Rb. Den Haag, 16-01-2025, nr. C/09/662881/HA RK 24-132
ECLI:NL:RBDHA:2025:8350
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
16-01-2025
- Zaaknummer
C/09/662881/HA RK 24-132
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2025:8350, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 16‑01‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking)
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Verzoek tot herroeping op grond van artikel 382 sub a Rv. Verzoekers doen verzoek tot herroeping van een beschikking die ziet op de doeluitbreiding van een stichting. Volgens verzoekers is sprake van bedrog, omdat de stichting de rechtbank met betrekking tot het doeluitbreidingsverzoek onjuist en onvolledig heeft ingelicht. Het verzoek wordt afgewezen. Verzoekers kunnen niet als belanghebbenden bij de beschikking worden aangemerkt.
Partij(en)
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/662881 / HA RK 24-132
Beschikking van 16 januari 2025
in de zaak van
1. het kerkgenootschap JUNIUS 19te Amsterdam,2. [verzoeker] te [woonplaats] ,
verzoekers,
advocaten: mr. J. van Bekkum en mr. F.B. Corpeleijn te Amsterdam,
tegen
STICHTING FONDS TOT BEHEER VAN HET VOORMALIGE VERMOGEN VAN HET KERKGENOOTSCHAP DES HEREN NIEUWE KERK ZIJNDE NOVA HIEROSOLYMA te Den Haag,
verweerster,
advocaten: mr. M.E.C. Lok en mr. D.E. Koçer te Den Haag.
Verzoekers worden hierna (ieder voor zich) aangeduid als ‘Junius’ en ‘ [verzoeker] ’ en gezamenlijk als ‘Junius c.s.’. Verweerster wordt ‘de Stichting’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 27 februari 2024 ontvangen verzoekschrift, met producties 1 tot en met 20;
- het op 19 november 2024 ontvangen verweerschrift, met producties 1 tot en met 32;
- producties 21 tot en met 46 aan de zijde van Junius c.s.;
- productie 33 aan de zijde van de Stichting.
1.2.
Op 28 november 2024 heeft de mondelinge behandeling in deze zaak plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- -
[verzoeker] (als verzoeker en in hoedanigheid van bestuurder van Junius), vergezeld van de heer [naam 1] (bestuurder van Junius) en de heer [naam 2] (adviseur), samen met mrs. Van Bekkum en Corpeleijn voornoemd;
- -
de heer [naam 3] (bestuurslid van de Stichting) en de heer [naam 4] (bestuurslid van de Stichting), samen met mrs. Lok en Koçer voornoemd.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Aan het einde van de mondelinge behandeling is meegedeeld dat op 16 januari 2025 beschikking zal worden gewezen.
2. De feiten
2.1.
De Stichting is in 2004 opgericht voor het beheer van het vermogen van het (voormalig) kerkgenootschap Des Heren Nieuwe Kerk zijnde Nova Hierosolyma (hierna: Kerkgenootschap DHNK). Kerkgenootschap DHNK is in de jaren dertig van de vorige eeuw ontstaan en in 2017 ontbonden als gevolg van een teruglopend ledenaantal. De statuten van Kerkgenootschap DHNK bevatten de volgende doelomschrijving:
“Het doel van het Kerkgenootschap is de oprichting en instandhouding in Nederland van de openbare eredienst van de Heer God Heiland Jezus Christus, het Goddelijk Menselijke, volgens het Woord geopenbaard in de Geschriften van Emanuel Swedenborg, zijnde het Derde of Latijnse Testament, en de daaruit voorkomende Leer.”
2.2.
Verder bepalen de statuten van Kerkgenootschap DHNK het volgende:
“Artikel 3
DEFINITIES
1. Het Kerkgenootschap
Het Kerkgenootschap kenmerkt zich door de volgende leidende stellingen:
De geschriften van Emanuel Swedenborg zijn het Derde Testament van het Woord des Heren. “De Leer van Nova Hierosolyma over de Gewijde Schrift” moet eender op de drie Testamenten worden toegepast.
