Vgl. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, rov. 3.5 en HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1459, rov. 3.7.
HR, 20-06-2025, nr. 24/03972
ECLI:NL:HR:2025:976
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-06-2025
- Zaaknummer
24/03972
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:976, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑06‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:276
ECLI:NL:PHR:2025:276, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:976
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑10‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/368
PFR-Updates.nl 2025-0154
NJ 2025/219 met annotatie van S.F.M. Wortmann
JIN 2025/97 met annotatie van mr. J.H. Evekink, mr. M.E.R. van Herpen
JPF 2025/105
JPF 2025/105
Uitspraak 20‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Wijziging omgangsregeling (art. 1:377e BW). Kan de rechter in dat kader bepalen wie de reiskosten moet dragen? Gelijke verdeling van de kosten als uitgangspunt?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03972
Datum 20 juni 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaten: W.A. Jacobs en J.C. Zevenberg,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de vader,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/08/295146 / FA RK 23-992 van de rechtbank Overijssel van 25 juli 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.334.000/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juli 2024.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van de moeder hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige], geboren in 2013 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige). De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder heeft het gezag over de minderjarige. De minderjarige woont bij de moeder in Nederland. De vader woont in Californië, Verenigde Staten.
(ii) In 2019 heeft de rechtbank Overijssel een omgangsregeling tussen de minderjarige en de vader vastgesteld, waarbij de omgang zal plaatsvinden eerst in Nederland, vervolgens in Europa en vanaf de zomer van 2022 in de Verenigde Staten.
2.2
In deze procedure verzoekt de vader, voor zover in cassatie van belang, een ruimere omgangsregeling vast te stellen. De moeder heeft zelfstandige verzoeken gedaan met betrekking tot de omgangsregeling.
2.3
De rechtbank heeft een omgangsregeling vastgesteld waarbij de omgang op de in de beschikking vermelde wijze zal plaatsvinden, eerst in Nederland en vervolgens in de Verenigde Staten.
2.4
De vader heeft in hoger beroep ook verzocht om te bepalen dat de moeder de helft van de reiskosten van de minderjarige van en naar de woonplaats van de vader in de Verenigde Staten voor haar rekening neemt.
2.5
In hoger beroep heeft het hof als omgangsregeling vastgesteld, samengevat:
(i) de minderjarige verblijft in de zomervakantie (voor het eerst in 2025) drie weken bij de vader in de Verenigde Staten;
(ii) de minderjarige verblijft in de kerstvakantie (voor het eerst in 2024) in de even jaren bij de vader in de Verenigde Staten;
(iii) de vader heeft het recht om de minderjarige te komen bezoeken en tijd met haar door te brengen in Nederland of een ander Schengenland, in de even jaren gedurende de meivakantie en in de oneven jaren gedurende de voorjaarsvakantie en herfstvakantie. Voorts heeft het hof bepaald dat de minderjarige bij de eerste twee reizen naar de Verenigde Staten dient te worden begeleid door de moeder of een andere vertrouwenspersoon (anders dan een medewerker van de vliegtuigmaatschappij) en dat de kosten van de tickets en de begeleiding van de minderjarige bij helfte door partijen moeten worden gedeeld.
3. Beoordeling van het middel
3.1.1 Onderdeel I van het middel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geoordeeld dat het op de voet van art. 1:377e BW een regeling kon treffen over de kosten van de omgang. Onderdeel II houdt in dat het hof, door ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, het verzoek van de man met betrekking tot de reiskosten had moeten opvatten als een verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging van de minderjarige of een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vader zelf.
3.1.2 De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind (art. 1:377a lid 1 BW). De rechter kan een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen (art. 1:377a lid 2 BW) en kan een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:377e lid 1 BW).
3.1.3 De onderdelen I en II stellen de vraag aan de orde of de rechter die op de voet van art. 1:377a lid 2 BW of art. 1:377e lid 1 BW een omgangsregeling vaststelt, bevoegd is om daarbij een beslissing te nemen over de verdeling van de reiskosten die met de uitvoering van die omgangsregeling gepaard gaan.
Het is in het belang van het kind dat de rechter die een omgangsregeling vaststelt, een regeling kan treffen over geschilpunten met betrekking tot de uitvoering van de omgangsregeling, zoals in dit geval de reiskosten. Dit bevordert dat de vastgestelde omgangsregeling daadwerkelijk wordt nagekomen. Het strookt daarom met de uit art. 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting van de rechter om te bevorderen dat een kind contact heeft met zijn ouders1., dat de rechter deze bevoegdheid toekomt. De tekst van de wet en de parlementaire geschiedenis bieden geen aanknopingspunt voor een andersluidende opvatting.
