Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.1.3
IV.1.3 Afbakening
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460194:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, aant. VIII.6.4.1.1.
Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, aant. VIII.6.4.1.2.
‘Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade’ (2004/35/EG, PbEG L 143/56), waarover Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, aant. VIII.6.4.3. De milieuverplichtingen uit deze richtlijn zijn zelfs expliciet geadresseerd aan natuurlijke personen (art. 18 lid 1), waardoor risicoaansprakelijkheid van bestuurders op grond van deze richtlijn niet uitgesloten is: Mellenbergh 2009, p. 412. De richtlijn wordt echter zelden tot nooit toegepast in Nederland, waarover The Netherlands: Report under article 18(1) of Directive 2004/35/EC (environmental liability), te raadplegen op: https://ec.europa.eu/environment/legal/liability/index.htm. Bovendien heeft deze kwalitatieve aansprakelijkheidsgrond een publiekrechtelijk karakter; alleen via het bevoegde bestuursorgaan kan een beroep worden gedaan op deze kwalitatieve aansprakelijkheidsvorm.
In paragraaf IV.2.2 licht ik toe waarom deze aansprakelijkheidsregelingen geen voor de hand liggende grondslag vormen voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders.
Zie hieromtrent par. IV.4.4 over het maatwerk dat de onrechtmatige daad kan leveren in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid. Zie voor de vereisten van art. 6:162 BW hierna in par. IV.2.2.3 en toegepast in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden par. IV.5.
In dit hoofdstuk over de civiele milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden richt ik me met name op de onrechtmatige daad. Er zijn nog andere grondslagen op basis waarvan een leidinggevende aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die het gevolg is van een milieuovertreding. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan contractuele aansprakelijkheid van een leidinggevende in verband met het schenden van een milieuverplichting uit een overeenkomst. Zo kan bijvoorbeeld de eigenaar van een bedrijfspand contractueel milieuvoorwaarden opleggen aan degene die zijn pand in gebruik heeft. De vereisten voor het vestigen van contractuele milieuaansprakelijkheid zullen echter afhangen van de in concreto gemaakte afspraken, en de contractuele aansprakelijkheid raakt in beginsel alleen de partijen die betrokken zijn bij de overeenkomst. In dit proefschrift richt ik me juist op de buitencontractuele aansprakelijkheidsrelatie tussen personen met een leidinggevende functie binnen een bedrijf en derden wiens belangen worden geraakt door de milieuovertreding, zoals omwonenden, overheden en natuurorganisaties.
Voor de buitencontractuele aansprakelijkheid van leidinggevenden jegens derden kan verder nog worden gedacht aan bijzondere kwalitatieve aansprakelijkheden, zoals die uit de Wet aansprakelijkheid kernongevallen,1 de Wet aansprakelijkheid olietankschepen,2 of de Europese richtlijn milieuaansprakelijkheid.3 Tevens kan ongerechtvaardigde verrijking soms grondslag bieden voor het verhalen van milieuschade, en dan met name in geval van bodemverontreiniging. Specifiek voor bestuurders en daaraan gelijk gestelde personen bestaan nog enkele regelingen in Boek 2 BW op basis waarvan een schadevergoeding kan worden gevorderd in verband met een milieuovertreding.4 Deze buitencontractuele aansprakelijkheidsgrondslagen zijn echter toegesneden op specifieke andersoortige situaties, en worden in de praktijk niet of zelden toegepast voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Daarom blijven ze in het kader van dit hoofdstuk verder buiten bespreking.
Voor het verhalen van milieuschade op een leidinggevende die in bedrijfscontext een milieunorm heeft geschonden, blijft artikel 6:162 BW de meest voor de hand liggende grondslag. Deze grondslag is niet gereserveerd voor de aansprakelijkheid van een specifieke groep personen, en is niet verbonden aan bepaalde normen, schadetypen of ontstaanswijzen. De onrechtmatige daad is veelzijdig en biedt tegelijkertijd een beoordeling op maat.5 Daarom richt ik me in dit hoofdstuk over de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden voor schadevergoedingsvorderingen met name op de onrechtmatige daad. Ik beperk me daarbij tot de vestigingsfase van de aansprakelijkheid. Op de vraag wat de omvang is van de schadeplichtigheid van een leidinggevende in verband met de overtreding van een milieunorm, ga ik in dit hoofdstuk niet in. In paragraaf IV.2.2.3 geef ik nog wel een korte algemene schets van de omvangsfase van de schadevergoedingsactie (afd. 6.1.10 BW).
De andere grondslag voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden die aan bod komt, is het rechterlijk bevel in de zin van artikel 3:296 BW. Het rechterlijk bevel is net als de schadevergoedingsactie op grond van onrechtmatige daad een breed inzetbare remedie die ook kan worden gebruikt voor de handhaving van milieuverplichtingen. Waar de onrechtmatige daad is gericht op herstel, beoogt het rechterlijk bevel de schending van een milieuverplichting juist te voorkomen. Gelet op deze complementaire functie van artikel 3:296 BW, en omdat ik me in dit proefschrift niet alleen wil richten op compensatoire en punitieve handhaving maar ook op de preventieve handhaving van milieunormen, komt het rechterlijk bevel in dit hoofdstuk ook aan bod.
Het aansprakelijk stellen van leidinggevenden voor een bedrijfsmatige milieuovertreding kan mogelijk ook nog de nodige bewijstechnische en procesrechtelijke vragen opleveren. Bijvoorbeeld hoe in een concreet geval kan worden aangetoond over welke kennis of zeggenschap een aangesproken leidinggevende beschikt, en welke bescheiden op grond van artikel 843a Rv kunnen worden gevorderd aangaande de betrokkenheid van een leidinggevende bij een milieuovertreding? In dit hoofdstuk richt ik me echter alleen op de materieelrechtelijke aspecten van de civiele milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Uit nader onderzoek en de rechtspraktijk moet blijken of en in hoeverre de bewijsvoering een obstakel vormt voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.