Het Latijnse woord zonder Leer is als een kandelaar zonder licht, en zij die het Latijnse Woord zonder Leer lezen, of die zich geen Leer uit het Latijnse Woord verwerven zijn in de duisternis ten aan zien van alle waarheid (vergelijk De Leer van het Nieuwe Jeruzalem over de Heilige Schrift 50-61).
De echte Leer van de Kerk is geestelijk vanuit hemelse oorsprong. De Heer is die Leer zelf (vergelijk Hemelsche Verborgenheden in de Heilige Schrift of het Woord des Heeren onthuld 2496, 2497, 2510, 2516, 2533, 2859; A. Ontv. 19).
2. De Internationale Raad van Priesters
De Internationale Raad van Priesters (the International Council of Priests), hierna te noemen: de “ICP” is de Raad, bestaande uit priesters ban de tweede graad. Deze Raad heeft een belangrijke taak ten aanzien van de geestelijke leiding van alle Kerkgenootschappen die de principes, neergelegd in het Handboek van de Kerk hebben aanvaard.
3. Het Handboek van de Kerk
Het Handboek van Des heren Nieuwe Kerk zijnde Nova Hierosolyma, bevatten de beginselen van Leer, de resoluties betreffende e Regering van de Kerk en andere resoluties alsmede de Kerkelijke Wetten.
4. De Raad van Beheer.
Het bestuur van het Kerkgenootschap.
5. De Rol.
Het register van de leden van het Kerkgenootschap.
6. Commissie van Beroep.
Een commissie van drie leden, die worden benoemd voor een termijn van vijf jaren. Deze commissie wordt gevormd door de voorzitter van de Raad van Beheer, alsmede twee eden, benoemd door en uit de leden van het Kerkgenootschap.
Artikel 4
DOEL
1. Het doel van het Kerkgenootschap is de oprichting en instandhouding in Nederland van de openbare eredienst van de Heer God Heiland Jezus Christus, het Goddelijk Menselijke, volgens het Woord geopenbaard in de Geschriften van Emanuel Swedenborg, zijnde het Derde of Latijnse Testament en de daaruit voortkomende Leer.
2. Het Kerkgenootschap tracht dit doel te bereiken door:
- a.
godsdienstoefeningen, godsdienstonderwijs, leergangen, lezingen;
- b.
het uitgeven van een tijdschrift en andere wettige middelen die bevorderlijk kunnen zijn voor dat doel.”
2.3.
Junius is een kerkgenootschap dat in 2020 is opgericht en dat volgens haar statuten ten doel heeft om de leer van Kerkgenootschap DHNK te praktiseren en de belangstelling op te wekken en te bevorderen in de geschriften van Emanuel Swedenborg. Emanuel Swedenborg (1688-1772) was een Zweedse wetenschapper en filosoof. Later in zijn leven legde hij zich toe op theologie. Hij heeft achttien theologische werken gepubliceerd.
2.4.
In 2020 luidden de artikelen 3, 4, 6, 12, 16 en 17 van de statuten van de Stichting als volgt:
“Doel
Artikel 3
De stichting heeft ten doel
a. het beheer van het vermogen van de Kerk, nadat dit door de Kerk zal zijn overgedragen, alsmede – voor zover nadien aan de orde komend – het zorgdragen, na een daartoe strekkend besluit daartoe, voor de ontbinding en vereffening (…) van de Kerk;
b. de financiële ondersteuning en/of aanmoediging van activiteiten in en buiten Nederland ter toekomstige evangelisatie en verspreiding van de Leer van de Kerk als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de statuten van de Kerk (…), waarvan een kopie aan deze akte is gehecht;
c. en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.
Artikel 4
De Stichting zal trachten haar doel te bereiken
a. door het met inachtneming van het in deze statuten, en dan met name, maar niet alleen, van het bepaalde in artikel 6, beheren van het door de Kerk over te dragen vermogen, alsmede van het eventueel na ontbinding en vereffening van de Kerk nog resterende saldo als bedoeld in artikel 22 lid 4 van de Statuten van de Kerk:
b. (…)
c. (…)
d. door het met inachtneming van de artikelen 3, 4 en 6 van deze statuten verstrekken van giften, subsidies en/of voorschotten.