De rechter die een omgangsregeling vaststelt, is daarom bevoegd om een regeling te treffen over geschilpunten met betrekking tot de uitvoering van de omgangsregeling, zoals geschilpunten over de daaraan verbonden reiskosten.
Evenzo is de rechter die een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststelt als bedoeld in art. 1:253a lid 2, onder a, BW, bevoegd om daarbij een regeling te treffen over geschilpunten met betrekking tot de uitvoering van die verdeling, waaronder geschilpunten over de daaraan verbonden reiskosten.
3.1.4 De onderdelen I en II berusten op de rechtsopvatting dat de rechter de hiervoor in 3.1.3 genoemde bevoegdheid niet heeft en dat het hof slechts over de reiskosten had kunnen beslissen in het kader van de vaststelling van kinder- of partneralimentatie. Die rechtsopvatting is onjuist. De onderdelen falen daarom.
3.2.1 Onderdeel III klaagt dat het hof bij zijn beslissing over de reiskosten ten onrechte voorbij is gegaan aan het betoog van de moeder over haar draagkracht en de draagkracht van de vader.
3.2.2 De rechter kan bij het treffen van een regeling over de verdeling van de reiskosten in het kader van een omgangsregeling acht slaan op alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat het mogelijk maken van omgang tussen een kind en zijn ouders een gedeelde ouderlijke verantwoordelijkheid is, brengt niet mee dat in de regel of als uitgangspunt de reiskosten bij helfte tussen de ouders verdeeld dienen te worden. Indien de reiskosten, zoals in het onderhavige geval, substantieel zijn, ligt het voor de hand dat de rechter een verschil in draagkracht tussen de ouders in aanmerking neemt bij het vaststellen van een regeling over de verdeling daarvan.
3.2.3 De moeder heeft in reactie op het verzoek van de vader om te bepalen dat de moeder de helft van de reiskosten van de minderjarige van en naar de Verenigde Staten voor haar rekening neemt, gemotiveerd uiteengezet dat haar inkomen daarvoor onvoldoende is en dat de vader wel over voldoende inkomen en vermogen beschikt.
Omdat het hof geen kenbare aandacht aan dit betoog heeft besteed, is zijn oordeel over de verdeling van de reiskosten niet toereikend gemotiveerd. Het onderdeel slaagt daarom.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juli 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 20 juni 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑06‑2025
Conclusie 07‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Familierecht. Omgangsregeling minderjarige. Beslissing over reiskosten voor effectuering omgang.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03972
Zitting 7 maart 2025
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de moeder] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: de moeder
tegen
[de vader] ,
verweerder in cassatie,
hierna: de vader
1. Inleiding
1.1
1.2
Op verzoek van de vader heeft het hof, in navolging van de rechtbank, een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de minderjarige die moet worden uitgevoerd in de Verenigde Staten. Verder heeft het hof geoordeeld dat de kosten van de vliegtickets en de begeleiding van de minderjarige bij helfte door de ouders moeten worden gedeeld.
1.3
In cassatie betoogt de moeder dat het hof ten onrechte op grond van art. 1:377e lid 1 BW een beslissing heeft genomen over de reiskosten. Naar het middel betoogt had het hof het verzoek met betrekking tot de reiskosten als een alimentatiekwestie moeten kwalificeren. Verder betoogt het middel dat de beslissing van het hof over de reiskosten onvoldoende is gemotiveerd.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.
2.2
Partijen hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [plaats 1] (hierna: de minderjarige). De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder heeft het gezag over de minderjarige. De minderjarige woont bij de moeder in Nederland. De vader woont in [plaats 2] , de Verenigde Staten (hierna: VS).
2.3
Bij beschikking van 6 september 2019 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, een omgangsregeling tussen de minderjarige en de vader vastgesteld, waarbij de omgang op de in de beschikking vermelde wijze zal plaatsvinden eerst in Nederland, vervolgens in Europa en vanaf de zomer van 2022 in de VS.
2.4
Bij verzoekschrift van 12 april 2023 heeft de vader de rechtbank verzocht, voor zover van belang, om de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over de minderjarige en, met wijziging van de beschikking van 6 september 2019, een ruimere omgangsregeling vast te stellen.
2.5
De moeder heeft verweer gevoerd en op haar beurt zelfstandige verzoeken gedaan met betrekking tot de omgangsregeling en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.
2.6
Bij beschikking van 25 juli 2023 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, het verzoek om gezamenlijk gezag afgewezen en een omgangsregeling vastgesteld waarbij de omgang op de in de beschikking vermelde wijze zal plaatsvinden eerst in Nederland en vervolgens in de VS, onder de voorwaarde dat de beschikkingen van 6 september 2019 en 25 juli 2023 zijn ingeschreven bij de rechtbank in Californië.
