NJB 2024/2460:Veroordeling wegens lokaalvredebreuk door een vreedzame en geen schade of hinder opleverende ‘sit-in’-demonstratie in de lobby van de Algemeen Pensioen Groep NV (APG; een uitvoeringsorganisatie van het ABP) in strijd met art. 10 en 11 EVRM? Mede in het licht van EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius/Litouwen) – over beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en de vraag wanneer zodanige beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is – oordeelt de Hoge Raad dat het hof art. 138 Sr buiten toepassing had moeten laten en de verdachte had moeten ontslaan van alle rechtsvervolging, nu het hof a) heeft vastgesteld dat door het optreden tegen de verdachte en de medeverdachten dat is gevolgd op hun verwijdering, zij het demonstratierecht niet op andere wijze konden voortzetten en b) heeft geoordeeld dat dit optreden in de concrete omstandigheden van het geval disproportioneel was en daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betrof. De Hoge Raad motiveert daarbij in welk opzicht deze zaak afwijkt van de zaak van HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.