De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.3.8
2.3.8 De lijn Eggens
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS388446:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Eggens 1960, p. 188: “In waarheid geldt de eigendom – als rechtsbetrekking van persoon tot zaak – in de rechtsbetrekkingen van die persoon (als eigenaar betrokken) tot andere personen, en wel als de betrekkingen tot die anderen bepalend, en wel aldus bepalend dat in en door (middel van) de eigendomsbetrekking het subject daarvan zich tot de anderen verhoudt als eigenaar tot niet-eigenaren van de betrokken zaak.” Nadruk in origineel. Eggens onderschreef het standpunt van Van der Heijden 1928 dat onderscheid moest worden gemaakt tussen de rechtsbetrekking en de verbintenis, p. 188, noot 1, maar ging in deze publicatie alleen in op diens visie op art. 1269 OBW en niet in op diens idee van de samengestelde rechtsbetrekking.
Eggens 1960, p. 190. Deze beperkingen hielden rekening met de belangen van beide partijen.
Eggens 1960, p. 194. Hij noemt als voorbeeld het recht van noodweg, een verbintenis die bestaat zolang het recht voortduurt. “Wij hebben hier te doen met een rechtsbetrekking, die noch – louter – zakenrechtelijk, noch – louter – verbintenisrechtelijk is, omdat zij zowèl zakenrechtelijk àls verbintenisrechtelijk is: zij is een rechtsbetrekking van eigen – gemengde – aard, omdat zij, ook in haar concretisering tot verbintenis, bepaald is en blijft voor het antwoord op de vraag wie de verbondenen zijn en wat de inhoud is van hun verbonden zijn.”
Eggens 1960, p. 196.
Struycken 2007, p. 742-743 bespreekt deze stroming in het kader van de relativering van goederenrechtelijke rechten. Vgl. het overzicht van Wiarda 1961 en de beschouwing van Kortmann 1973 die aan alle rechtsbetrekkingen een absoluut en een relatief aspect onderscheidt. Door deze auteurs genoemde bronnen van die stroming voorafgaand aan 1960 zijn onder meer Van der Heijden 1928 en Kisch 1932. Ik reken de aandacht voor de relatieve kant van zakelijke rechten die begint bij Diephuis en de negentiende-eeuwse discussie over de bevoegdheid van de rechter hier ook toe.
Art. 780 OBW: “De erfpachter kan van zijn regt worden vervallen verklaard, ter zake van merkelijke aan het goed toegebragte schade, of van het grovelijk misbruiken daarvan; (…). De vervallenverklaring kan ook worden uitgesproken ter zake van wanbetaling der erfpacht, gedurende vijf op elkander volgende jaren (…).”
Pitlo 1965, p. 278.
Pitlo 1965, p. 278.
Pitlo 1972, p. 297-298 bevestigt het nieuwe standpunt: “Naast de actie uit art. 768 heeft de erfpachter tegen de eigenaar de contractsacties. De eigenaar schendt immers niet als willekeurige derde, hij schendt als wederpartij. Tussen partijen maakt het geen verschil of er een zakelijk of persoonlijk recht is. De onderlinge relatie tussen twee partijen is steeds obligatoir van aard. Het zakelijk karakter van hun verhouding wordt pas relevant, zodra er een derde op het toneel verschijnt.” Nadruk toegevoegd.
Kortmann 1973.
Kortmann 1973, p. 428.
Smits 1996.
Struycken 2007, p. 706-713 is in zijn bespreking van de opvatting van Smits van oordeel dat het vervangen van het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht door het leerstuk derdenwerking van verbintenissen geen daadwerkelijke oplossing biedt en bovendien organisatorische problemen zal scheppen omdat de Savigniaanse dichotomie ten grondslag ligt aan de indeling van het vermogensrecht in het BW. Het negeren daarvan is in strijd met de rechtszekerheid voor betrokkenen bij zakelijke rechten.
Dit betoog sluit aan bij de opvattingen uit Smits 2015 en Smits 2009 omtrent de wijze waarop de normatieve rechtswetenschap beoefend dient te worden, zie bijvoorbeeld p. 70: “De rechtswetenschappelijke discipline onderzoekt wat individuen, bedrijven, staten of andere organisaties in rechte al dan niet behoren te doen of na te laten.” Vgl. de opvatting van Suijling over het nut van indelingen van het burgerlijk recht en eerder de opvattingen van Opzoomer over de taak van de rechtswetenschap.