2.7
De vader heeft in hoger beroep verzocht, voor zover van belang, om de beschikking van 25 juli 2023 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige worden belast en, met wijziging van de beschikking van 6 september 2019, een omgangsregeling vast te stellen waarbij de omgang op de in het appelschrift vermelde wijze zal plaatsvinden in de VS. Voorts heeft de vader verzocht om te bepalen dat de moeder de helft van de reiskosten van de minderjarige van en naar de woonplaats van de vader in de VS voor haar rekening neemt, zijnde de helft van de kosten van de vliegtickets.
2.8
De moeder heeft verweer gevoerd en op haar beurt zelfstandige verzoeken gedaan met betrekking tot de omgangsregeling.
2.9
Bij beschikking van 30 juli 2024 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 6 september 2019, als omgangsregeling vastgesteld: (i) de minderjarige verblijft in de zomervakantie (voor het eerst in 2025) drie weken, te weten week twee tot en met vier van de vakantie, bij de vader in de VS; (ii) de minderjarige verblijft in de kerstvakantie (voor het eerst in 2024) in de even jaren bij de vader in de VS; (iii) de vader heeft het recht om de minderjarige te komen bezoeken en tijd met haar door te brengen in Nederland of een ander Schengenland, in de even jaren gedurende de meivakantie en in de oneven jaren gedurende de voorjaarsvakantie en herfstvakantie. Voorts heeft het hof beslist dat de minderjarige bij de eerste twee reizen naar de VS dient te worden begeleid door de moeder of een andere vertrouwenspersoon (anders dan een medewerker van de vliegtuigmaatschappij) en dat de kosten van de tickets en de begeleiding van de minderjarige bij helfte door partijen moeten worden gedeeld. Het verzoek om gezamenlijk gezag is afgewezen.
2.10
De moeder is tijdig in cassatie gekomen van de beschikking van 30 juli 2024 (hierna: de bestreden beschikking). De vader heeft in cassatie geen verweer gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.10 van de bestreden beschikking dat de kosten van de tickets en de begeleiding van de minderjarige voor de omgang in de VS bij helfte door partijen moeten worden gedeeld. De klachten komen op het volgende neer.
3.1.1
Het hof miskent dat het verzoek van de vader met betrekking tot de kosten van de vliegtickets en de begeleiding tijdens de vlucht van de minderjarige (hierna ook: de reiskosten) niet wordt bestreken door art. 1:377e lid 1 BW. Dit artikel ziet op de frequentie en de vorm van de omgang, maar niet op de reiskosten van de omgang. (onderdeel I)
3.1.2
Onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden had het hof het verzoek van de vader met betrekking tot de reiskosten moeten kwalificeren als een verzoek om vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige of in de kosten van levensonderhoud van de vader. (onderdeel II)
3.1.3
Voor zover het hof mocht oordelen over het verzoek van de vader met betrekking tot de reiskosten, miskent het hof de relevantie van de stellingen van de moeder over de draagkracht van partijen, althans motiveert het hof zijn oordeel onvoldoende in het licht van het betoog van de moeder dat zij niet over voldoende financiële middelen beschikt om een bijdrage te leveren aan de reiskosten. (onderdeel III)
3.2
Bij de behandeling van de klachten stel ik het volgende voorop.
3.2.1
Een kind heeft het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind (art. 1:377a lid 1 BW).2.De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang (art. 1:377a lid 2 BW). De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:377e lid 1 BW).
3.2.2
De wet bevat geen standaardnorm voor een omgangsregeling tussen het kind en de omgangsgerechtigde.3.Bij het vaststellen van een omgangsregeling zal de rechter rekening houden met de omstandigheden van het geval, waarbij het belang van het kind zwaar weegt zo niet doorslaggevend is.4.Afhankelijk van wat is verzocht en de omstandigheden van het geval, kan de rechter volstaan met een omgangsregeling op hoofdlijnen waarbij de frequentie en duur van de omgang wordt vastgesteld en uitvoeringskwesties zoals het halen/brengen, het tijdstip van aanvang/einde en de volgorde van omgangsweken in een vakantieperiode aan partijen zelf wordt overgelaten. Indien de verwachting is dat partijen hierover onderling geen afspraken kunnen maken, kan de rechter de modaliteiten van de omgang in de beschikking zoveel mogelijk uitschrijven.5.
3.2.3
Het omgangsrecht heeft een fundamenteel karakter; het raakt in de kern het recht op family life van de betrokkenen.6.Op grond van art. 8 EVRM heeft de rechter een positieve verplichting om te bevorderen dat een kind contact heeft met zijn ouders. De rechter zal zich dan ook zoveel mogelijk moeten inspannen om het recht op family life tussen ouders en kinderen mogelijk te maken.7.