Clausuleringen en verplichtingen ten aanzien van het Kapitaal
Artikel 6
1. Bij het bereiken van haar doelstellingen en alle door haar te verrichten beheersdaden en rechtshandelingen zal de stichting de navolgende bepalingen in acht dienen te nemen
a. (…)
b. het Kapitaal zal zoveel als redelijkerwijs mogelijk is volledig (en derhalve zonder gehele of gedeeltelijke afsplitsing) in stand gehouden moeten worden, zodanig dat van het winstsaldo volgens de verlies- en winstrekening van de stichting, waarvan de hiervoor onder a, alsook de in artikel 7 lid 6 bedoelde kosten en betalingen deel uit zullen maken, jaarlijks ten minste twee procent (2%) van het Kapitaalsaldo aan het Kapitaal zal worden toegevoegd, voorzover het desbetreffende winstsaldo daartoe toereikend zal zijn;
c. (…)
d. bij toekenning van giften, subsidies en/of andersoortige financiële bijdragen uit het fonds c.q. ten laste van het Kapitaal zal, met inachtneming van het onder b bepaalde, tenminste en cumulatief aan de volgende criteria moeten zijn voldaan:
aan de bijdrage moeten een zowel inhoudelijk als in financiële zin deugdelijk onderbouwde en gespecificeerde aanvrage van/door degene die een gift/subsidie of bijdrage zou willen verkrijgen ten grondslag liggen, evenals een deugdelijk gespecificeerde begroting met betrekking tot de activiteit, waarvoor de desbetreffende aanvrage wordt gedaan;
de bijdragen kunnen en mogen alleen worden toegekend, wanneer deze aantoonbaar alleen en volledig zijn bestemd en worden aangewend voor activiteiten, die beantwoorden aan de in artikel 3 sub b van deze statuten weergegeven doelstellingen;
de aanvragende c.q. ontvangende instelling, rechtspersoon of natuurlijke persoon dient naar het oordeel van het bestuur, zonodig na onderzoek en/of toetsing, in voldoende mate integer, betrouwbaar, onomstreden en te goeder trouw te zijn;
aan alle toe te kennen bijdragen zal als voorwaarde worden verbonden de verplichting om met betrekking tot de activiteit en doelstelling, waarvoor de bijdrage wordt verleend, een tussentijdse rapportage, alsmede na afloop een eindverslag, inclusief een rekening en verantwoording, aan het bestuur van de stichting toe te zenden;
e. indien en voorzover na de ontbinding van de Kerk, al dan niet op initiatief van de stichting zelf, nieuwe evangelisatieactiviteiten in Nederland zullen worden ontwikkeld, gebaseerd op dezelfde principes, kenmerken en doelstellingen als die van de Kerk als bedoeld in artikel 1 sub a van deze statuten, zullen deze initiatieven en activiteiten door de stichting bij voorrang worden ondersteund en gestimuleerd met inachtneming van het hierboven vermelde en mits de in artikel 17 lid 1 sub b tot en met e van deze statuten daarbij het volledige en enige uitgangspunt zijn; indien deze initiatieven en activiteiten zullen leiden tot de oprichting van een nieuw kerkgenootschap in Nederland, zal de stichting dit kerkgenootschap gedurende ten minste vijf jaar na haar oprichting ondersteunen, mits daarbij voldaan zal zijn aan de in dit artikel onder b en e, alsmede de hierna in artikel 17 weergegeven voorwaarden en criteria; na het verstrijken van deze periode zal het bestuur van de stichting besluiten hetzij om deze ondersteuning op gelijke of vergelijkbare wijze voort te zetten, hetzij om – dan of later, te eniger tijd alsnog – over te gaan tot een besluit als bedoeld in artikel 17, mits aan alle in dat artikel genoemde criteria zal zijn voldaan
