden vennootschap.
Op grond van het eerste lid van art. 10d is voor de toepassing van de wereldwinst 24 niet aftrekbaar. Uit het derde lid van deze bepaling vloeit vervolgens voort dat de niet-aftrekbare rente slechts 18 bedraagt. Voor de berekening van de voorkomingswinst is de niet-aftrekbare rente in beginsel gelijk aan 36. Verwijst het tiende lid alleen naar het eerste lid, dan bedraagt het plafond 24. Behelst de verwijzing naar het eerste lid tevens een impliciete referte aan het derde lid dan is het plafond gelijk aan 18. Uit de strekking van het plafond vloeit naar mijn mening voort dat de laatstgenoemde interpretatie de juiste is.