3.3
3.4
De tekst van de artikelen 1:377a en 1:377e BW geeft hierover geen duidelijkheid. In de parlementaire geschiedenis heb ik evenmin aanknopingspunten kunnen vinden voor het antwoord op deze vraag. Uit de feitenrechtspraak maak ik op dat de rechter bij het vaststellen van een omgangsregeling op grond van art. 1:377a lid 2 of art. 1:377e lid 1 BW (dan wel bij het vaststellen van een zorgregeling in geval van gezamenlijk gezag op grond van art. 1:253a lid 2, onder a BW) zich bevoegd acht om een beslissing te nemen over de reiskosten voor de effectuering van de omgangsregeling.8.Het komt mij voor dat geen rechtsregel zich verzet tegen deze bestaande praktijk. Sterker nog, het belang van het kind verlangt juist dat de rechter die een omgangsregeling (of zorgregeling) vaststelt tevens de bevoegdheid heeft om in zijn beslissing alle aspecten te adresseren die nodig zijn om omgang tussen het kind en de omgangsgerechtigde mogelijk te maken, waaronder de reiskosten. Die bevoegdheid vloeit voort, zo dunkt mij, uit de in art. 1:377a lid 2 en art. 1:377e lid 1 BW (dan wel art. 1:253a lid 2, onder a BW) aan de rechter opgedragen taak om, mede gelet op de uit art. 8 EVRM voortvloeiende inspanningsverplichting (zie 3.2.3), in het belang van de minderjarige een omgangsregeling vast te stellen.
3.5
Anders dan het middel betoogt ligt een alimentatierechtelijke kwalificatie van de reiskosten niet voor de hand. Het gaat immers niet om een op basis van de behoefte van het kind vast te stellen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. De reiskosten zijn gebaseerd op de reisafstand en de kosten van vervoer, ongeacht de alimentatierechtelijke behoefte van het kind. Het gaat evenmin om een op basis van de huwelijksgerelateerde behoefte van een echtgenoot vast te stellen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van deze echtgenoot, nog daargelaten dat partijen in de onderhavige zaak niet met elkaar gehuwd zijn geweest.9.
3.6
Wanneer de rechter op grond van art. 1:377a lid 2 of art. 1:377e lid 1 BW een omgangsregeling (of op grond van art. 1:253a lid 2, onder a BW een zorgregeling) vaststelt en hierbij, op verzoek van een partij, een beslissing dient te nemen over de reiskosten voor de effectuering van de omgangsregeling, rijst de vraag volgens welke maatstaf het verzoek met betrekking tot de reiskosten moet worden beoordeeld. Hierbij kan als uitgangspunt gelden dat het mogelijk maken van omgang tussen een kind en zijn ouders een gedeelde ouderlijke verantwoordelijkheid is,10.zodat de reiskosten gelijk tussen de ouders verdeeld kunnen worden. Bijzondere omstandigheden, zoals de draagkracht van de ouders of de keuze van een ouder om op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, kunnen aanleiding zijn om hiervan af te wijken.
3.7
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de beslissing van het hof in rov. 5.10 van de bestreden beschikking met betrekking tot de bijdrage van de ouders in de kosten van de vliegtickets en de begeleiding van de minderjarige voor de omgang in de VS geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen I en II van het middel falen mitsdien.
3.8
Onderdeel III van het cassatiemiddel vraagt om een overzicht van het partijdebat met betrekking tot de reiskosten voor de omgang in de VS.
3.8.1
De reiskosten zijn niet aan bod gekomen in eerste aanleg.
3.8.2
In zijn appelschrift heeft de vader het hof verzocht om te bepalen dat de moeder de helft van de reiskosten van de minderjarige van en naar de woonplaats van de vader in de VS voor haar rekening neemt, bestaande uit de helft van de kosten van de vliegtickets.11.De vader heeft dit in zijn beroepschrift als volgt toegelicht (p. 13):
‘Door de rechtbank is niet meegewogen dat het uiteraard ook de verantwoordelijkheid is van de vrouw om de band tussen [de minderjarige] en de man te bevorderen. Het is dan ook tevens de verantwoordelijkheid van de vrouw om zaken als reizen naar Amerika en ook het betalen van de kosten van het vervoer naar Amerika op zich te nemen.
Tot op heden zijn deze reiskosten altijd door de man gedragen. Dit terwijl op basis van vaste jurisprudentie het vervoer van kinderen van en naar de andere ouder alsmede de kosten van dit vervoer wordt gezien als een gedeelde ouderlijke gezamenlijke verantwoordelijkheid. Van de vrouw kan en mag worden gevergd dat zij de helft van deze vervoerskosten op zich neemt.