f. (…)
Artikel 12
1. De volgende besluiten van het bestuur behoeven unanimiteit van de uitgebrachte stemmen in een voltallige vergadering van het bestuur (…)
- het besluit tot het wijzigen van de statuten van deze stichting (…)
Statutenwijziging
Artikel 16
1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen, behoudens artikel 2, 3, 4, 6, 16 en artikel 17 leden 1, 2, 3, 6, 7 en 8. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met inachtneming van het bepaalde in artikel 12 lid 1.(…)
Ontbinding en vereffening
Artikel 17
1. Het is de uitdrukkelijke bedoeling en wens van de oprichter van de stichting, zijnde de Kerk, van welke het fondskapitaal van de stichting afkomstig is, haar leden en haar raad van beheer, alsmede van de leden van het bestuur van de stichting, dat de stichting niet ontbonden zal kunnen en mogen worden, voordat een nieuw kerkgenootschap in Nederland is opgericht, dat is gebaseerd op de volgende principes respectievelijk voldoet aan de volgende criteria:
a. dit nieuwe kerkgenootschap zal dezelfde kenmerken en doelstellingen dienen te hebben als de Kerk als bedoeld in artikel 1 sub a van deze statuten;
b. (…)
c. (…)
d. (…)
e. (…)
f. dat het nieuwe kerkgenootschap een erkend kerkgenootschap zal zijn als bedoeld in artikel 2 van Boek 2 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek en zal bestaan uit ten minste vijftig (50) leden, van wie ten minste dertig (30) leden het formele lidmaatschap reeds gedurende ten minste vijf (5) jaar bezitten en in Nederland gevestigd en metterwoon woonachtig zijn;
(…)
6. Een eventueel batig saldo van de ontbonden stichting wordt door de vereffenaars besteed aan het nieuwe kerkgenootschap als bedoeld in lid 1 van dit artikel, mits dit nieuwe kerkgenootschap kwalificeert als een instelling als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel m, juncto artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of een daarvoor in de plaats getreden wetsartikel en een soortgelijke doelstelling heeft.
7. Bij ontbinding anders dan door een besluit van het bestuur van de stichting als bedoeld in lid 2 van dit artikel, zal de vereffening zoveel mogelijk geschieden overeenkomstig het hiervoor bepaalde en zal een eventueel batig saldo van de ontbonden stichting worden besteed ten behoeve van een of meer instelling(en) als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel m, juncto 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of een daarvoor in de plaats getreden wetsartikel, met een soortgelijke doelstelling als de stichting in overeenstemming met de huidige statuten van de Kerk.(…)”
2.5.
Op 10 november 2020 heeft Junius een aanvraag bij de Stichting ingediend voor financiële ondersteuning, met als bijlage een beleidsplan. Junius heeft in deze steunaanvraag geschreven dat zij “is gebaseerd op de principes en/of voldoet aan de kenmerken uiteengezet in artikel 17 van de statuten van de Stichting”. Junius heeft in de steunaanvraag ten behoeve van de uitvoering van haar beleidsplan een financiële bijdrage van de stichting van € 2.253 voor het jaar 2020 en € 371.253 voor het jaar 2021 gevraagd. Junius heeft in de steunaanvraag voorgesteld dat zij medio 2021 een nieuwe aanvraag doet voor financiële steun voor de jaren 2022 tot en met 2024, in welke periode zij € 201.348 per jaar verwacht nodig te hebben.
2.6.
