De letterlijke tekst van artikel 1:274 lid 2 BW luidt: “Dit verzoek wordt ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.” Aangenomen moet dan ook worden dat de tekst van art. 1:274 lid 2 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&boek=1&titeldeel=14&afdeling=5&artikel=274&z=2015-01-01&g=2015-01-01) BW berust op een misslag en dat het verzoek slechts wordt afgewezen, indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. Vóór 2015 werd het verzoek slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat, dat bij inwilliging de belangen der kinderen zouden worden verwaarloosd, nr. [307 (Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/305 nr 307)]. Vgl. HR 19 januari 1961, NJ 1961/170. Uit MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32015-3.html), p. 37 blijkt dat met de wijziging slechts een terminologische aanpassing is beoogd, waarbij ook gewezen is op art. 1:253g (
https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&boek=1&titeldeel=14&afdeling=2¶graaf=2&artikel=253g&z=2015-01-01&g=2015-01-01
) BW, dat bij overlijden van de ouder die alleen het gezag uitoefende voor de overlevende ouder die het gezag wenst te krijgen voorziet in een welwillender criterium. Zie ook Hof Amsterdam 25 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:621 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:621).