De man zal dan ook zijn inleidende verzoek vermeerderen in die zin dat uw Gerechtshof wordt verzocht om te bepalen dat de vrouw de helft van de vervoerskosten van [de minderjarige] van en naar Amerika op zich dient te nemen.’
3.8.3
In haar verweerschrift heeft de moeder hierop als volgt gereageerd:
‘46. De man vermeerdert zijn eis en verzoekt uw Hof te bepalen dat de vrouw de helft van de vervoerskosten van en naar de woonplaats van de man in de Verenigde Staten, voor haar rekening neemt bestaande uit de helft van de kosten van de vliegtickets. (…)
47. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat nu dit aanvullend verzoek geen onderdeel van het partijdebat was in eerste aanleg, deze eis vermeerdering niet toelaatbaar is in Hoger Beroep. Het wel of niet verdelen van de reiskosten zou onderdeel zijn van de bijdrage in de kosten voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Deze bijdrage is geen onderdeel geweest van het partijdebat en dient daarom te worden afgewezen. Subsidiair, stelt de moeder zich op het standpunt dat haar huidige inkomen het niet toelaat om bij te dragen (productie 5).’12.
3.8.4
Productie 5 betreft een fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2022 van de moeder, waaruit blijkt dat zij in 2022 een netto-omzet van € 23.558,- had en een saldo fiscale winstberekening van € 16.765,-.
3.8.5
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof blijkt dat de reiskosten ter zitting zijn besproken.
De vader heeft verklaard (p. 2):
‘Voor de vliegreis naar de VS geldt dat er een dienst bestaat die minderjarigen begeleidt bij
een vliegreis. Als ik haar zou moeten ophalen uit Nederland, kost dat veel extra geld.’
De moeder heeft verklaard (p. 3):
‘Als [de minderjarige] de eerste keer naar de VS vliegt, zal ze door een van haar ouders begeleid moeten worden. De vliegreis vindt ze spannend. Ik durf zelf niet te vliegen. Ik heb een laag inkomen en het lukt mij niet om een extra vliegticket te betalen. Ik kan wel meebetalen.’
De advocaat van de moeder heeft verklaard (p. 4):
‘Als de afspraak is dat de moeder meegaat naar de VS, dan zal ze dat doen. De kosten van de reis kan zij alleen niet opbrengen.’
3.8.6
De pleitnota van de advocaat van de vader in hoger beroep vermeldt over de reiskosten (p. 2):
‘Reiskosten. Vaste jurisprudentie: het vervoeren van kinderen en de kosten worden gezien als een gedeelde verantwoordelijkheid van ouders. Het is dan ook volstrekt redelijk om de vrouw tevens de helft van de reiskosten naar Amerika te laten voldoen. (…) Bewijsstukken van inkomen is onvolledig: slechts 2 pagina’s van een aangifte verder niets. Kan niets uit worden afgeleid, niet aannemelijk dat [de moeder] geen bijdrage kan leveren.’
3.9
Anders dan het middel betoogt heeft het hof wel oog gehad voor het standpunt van de moeder over haar draagkracht. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof, indachtig de gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid voor het mogelijk maken van de omgang, van oordeel dat de kosten van de vliegtickets en de begeleiding van de minderjarige bij helfte door de ouders moeten worden gedragen, omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een andere verdeling van de reiskosten nopen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in productie 5 bij het verweerschrift in appel en het overigens door de moeder aangevoerde13.geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de moeder financieel niet in staat is evenveel als de vader bij te dragen in de reiskosten van de minderjarige. Hierbij is van belang dat de moeder ter zitting heeft verklaard dat zij wel kan meebetalen aan de kosten van de vliegtickets. Onderdeel III faalt dan ook.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑03‑2025
Zie rov. 3.1 e.v. van de in cassatie bestreden beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 30 juli 2024 en rov. 2 van de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 25 juli 2023.
Het recht op omgang is verdragsrechtelijk ingebed in art. 8 EVRM, art. 24 lid 3 Handvest van de Grondrechten van de EU en art. 9 lid 3 IVRK. Zie ook HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.
M.J.C. Koens & I.J. Pieters, T&C BW, art. 1:377a BW, aant. 2b, art. 1:377e BW, aant. 2; A.P. van der Linden, Sdu Commentaar Jeugdrecht, art. 1:377a BW, aant. 2; P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht 2023/11.1.2.
