Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.2
11.3.2 Het aansluiten bij de jaarrekeningrechtelijke consolidatiecriteria
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368822:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2 lid 2 van de Overnamerichtlijn verwijst naar art. 87 van Richtlijn 2001/34. Art. 32 lid 5 van de Transparantierichtlijn (Richtlijn 2004/109, gewijzigd door Richtlijn 2013/50/EU) laat dit artikel echter vervallen. Daarvoor in de plaats komt, hoewel dit nergens met zoveel woorden staat, art. 2 lid 1 sub f Transparantierichtlijn. Beide bepalingen zijn overigens niet identiek. Zo kende art. 87 Richtlijn 2001/34 nog niet de thans in sub iv opgenomen categorie (feitelijk uitoefenen van een overheersende invloed of zeggenschap, of de macht daartoe; zie nader § 11.3.3.3).
Zie over het onderscheid Beckman 2006, p. 372-377.
Vgl. Rb. Amsterdam 22 mei 2006, JOR 2006/178 m.nt. Van der Zanden (Ahold), zie haar overwegingen ten aanzien van het sub 3, eerste deel ten laste gelegde. Volgens annotator Van der Zanden volgde de rechtbank hier de benaderingswijze van de OK inzake de jaarrekeningprocedure, zie nr. 7.
Zie over dit punt Compendium voor de Jaarrekening, § 3.2.3 sub 1d, waar wordt opgemerkt dat het inzicht-vereiste tot het misverstand aanleiding geeft dat eerder van de wettelijke voorschriften kan worden afgeweken.
In deze paragraaf zal worden stilgestaan bij de ratio en de betekenis van het aansluiten bij de jaarrekeningrechtelijke consolidatiecriteria.
I. Europese achtergrond
Het acting in concert-vermoeden in concernverhoudingen uit de Overnamerichtlijn verwijst naar de Europese jaarrekeningrechtelijke consolidatiecriteria. In art. 2 lid 2 Overnamerichtlijn worden “personen over wie een andere persoon de zeggenschap heeft in de zin van artikel 87 van Richtlijn 2001/34/EG [nu: art. 2 lid 1 sub f Transparantierichtlijn, JHLB1 ] beschouwd als met die andere persoon en met elkaar inonderling overleg handelende personen”. Art. 2 lid 1 sub f bevat een definitie van het begrip gecontroleerde onderneming, waarvan de verschillende elementen afkomstig zijn uit het Europese jaarrekeningenrecht2 :
“f) […] elke onderneming:
waarin een natuurlijke persoon of juridische entiteit de meerderheid van de stemrechten bezit; of
waarvan een natuurlijke persoon of juridische entiteit het recht heeft de meerderheid van de leden van het leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan te benoemen of te ontslaan en tevens aandeelhouder of lid van de betrokken onderneming is; of
waarvan een natuurlijke persoon of juridische entiteit aandeelhouder is en, op grond van een overeenkomst met andere aandeelhouders van de onderneming, alleen de meerderheid beheerst van de stemrechten van de aandeelhouders van de onderneming; of
waarover een natuurlijke persoon of juridische entiteit feitelijk een overheersende invloed of zeggenschap uitoefent, of de macht daartoe heeft;”
II. Consolidatieplicht vs consolidatiekring
De consolidatiecriteria van art. 2:24a-2:24d BW spelen een rol bij zowel de vraag of er geconsolideerd moet worden (consolidatieplicht) als bij de vraag wie in de consolidatie betrokken moet worden (consolidatiekring).3 Dat deze criteria in beide kaders een verschillende rol spelen en verschillend uitgelegd worden, is niet van belang in het kader van de uitleg van die criteria in het kader van het vermoeden van onderling overleg. Maar, zoals nog zal blijken in het onderstaande, maakt dit de uitleg van die criteria in acting in concert-verband er niet gemakkelijker op.
III. Het inzicht-vereiste
Het jaarrekeningrechtelijke “inzicht-vereiste” kleurt de consolidatiecriteria in, maar dat speelt geen rol in het kader van de biedplicht. Volgens art. 2:362 lid 1 BW dient de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht te geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voorzover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon. In art. 2:405 lid 2 BW wordt dit van overeenkomstige toepassing verklaard voor de geconsolideerde jaarrekening. In de rechtspraak wordt aangenomen dat uit het “inzicht-vereiste” een beoordelingsmarge van (het bestuur van) de rechtspersoon voortvloeit en dat deze tevens geldt bij de uitleg van de consolidatiecriteria.4 Er moet geconsolideerd worden als daartoe naar de objectief gerechtvaardigde overtuiging van het bestuur aanleiding is. Daartoe lijkt redengevend te zijn geweest dat onder deskundigen geen overeenstemming bestaat over de uitleg van de consolidatiecriteria.
Het inzicht-vereiste speelt evenwel geen rol bij de toepassing van de consolidatiecriteria in het kader van het vermoeden van onderling overleg. Bedacht moet worden dat genoemde beoordelingsmarge enkel bestaat in het kader van de toepassing van de consolidatiecriteria in het kader van titel 9 van boek 2 BW. Daarbuiten is zij niet aan de orde. Daarbij komt dat de beoordelingsmarge niets verandert aan die consolidatiecriteria zelf.5 Wel is het zo dat de toepassing van de consolidatiecriteria buiten titel 9 van boek 2 BW evengoed wordt gehinderd door het hiervoor genoemde feit dat deskundigen het niet eens zijn over de interpretatie van die criteria (dit komt hierna aan de orde, zie § 11.3.3-11.3.5).