RCR 2026/19
Exoneratie. Onder welke omstandigheden is het wettelijk vermoeden van art. 6:237 sub f BW dat een bepaalde aansprakelijkheidsbeperking in (een beding in) algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is, weerlegd?
HR 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:97
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 januari 2026
- Magistraten
Mrs. G. de Groot, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink, K. Teuben
- Zaaknummer
24/04476
- Conclusie
A-G mr. T. Hartlief
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD52991:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Vermogensrecht / Europees vermogensrecht
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:97, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1204, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑11‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑12‑2024
- Wetingang
Art. 6:233 sub a, 6:237 sub f BW; Richtlijn 93/13/EEG
Essentie
Exoneratie. Bewijsvermoeden. Weerlegging.
Onder welke omstandigheden is het wettelijk vermoeden van art. 6:237 sub f BW dat een bepaalde aansprakelijkheidsbeperking in (een beding in) algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is, weerlegd?
Samenvatting
In november 2018 woedt een brand in een woning. De brand is ontstaan in een door Stedin beheerde hoofdaansluitkast in de meterkast van de woning. Achmea keert als (brandschade)verzekeraar de bewoner van de woning een bedrag van € 158.188,98 uit en probeert dit bedrag vervolgens te verhalen op Stedin. Achmea stelt dat Stedin als netbeheerder aansprakelijk is voor de door haar aan de bewoner ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.