Zie o.a. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5; HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1459, NJ 2023/314, rov. 3.7; voorts Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3, p. 4.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, 5 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5721, rov. 5.2; Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Zwolle, 11 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:250, rov. 5.7-5.8; Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 19 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6693, rov. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 6 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2408, rov. 5.12; Hof Den Haag 16 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3899, rov. 10; Hof ‘s-Gravenhage 16 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8947, rov. 11; Hof Leeuwarden 6 december 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BK8321, rov. 35; Hof ‘s-Gravenhage 19 maart 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9716, rov. 6; Hof ‘s-Gravenhage 14 februari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA0034, rov. 10; Rb. Den Haag 26 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16146, rov. 4.7; Rb. Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, 5 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4888, rov. 3.10. In andere zin Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, 29 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7257, rov. 5.21-5.23.
Bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige voor een bijdrage in het levensonderhoud van de minderjarige kan wel rekening worden gehouden met de reiskosten die de onderhoudsplichtige maakt om de omgangsregeling te verwezenlijken. Zie HR 29 mei 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4201, NJ 1981/397; voorts bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, 5 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7419, rov. 5.6-5.8; Hof ’s-Hertogenbosch 2 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1177, rov. 5.6.1; Rb. Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, 20 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4920, rov. 4.25.
Zie petitum, onder III.
Het middel wijst in dit verband ook nog op productie 2 bij het verweerschrift in appel. Dit betreft een reactie van de moeder zelf op het beroepschrift van de vader, waarin zij met betrekking tot de reiskosten opmerkt, kort gezegd, (i) dat zij als ZZP-er geen stabiel inkomen heeft, op dit moment lage inkomsten heeft en hiervoor verwijst naar een voorlopige aangifte en aangifte IB 2022, en voorts (ii) dat de vader managing director en medeoprichter (en aandeelhouder) is van Enchroma, hij twee inkomens heeft en beschikt over vermogen/trust (p. 29-30). Bij brief van 28 december 2023 heeft de advocaat van de vader bezwaar gemaakt tegen overlegging van productie 2. Uit de bestreden beschikking noch uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof dan wel anderszins is mij gebleken of het hof productie 2 onderdeel heeft laten uitmaken van de gedingstukken of buiten beschouwing heeft gelaten.
Waaronder productie 2 bij het verweerschrift in appel, voor zover deze productie onderdeel heeft uitgemaakt van de gedingstukken (zie noot 12).
Beroepschrift 28‑10‑2024
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[de moeder], (hierna te noemen: de moeder), wonende te [woonplaats], voor deze zaak domicilie kiezende te (2282 AE) te Rijswijk aan de Haagweg 108, ten kantore van Aantjes Zevenberg advocaten van wie mr. W.A. Jacobs en mr. J.C. Zevenberg, beiden advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door haar ten deze tot haar advocaat worden gesteld en als zodanig dit verzoekschrift ondertekenen en indienen;
Dat gerequestreerde te dezen is [de vader], (hierna te noemen: de vader), wonende te [adres], [woonplaats], [postcode] Verenigde Staten van Amerika, voor wie in hoger beroep is opgetreden mr E.M. Thoenes-van der Veen, kantoorhoudende te (postcode 8011 SE) Zwolle, Ter Pelkwijkstraat 11.
Dat dit verzoekschrift strekt tot het instellen van cassatie tegen de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juli 2024, gewezen onder het nummer 200.334.000/01 waarvan een afschrift aan dit verzoekschrift wordt gehecht, tussen de vader als principaal appellant en incidenteel geïntimeerde, en de moeder als principaal geïntimeerde en incidenteel appellante.
Dat de moeder zich met deze uitspraak niet kan verenigen en dat zij daartoe aanvoert het volgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof in de aangevallen beschikking onder het nummer 200.334.000/01 heeft overwogen en beslist zoals hier herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen.
Inleiding
1.
Vader en moeder hebben een relatie gehad waaruit op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] een dochter, [de minderjarige], is geboren. Vader was voor de bevalling de maand september en de hele maand oktober 2013 in Nederland.1. Vader heeft [de minderjarige] erkend. Moeder heeft het gezag over [de minderjarige] en [de minderjarige] woont bij haar. Met kerstmis 2013 eindigde relatie. De vader woont in Californië in de Verenigde Staten (VS).
2.
Op 6 september 2019 stelde de rechtbank een omgangsregeling vast tussen vader en [de minderjarige] met tijdvakken in de vakanties waarin [de minderjarige] vader ziet in Nederland/ Europa en vanaf 2022/2023 ook in de VS. Vader moest op grond van de beschikking binnen zes maanden de beschikking inschrijven bij een Californische rechtbank.
3.