Tijdens de bestuursvergadering van 11 december 2020 heeft het bestuur van de Stichting besloten bij de rechtbank een verzoek op grond van artikel 2:294 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in te dienen om de statuten van de Stichting te wijzigen (hierna: het wijzigingsbesluit). Het wijzigingsbesluit houdt in dat aan artikel 3 van de statuten – dat het doel van de Stichting beschrijft – als sub d. een nieuwe passage wordt toegevoegd die als volgt luidt:
“d. alsmede verder de financiële ondersteuning van sociaal-maatschappelijke en/of sociaal-culturele activiteiten in Nederland, mits het Kapitaal als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van deze statuten, op de voet van het bepaalde in artikel 6 lid 1 sub b van de statuten te vermeerderen, voor zover het in dit artikel bedoelde winstsaldo in de desbetreffende jaren dit toeliet respectievelijk toe zal laten en te rekenen vanaf 1 juli 2004, met ten minste 2% per jaar van het Kapitaalsaldo op 1 juli 2004, hoe dan ook ten minste in stand gehouden zal worden, totdat in de zin van deze statuten de ontbinding en vereffening van de stichting, alsmede overdracht van het vermogen als batig saldo als bedoeld in artikel 17 lid 6 of lid 7 van deze statuten zullen hebben plaatsgevonden.”
2.7.
Op 23 december 2020 heeft de Stichting een verzoekschrift bij deze rechtbank ingediend waarin kort gezegd wordt verzocht om artikel 3 a. t/m c. van de statuten van de Stichting aan te vullen met het in 2.6. geciteerde sub d. (hierna: het doeluitbreidingsverzoek). De Stichting heeft aan dat verzoek (onder meer) ten grondslag gelegd dat (i) het door de Stichting beheerde vermogen vanaf 2004 onevenredig is toegenomen en steeds verder zal toenemen, terwijl de Stichting maar beperkte uitgaven heeft kunnen doen gelet op de omstandigheid dat de in artikel 3 van de (voormalige) statuten van de Stichting omschreven doelstellingen zeer beperkt zijn, (ii) er vanaf oprichting van de Stichting niet of nauwelijks realistische verzoeken tot bijdragen/subsidies aan instellingen/derden met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 b. en artikel 6 van de statuten van de Stichting zijn geweest en ook niet te verwachten zijn en (iii) het laten voortduren van de situatie, waarbij het vermogen van de Stichting steeds verder toeneemt, zonder mogelijkheid om dit verantwoord te besteden, maatschappelijk onverantwoord is en in strijd is met een behoorlijke taakvervulling door het bestuur van de Stichting, alsook de beginselen van redelijkheid en billijkheid.
2.8.
Bij beschikking van 23 februari 2021 met zaak-rolnummer C/09/604811 / HA RK 20-568 (hierna: de beschikking) heeft de rechtbank artikel 3 van de statuten van de Stichting zoals verzocht aangevuld met het in 2.6. geciteerde sub d. Tegen de beschikking is geen rechtsmiddel ingesteld. De beschikking is op 12 augustus 2021 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel gedeponeerd.
2.9.
Nadat op 12 juli 2021 een bespreking tussen de Stichting en Junius heeft plaatsgevonden, heeft de Stichting op 23 augustus 2021 per e-mail aan Junius meegedeeld dat zij op basis van haar statuten een toetsingscommissie zou instellen om de Stichting te adviseren over de steunaanvraag van Junius. De Stichting heeft in deze e-mail voorts aangekondigd bereid te zijn om aan Junius een voorschot van € 100.000 te betalen op mogelijk aan Junius te verstrekken financiële steun. De Stichting heeft aan betaling van dit voorschot de voorwaarde verbonden dat Junius te zijner tijd een gespecificeerde verantwoording zal sturen over de wijze waarop het bedrag feitelijk is besteed, waarbij de Stichting zich de mogelijkheid heeft voorbehouden om met betrekking tot deze verantwoording tevens een accountantsverklaring te verlangen. Junius heeft per e-mail van 27 augustus 2021 aan de Stichting medegedeeld de besteding van het voorschot te documenteren zoals door de Stichting verzocht. Vervolgens heeft de Stichting het voorschot van € 100.000 aan Junius betaald.
2.10.
Op 22 februari 2022 heeft een bespreking tussen de door de Stichting ingestelde toetsingscommissie en Junius plaatsgevonden. De toetsingscommissie heeft vervolgens een advies uitgebracht aan het bestuur van de Stichting.
2.11.
