Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/5.3.3.2
5.3.3.2 Mogelijkheden tot vestigen van beperkte rechten
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957946:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een vorderingsrecht is een goed waarop een vruchtgebruik (art. 3:201 BW) en een pandrecht (art. 3:227 lid 1 BW) kan worden gevestigd.
Art. 3:219 BW voor vruchtgebruik en 3:247 BW voor pandrecht. De hoofdregel is overigens in beide gevallen dat het stemrecht aan de certificaathouder blijft toekomen.
Zie voor de verhouding tussen de verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke werking van de afspraak paragraaf 5.3.3.1. Is er een afspraak met goederenrechtelijke werking gemaakt die de overdracht van het certificaat beperkt of uitsluit, dan is de vraag in hoeverre een pandhouder met deze overdrachtsbeperking rekening moet houden op het moment dat hij tot uitwinning wil overgaan. Aangezien de overdrachtsbeperkende afspraak onderdeel uitmaakt van het vorderingsrecht zelf, lijkt de conclusie te moeten zijn dat de pandhouder niet om deze beperking heen kan. Zie hierover uitgebreid Beekhoven van den Boezem 2003, p. 97-108.
Hoge Raad 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:984, JOR 2022/269, m.nt. Steneker.
Rov. 4.3.3.
Zie over beperkte overdraagbaarheid en verpanding verder Steneker in zijn annotatie bij het arrest: JOR 2022/269.
Aangezien een certificaat een vorderingsrecht is, is het in beginsel mogelijk om de beperkte rechten van vruchtgebruik of pandrecht op het vorderingsrecht te vestigen.1 De beperkt gerechtigden hebben enige invloed op het behoud van de certificaten. Onder andere doordat zij als beperkt gerechtigde, afhankelijk van de exacte inhoud van hun recht, mogelijk stemrecht kunnen uitoefenen in de vergadering van certificaathouders.2 Daarnaast heeft de vruchtgebruiker in sommige gevallen de bevoegdheid om tot vervreemding van de certificaten over te gaan.3 De pandhouder heeft met de mogelijkheid van de openbare verkoop van de certificaten een middel in handen dat invloed heeft op het behoud van certificaten in de familie.4
Net als bepalingen die de overdracht van certificaten beperken of uitsluiten, kunnen in de verhouding tussen de stak als schuldenaar en de certificaathouder als schuldeiser van het vorderingsrecht afspraken worden gemaakt die leiden tot een beperking of onmogelijkheid om beperkte rechten te vestigen. En voor de afspraken geldt ook dat deze afspraken in beginsel verbintenisrechtelijke werking hebben. Dit is anders als uit de afspraak kan worden afgeleid dat goederenrechtelijke werking bedoeld is (art. 3:98 jo. art. 3:83 lid 2 BW).5
In het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2022 was de rechtsvraag of er sprake is van een onverpandbare vordering op het moment dat in een beding tussen de schuldenaar en schuldeiser is bepaald dat de vordering niet overdraagbaar is en dit beding goederenrechtelijke werking heeft.6 De Hoge Raad overweegt dat art. 3:228 BW bepaalt dat een pandrecht alleen kan worden gevestigd op goederen die voor overdracht vatbaar zijn. Een beding met goederenrechtelijke werking dat de overdraagbaarheid van een vordering uitsluit, heeft om die reden tot gevolg dat op die vordering ook geen pandrecht kan worden gevestigd.7 Bij een volledig onoverdraagbare vordering hoeft dus niet apart te worden bepaald dat de vordering ook niet vatbaar is voor verpanding. In het geval van certificering gaat het echter over vorderingsrechten waarvan de overdracht is beperkt, maar nog wel mogelijk is. In dat geval is het opnemen van een apart beding omtrent de mogelijkheden tot verpanding aan te bevelen. Het is immers op basis van het arrest van de Hoge Raad niet duidelijk wat de gevolgen voor verpanding zijn bij een beperkte overdraagbaarheid van de vordering.8