Zoals gezien werd aan het begin van de jaren zestig in de doctrine algemeen aangenomen dat de erfpachtcanon als een kwalitatieve verbintenis moest worden beschouwd, dat gold wellicht ook voor niet-wettelijk geregelde verplichtingen die voldoende verband hadden met het erfpachtrecht, maar was twijfelachtig ten aanzien van niet-wettelijk geregelde verplichtingen zonder dat voldoende verband. In deze periode verscheen de invloedrijke KNAW-rede van de Amsterdamse hoogleraar J. Eggens (1891-1964) over de begrippen eigendom en verbintenis. De rede was een studie naar de verhouding tussen de rechtsbetrekkingen eigendom, algemeen beschouwd als de verhouding tussen een persoon en een zaak, en verbintenis, de verhouding tussen twee of meer personen. Eggens nam het standpunt in dat de eigendomsverhouding tussen een persoon en een zaak geen zelfstandige betekenis had, maar pas haar betekenis en gelding vond in de rechtsbetrekkingen tussen de zaakseigenaar en andere personen.1 Waar de wet zich van een regeling onthield golden de open normen van het burgerlijk recht zoals de verkeersopvattingen, de goede trouw en dergelijke. Eggens’ naar mijn mening belangrijkste constatering was dat de rechtsfiguren eigendom en verbintenis twee zijden van dezelfde rechtsverhouding vormden.
Om dit te illustreren gaf Eggens een voorbeeld uit het burenrecht. Eigenaren van aangrenzende erven mogen in een eigen muur, die op hun grondgebied staat en grenst aan het erf van de buurman, lichten en vensters maken, met de door de wet aangegeven beperkingen op hun eigendomsrecht inhoudende de verbintenis zich te onthouden van op een bepaalde wijze inbreuk te maken op het eigendomsrecht van de ander.2 Verbintenissen moeten worden opgevat als vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen tussen individueel bepaalde personen. Verbintenissen zijn kwalitatief wanneer de individualiteit van de betrokken partijen door een bepaalde hen toekomende kwaliteit wordt bepaald. Eggens spreekt over deze ‘eigendommelijke verbintenis’ als een rechtsbetrekking van eigen gemengde aard, dat wil zeggen gemengd zakenrechtelijk en verbintenisrechtelijk.3 Of een verbintenis kwalitatief blijft wordt bepaald door de hoedanigheid van de betrokken prestatie. Op de gemengde rechtsverhouding zijn zowel de regels van het goederenrecht als die van het verbintenissenrecht van toepassing.4
In deze bijdrage heeft Eggens een aansprekende visie neergelegd op kwalitatieve verbintenissen en die visie kan naar mijn mening ook toegepast worden op erfpachtverhoudingen. De rechtsfiguur eigendom wordt hierin beschouwd als een verhouding die een bepaalde persoon en een bepaalde zaak omvat, maar die haar gelding pas vindt in verhouding tot bepaalde andere personen, verhoudingen waaraan het recht gevolgen verbindt. Datzelfde kan betoogd worden voor een beperkt recht. Ook deze rechtsfiguur geeft een verhouding van een bepaalde persoon tot een bepaalde zaak, waarvan de grenzen bepaald worden door de rechten die een bepaalde andere persoon, de erfverpachter, ten aanzien van dezelfde zaak houdt. De wetgever heeft nagelaten de daaruit volgende rechtsgevolgen te regelen. Eggens laat de begrippen eigendom en verbintenis en hun plaats in de wetssystematiek intact en voegt er tegelijk een nuancering aan toe waarmee het scherpe onderscheid tussen beide rechtsgebieden wordt gerelativeerd. Hij neemt tot uitgangspunt de rechtsverhoudingen zoals die in het maatschappelijk verkeer voorkomen. Dat is juist bij erfpacht verhelderend omdat het gebruiksrecht zich in zijn uiterlijke verschijningsvorm op het eerste gezicht niet onderscheidt van gebruik krachtens eigendom of huur, mede door de lange duur van het recht. Aan eigendom is ook naar mijn mening een relatieve kant in de vorm van kwalitatieve verbintenissen te ontwaren, Eggens noemt die ‘eigendommelijke’ kwalitatieve verbintenissen. Verbintenissen hebben soms een absolute kant in de vorm van kwalitatieve verbintenissen met een ‘verbintenisrechtelijk’ karakter. De inhoud van de betreffende kwalitatieve verbintenis wordt in concreto bepaald door de omstandigheden van het geval en de inhoud van de rechtsverhouding. De hierboven kort weergegeven visie van Eggens behoort tot de stroming in de doctrine die de nadruk legt op de relationele dimensie van goederenrechtelijke verhoudingen.5 Zijn visie had invloed, maar werd niet tot heersende leer.