De vader heeft in de onderhavige procedure de rechtbank onder meer verzocht om gezamenlijk gezag en een meer uitgebreide regeling voor verblijf van [de minderjarige] bij hem waarbij hij ervoor zorgdraagt dat [de minderjarige] op reis naar de VS door een vertrouwd persoon wordt bijgestaan. De moeder bestrijdt deze verzoeken en verzoekt op haar beurt onder meer te bepalen dat de vader de beschikking(en) in deze zaak eerst registreert bij de bevoegde Californische rechtbank voordat (hij met) [de minderjarige] naar de VS reist. Ook verzoekt zij te bepalen dat het hoofdverblijf bij de moeder is en een (opbouw van een) omgangsregeling die afwijkt van het voorstel van vader.
4.
Bij beschikking van 25 juli 2023 overweegt de rechtbank (p. 5) dat de beschikking (nog) niet op de juiste wijze door de vader werd ingeschreven in de registers van de Californische rechtbank. [de minderjarige] kan dan ook niet de vakantie bij hem doorbrengen (p. 6) en de omgang moet in Nederland plaatsvinden. Na aantoonbaar gebleken inschrijving kan [de minderjarige] wel naar vader in de VS op vakantie. Het gezag blijft alleen bij de moeder (p. 7).
5.
De vader is in appel gegaan. In grief 3 klaagt de vader dat de omgangsregeling voor hem weinig haalbaar is vanwege zijn gebrek aan vakantiedagen en de kosten ervan. Ook stelt hij dat het in het belang van [de minderjarige] is langer in de VS te blijven dan de rechtbank bepaalde. De vader vermeerdert in deze grief zijn verzoek met het verzoek om te bepalen dat de moeder de helft van de vervoerskosten van [de minderjarige] naar de VS moet betalen.
6.
De moeder heeft met stukken onderbouwd verweer gevoerd tegen de vermeerdering van eis omdat zij de kosten van de vliegtickets niet kan betalen en zij heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld.
7.
Het hof wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af en oordeelt (rovv 5.6–5.7) dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag blijft uitoefenen. Dit vanwege de verstoorde verhouding tussen de ouders en het feit dat de vader in de VS woont waardoor afstand en tijdsverschil extra complicerende factoren zijn.
Klachten
Inleiding
8.
Het hof overweegt in rov 5.10 van de bestreden beschikking dat het in het belang van [de minderjarige] is dat er een omgangsregeling met de vader wordt bepaald. Daarnaast overweegt het hof en dat deze regeling ook in de VS kan plaatsvinden nu de beschikking over het gezag daar is ingeschreven. Het hof stelt een omgangsregeling vast waarbij [de minderjarige] in de zomervakantie drie weken bij de vader in de VS is en in de even jaren in de kerstvakantie eveneens. Daarnaast bepaalt het dat de vader het recht heeft om [de minderjarige] te komen bezoeken in de even jaren in de meivakantie en in de oneven jaren in de voorjaars- en de herfstvakantie. Voorts overweegt het hof over de eisvermeerdering van de vader:
‘Verder bepaalt het hof dat [de minderjarige] bij de eerste twee reizen die zij naar de VS maakt, begeleid dient te worden door de moeder of een andere vertrouwenspersoon (anders dan een medewerker van de vliegmaatschappij). De kosten van de tickets van [de minderjarige] en de begeleiding dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld’
I. Kosten vallen niet onder vaststellen omgangsregeling art. 1:377 e BW
9.
Voor zover het hof in rov 5.10 de beslissing over de kosten van de vader voor de omgang heeft opgevat als onderdeel van de verzochte omgangsregeling in de zin van art. 1:377 e BW, getuigt het oordeel dat deze op die grondslag kunnen worden toegewezen van een onjuiste rechtsopvatting. De regeling in art. 1:377 e BW ziet op het treffen van een regeling waarin frequentie en vorm van de omgang zijn vastgelegd, maar niet op het treffen van een regeling over de kosten daarvan. Het hof had dan ook het verzoek van de vader af moeten wijzen. Door zonder verdere motivering desalniettemin een bijdrage toe te wijzen getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onbegrijpelijk.
II. Rechtsgronden aanvullen
10.
Het hof had, op basis van art. 25 Rv ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, het verzoek van de vader moeten kwalificeren als een verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding als bedoeld in art. 1:404 BW of een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vader zelf. Voor zover het hof de rechtsgronden niet ambtshalve heeft aangevuld getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het wel de rechtsgronden aanvulde is dit niet kenbaar en is het oordeel onvoldoende gemotiveerd. Ter nadere uitwerking dient het volgende (II.1 en II.2).
II.1. Rechtsgrond: verzoek tot kinderalimentatie
11.
