Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/7.3.2.1:7.3.2.1 Strafvorderingsrichtlijnen; afwijkingen
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/7.3.2.1
7.3.2.1 Strafvorderingsrichtlijnen; afwijkingen
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS463260:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen (2015A001), 1 maart 2015, Stcrt. 2015, 4952.
Hoge Raad 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6942 (NJ 2010/439, met noot Schalken).
Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen (2015A001), 1 maart 2015, Stcrt. 2015, 4952, noot 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 311 Sv bevat geen concrete instructies voor de OvJ voor de onderbouwing van zijn strafeis. In het verleden zijn echter wel voorstellen gedaan om nadere regels te formuleren voor de motivering van de strafeis door de OvJ. Zo is in 2004 bij amendement getracht het eerste lid van artikel 311 Sv aan te vullen met de volgende passage: “In het geval de officier van justitie bij zijn vordering is afgeweken van de landelijke richtlijnen van het openbaar ministerie geeft hij de redenen op die tot deze afwijking hebben geleid.”1 Hoewel dit voorstel het uiteindelijk niet heeft gehaald, blijkt uit de reacties tijdens de parlementaire behandeling van de indieners van het amendement en van de minister dat er desalniettemin motiveringseisen gelden voor de OvJ.2 Daarbij gaf de minister aan dat hij een aanwijzing hierover zou uitvaardigen met de “strekking […] dat daar waar wordt afgeweken van landelijke richtlijnen, dit gemotiveerd wordt in het requisitoir of in de vordering”.3
Ook het wetsvoorstel Wet vermogenssancties bevatte aanvankelijk een aangescherpte motiveringsplicht voor de OvJ. Deze extra motiveringseis zag op de draagkracht van de verdachte als de OvJ voornemens was een geldboete op te leggen van meer dan vijfhonderd gulden.4 Uiteindelijk heeft de wetgever dit niet doorgezet, omdat dit ‘in de meeste “gewone” gevallen een hinderlijke en onnodige belasting’ zou opleveren.5
De aanwijzing waaraan de minister destijds refereerde, maakt vandaag de dag onderdeel uit van de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen. In deze aanwijzing staat de volgende passage:
“[…] In de concrete zaak is het aan de officier van justitie om op basis van het verkregen uitgangspunt met inachtneming van alle andere factoren en omstandigheden van het geval te komen tot een proportionele en op maat gesneden sanctie of strafeis […]. In de motivering bij zijn beslissing zal de officier van justitie rekenschap geven van de gekozen straftoemeting.”6
Uit het voorgaande kan de conclusie worden getrokken dat de OvJ tijdens het requisitoir of bij het uitspreken van de (gewijzigde) vordering gehouden is om de strafeis te motiveren, waarbij inzicht moet worden gegeven in de gehanteerde standaarden volgens de betreffende strafvorderingsrichtlijn én eventuele bijkomende strafbeïnvloedende omstandigheden.
Daarnaast volgt uit de jurisprudentie dat als door bijzondere omstandigheden wordt afgeweken van de richtlijn, dit moet worden gemotiveerd door de OvJ.7 Dit geldt – volgens de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen – ook voor afwijkingen van door de richtlijn voorgeschreven waardering en weging van specifieke strafbeïnvloedende omstandigheden.8