Eggens’ leerling Pitlo kwam in de vijfde druk van zijn handboek over het zakenrecht met een nieuwe opvatting ten aanzien van de vraag of een erfpachtrecht kon vervallen op grond van ontbinding in de zin van art. 1302 OBW. Deze opvatting leek aan te sluiten bij het betoog van Eggens. Tot en met de vierde druk hield Pitlo vast aan de strikte scheiding tussen goederenrecht en verbintenissenrecht die toepassing van art. 780 OBW als bijzondere regel aan toepassing van art. 1302 OBW als algemene regel in de weg stond. Art. 780 OBW maakte vervallenverklaring van een erfpachtrecht door de rechter mogelijk wegens onder meer wanbetaling van de canon gedurende vijf achtereenvolgende jaren.6 Maar omdat de erfpachtcanon ook als juridische tegenprestatie kon worden gezien en een bijzondere regeling heel goed naast een algemene regel kon staan, hoefde de erfverpachter bij een erfpachter die de canon niet betaalde geen vijf jaar te wachten, maar kon hij ook eerder de rechter om vervallenverklaring door ontbinding verzoeken:
“De regeling van art. 780 sluit niet in, dat de eigenaar niet een actie uit art. 1302 kan instellen op grond van misbruik of wanbeheer, of op grond van wanbetaling. De bijzondere regeling staat naast de algemene.”7
Pitlo kon in 1965 ook niet langer akkoord gaan met het arrest van het Hof Amsterdam van 27 oktober 1938, waarin de erfpachter geen actie uit art. 1302 OBW tegen de erfverpachter werd toegekend omdat hij de beschikking had over de zakelijke acties uit art. 768 OBW.8 Volgens Pitlo konden de erfpachter en de erfverpachter jegens elkaar zowel zakelijke als verbintenisrechtelijke acties instellen, waarbij die laatste waren gebaseerd op hun hoedanigheid van ‘contractant’:
“Naast de actie uit art. 768 heeft de erfpachter tegen de eigenaar de contractsacties. De eigenaar schendt immers niet uitsluitend als willekeurige derde, hij schendt tevens als contractant.”9
Waar eerder toepassing van een verbintenisrechtelijke regeling werd afgewezen omdat de canon geen verbintenisrechtelijke tegenprestatie zou zijn, werd die toepassing nu wel mogelijk gezien. De verbintenisrechtelijke aard van de canon volgde ook uit de kwalificatie als kwalitatieve verbintenis zodat de standpuntwijziging als een correctie moest worden gezien. En indien de erfverpachter verbintenisrechtelijke acties tegen de erfpachter kon instellen, was het omgekeerde ook mogelijk. Of de hoedanigheid van ‘contractant’ betrekking had op de overeenkomst tot vestiging van het erfpachtrecht en of die ook gold voor rechtsopvolgers die bij die overeenkomst niet betrokken waren bleef onvermeld. Er leken bij erfpacht dus twee zijden aan dezelfde medaille in het geding te zijn.10 Een vergelijkbare visie werd gehuldigd door Kortmann die aan eigendom en aan alle rechtsbetrekkingen een absoluut en een relatief aspect onderscheidde.11 Eigendom was niet alleen absoluut, maar ook relationeel bepaald in de zin dat derden zich moesten onthouden van inbreuk op de eigendom van ieder ander en de eigenaar bij de uitoefening van zijn bevoegdheden uit eigendom rekening moest houden met alle anderen. De relatie van de eigenaar tot de zaak was niet te scheiden van de relatie van de eigenaar tot alle andere rechtssubjecten.12 Kortmann noemde dit relationeel bepaalde eigendom en vond dat eigendom als concretisering van een bepaalde relatie sterk leek op een verbintenis.
Op de lijn-Eggens als verwoord in de voordracht over eigendom en verbintenis uit 1960 is ook voortgebouwd door rechtsgeleerde J.M. Smits, met name in zijn onderzoek uit 1996 naar de herkomst van de numerus clausus.13 Smits analyseert hierin de rechtshistorische ontwikkeling van opvattingen over zakelijke rechten onder invloed van met name de Savigniaanse dichotomie, het strikte onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht. Hij acht dat onderscheid achterhaald omdat het geen ruimte biedt aan de vele tussenvormen die in de praktijk zijn ontwikkeld en stelt dat de tijd rijp is voor een nieuwe systematiek waarin het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht wordt vervangen door nieuwe concepten zoals dat van het gesplitst eigendom. Hij sluit hiervoor aan bij de hierboven verwoorde benadering van Eggens.14 Het betoog van Smits is aansprekend door de zoektocht naar de historische wortels van het strikte onderscheid. Dit laat zien dat een indeling van het recht op een bepaald moment zijn functie kan hebben, maar dat daaraan geen onveranderlijke dogmatische conclusies verbonden moeten worden. Alle indelingen van het recht zijn ondergeschikt aan de maatschappelijke ontwikkelingen en dienen daaraan te worden aangepast.15