Indien de rechtsgrond volgens het hof een bijdrage van de moeder aan de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] betreft, had het hof op de voet van art. 1:404 BW de behoefte van het kind, de draagkracht van de vader en de moeder en het aandeel van beide ouders in het dragen van de kosten in zijn oordeel moeten betrekken. Nu de vader niets omtrent de behoefte van [de minderjarige], zijn eigen draagkracht2. of de draagkracht van de moeder heeft gesteld, had het hof het verzoek moeten afwijzen, althans had het hof nader moeten motiveren waarom het verzoek toch voor toewijzing in aanmerking komt. Door zonder verdere motivering desalniettemin een bijdrage toe te wijzen getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onbegrijpelijk.
II.3. Rechtsgrond: verzoek tot partneralimentatie
12.
Voor zover het verzoek wordt opgevat als een verzoek om partneralimentatie had het hof dit moeten afwijzen nu partijen niet gehuwd zijn geweest en ook geen samenlevingscontract hebben gehad waaruit het recht op partneralimentatie zou voortvloeien (rov 3.1 hof). Door desalniettemin een bijdrage toe te wijzen getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onbegrijpelijk.
III. Relevante stellingen over feiten en omstandigheden
13.
Voor zover het hof, in het kader van art. 1:377 e BW of anderszins kon oordelen over de door de vader gevraagde bijdrage in de kosten van zijn omgang met [de minderjarige], heeft het hof miskend dat daarbij de stellingen van de moeder over haar draagkracht (en die van de vader) van belang zijn en getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof dit belang wel heeft onderkend, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft niet (kenbaar) meegewogen:
- —
de stelling van de moeder dat zij niet over de financiële middelen beschikt om aan de kosten bij te kunnen dragen,
- —
de onderbouwing hiervan met productie 5, een deel van haar belastingaangifte, waaruit blijkt dat haar saldo fiscale winstberekening in 2022 EUR 16.765,- bedraagt,
- —
productie 2 van de moeder in hoger beroep, waarnaar is verwezen in nr 5 van het verweerschrift in hoger beroep, waarin zij, onder ‘Reiskosten’ benoemt: haar situatie als alleenstaande ouder en kostwinner, dat zij ZZP'er is, geen stabiel inkomen heeft en op dit moment lage inkomsten heeft (met verwijzing naar de belastingaangifte) en een carrière switch maakte vanwege Corona. Over de situatie van de vader schrijft zij dat hij managing director en medeoprichter (aandeelhouder) van Enchroma is en over twee inkomens kan beschikken,
- —
de blote stelling van de vader in de pleitnotities (gehecht aan het proces-verbaal van de zitting in appel op 19 juni 2024) waarin hij zonder verdere motivering het lage inkomen van de moeder betwist,
- —
de stelling van de moeder ter zitting in appel (p. 3 van het proces-verbaal van de zitting in appel op 19 juni 2024) dat [de minderjarige] door een van de ouders begeleid moet vliegen, dat zij een te laag inkomen heeft en dat het niet lukt om een extra vliegticket te betalen, maar dat zij wel kan meebetalen,
- —
de opmerking van Mr Asscher, advocaat van de moeder (p. 4 proces-verbaal van de zitting op in appel op 19 juni 2024) dat als de afspraak is dat de moeder meegaat naar de VS, zij dat zal doen. De kosten van de reis kan zij alleen niet opbrengen.
De gegrondbevinding van één of meer van de voorgaande klachten raakt rov 5.10 en het dictum zodat de beschikking niet in stand kan blijven.
Redenen waarom:
Verzoekster tot cassatie zich wendt tot Uw Raad met het eerbiedig verzoek de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juli 2024, gewezen onder het nummer 200.334.000/01, waartegen opgemeld middel is gericht, te vernietigen met zodanige verdere uitspraak als naar het oordeel van Uw Raad behoort te worden gegeven; kosten rechtens!
Rijswijk, 28 oktober 2024
Advocaat (A29650)
Bijlagen:
- —
de beschikking van het hof waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
- —
de beschikking in eerste aanleg;
- —
de aanbiedingsbrief.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑10‑2024
Verzoekschrift van de vader tot gezamenlijk gezag in 2019 overgelegd als prod. 10 bij het verweerschrift van de moeder in eerste aanleg, nr 6.
Daarbij is mede van belang HR 29 mei 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AG4201, NJ 1981, 397 waarin is overwogen dat de vraag of de hoge kosten van omgang als gevolg van een woonplaats in het buitenland wat betreft de draagkracht mogen meewegen, afhangt van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan volgens Uw Raad onder meer een rol spelen het antwoord op de vraag of de hoogte van die reiskosten is veroorzaakt door de keuze van de verblijfplaats van de ouder die de reiskosten moet maken.