NJB 2021/114
Openbaarheid van de zitting tijdens de epidemie van COVID-19: moet de omstandigheid dat ten tijde van de behandeling van de zaak de toegankelijkheid van het gerechtsgebouw was beperkt als gevolg van de uitbraak van COVID-19, leiden tot het oordeel dat – niettegenstaande de andersluidende vermelding in het proces-verbaal van de zitting – de zaak niet in het openbaar is behandeld? De tijdelijke beperkingen in de toegankelijkheid van gerechtsgebouwen hebben gevolgen voor de mogelijkheid van het publiek om in de ruimte aanwezig te zijn waar de rechter een zaak behandelt. Niet iedere beperking in de toegankelijkheid van die ruimte ontneemt echter aan die behandeling het openbare karakter. Het komt erop aan of, gegeven de noodzaak van dergelijke beperkingen in verband met de bescherming van de (volks)gezondheid en de noodzaak van het waarborgen van een behoorlijke rechtspleging door de behandeling van met name (zeer) urgente zaken op een fysieke zitting zoveel mogelijk doorgang te laten vinden, op andere wijze recht kan worden gedaan aan de belangen die worden gediend met een openbare behandeling van de zaak, in het bijzonder het waarborgen van de publieke verantwoording van de rechtspleging en van het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak. Daarbij komt in het bijzonder gewicht toe aan de toegankelijkheid voor de pers van de ruimte waar de zaak wordt behandeld. Onder omstandigheden kan ook anderszins worden voorzien in de mogelijkheid voor het publiek om het verloop van de behandeling van de zaak te volgen, bijvoorbeeld via een livestream beeld- en geluidverbinding. De omstandigheid dat als gevolg van maatregelen vanwege de pandemie van COVID-19 het publiek niet of slechts in beperkte mate aanwezig kan zijn bij de behandeling van een zaak, vormt op zichzelf geen goede reden om de zaak achter gesloten deuren te behandelen. In casu blijkt uit het proces-verbaal van de zitting en de beslissing van de rechtbank – het betreft een uitleveringszaak, maar het door de Hoge Raad overwogene is ook relevant voor zittingen in strafzaken die op grond van de wet in het openbaar plaatsvinden – dat de beslissing in het openbaar is uitgesproken. De rechtbank kon oordelen dat hoewel het gerechtsgebouw tijdelijk niet toegankelijk was voor het publiek als gevolg van de uitbraak van de epidemie van COVID-19, het onderzoek ter zitting ook feitelijk in het openbaar heeft plaatsgevonden, mede in aanmerking genomen dat het de pers was toegestaan om zittingen bij te wonen en dat daarmee op dat moment de controleerbaarheid voldoende was gewaarborgd
HR 15-12-2020, ECLI:NL:HR:2020:2008
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15 december 2020
- Magistraten
Mrs. J. de Hullu, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
20/01476 U
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Corona (V)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Staatsrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:2008, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑12‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑11‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:837, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑10‑2020
- Wetingang
Essentie
Openbaarheid van de zitting tijdens de epidemie van COVID-19: moet de omstandigheid dat ten tijde van de behandeling van de zaak de toegankelijkheid van het gerechtsgebouw was beperkt als gevolg van de uitbraak van COVID-19, leiden tot het oordeel dat – niettegenstaande de andersluidende vermelding in het proces-verbaal van de zitting – de zaak niet in het openbaar is behandeld? De tijdelijke beperkingen in de toegankelijkheid van gerechtsgebouwen hebben gevolgen voor de mogelijkheid van het publiek om in de ruimte aanwezig te zijn waar de rechter een zaak behandelt. Niet iedere beperking in de toegankelijkheid van die ruimte ontneemt echter aan ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.