Het bestuur van de Stichting heeft Junius bij brief van 29 juni 2022 medegedeeld dat Junius niet kwalificeert als kerkgenootschap als bedoeld in de artikelen 17 en 6 lid 1 sub e. van haar statuten en dus niet in aanmerking komt voor financiële ondersteuning gebaseerd op de doelstelling van artikel 3 onder b. van de statuten, maar in beginsel (onder voorwaarden) wel voor toekenning van subsidie(s) gebaseerd op de doelstelling van artikel 3 onder c. van de statuten (hierna: het subsidiebesluit). Het bestuur schrijft verder dat is besloten om Junius onder voorwaarden voor de jaren 2021, 2022 en 2023 per jaar een bedrag van€ 50.000 (dus in totaal een bedrag van € 150.000) toe te kennen voor projecten en activiteiten, welke als doel en strekking hebben om de publieke belangstelling voor de geschriften en het gedachtengoed van Swedenborg te bevorderen.
2.12.
De (voormalig) advocaat van Junius heeft de Stichting bij brief van 7 oktober 2022 aangeschreven en bezwaren geuit tegen de statutenwijziging van de Stichting. Daarnaast heeft de (voormalig) advocaat van Junius de Stichting gesommeerd om het subsidiebesluit te herroepen althans daaraan geen uitvoering te geven, en binnen zes weken opnieuw op de steunaanvraag van Junius te beslissen.
2.13.
Bij brief van 9 november 2022 hebben de advocaten van de Stichting gereageerd op de brief van 7 oktober 2022. Zij hebben daarin medegedeeld het oneens te zijn met de door Junius aangevoerde bezwaren tegen het besluit.
2.14.
Vervolgens is tussen Junius en de Stichting een geschil ontstaan over de terugbetaling van het voorwaardelijk toegekende voorschot van € 100.000.
2.15.
Junius heeft bij dagvaarding van 31 maart 2023 een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt jegens de Stichting. In die procedure heeft Junius onder andere gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat het wijzigingsbesluit en het subsidiebesluit nietig zijn, althans die besluiten te vernietigen en de Stichting te veroordelen om de rechtbank te verzoeken de doeluitbreiding ongedaan te maken c.q. opnieuw op de steunaanvraag van Junius te beslissen. In reconventie heeft de Stichting – kort gezegd – gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat het bestuur van de Stichting de bevoegdheid en beleidsvrijheid heeft om te bepalen of zij een aanvraag van Junius al dan niet af- of (gedeeltelijk) toewijst en Junius veroordeelt tot (terug)betaling van € 100.000 aan de Stichting.
2.16.
Op 27 november 2023 heeft de Stichting het doeluitbreidingsverzoek aan Junius verzonden, nadat de rechtbank in de dagvaardingsprocedure heeft besloten dat het doeluitbreidingsverzoek zonder bijlagen aan Junius moest worden verstrekt.
2.17.
Bij vonnis van 24 april 2024 met zaak-/rolnummer C/09/645701 / HA ZA 23-322 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van Junius in conventie afgewezen en de vorderingen van de stichting in reconventie (gedeeltelijk) toegewezen. Junius heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
3. Het verzoek
3.1.
Junius c.s. verzoeken de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om de beschikking te herroepen, het geding te heropenen en het doeluitbreidingsverzoek af te wijzen, met veroordeling van de stichting in de proceskosten.
3.2.
Aan het verzoek leggen Junius c.s. het volgende ten grondslag. De beschikking moet worden herroepen, omdat sprake is van bedrog in de zin van artikel 382 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De Stichting heeft de rechtbank met het doeluitbreidingsverzoek onjuist en onvolledig voorgelicht, omdat de subsidieaanvraag van Junius daarin niet is vermeld. De Stichting heeft ten onrechte gesteld dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om het door de Stichting beheerde vermogen in te zetten voor de verspreiding van de leer van Kerkgenootschap DHNK. Omdat deze mogelijkheden er wel zijn zijn, waaronder de door Junius ingediende subsidieaanvraag, bestaat er volgens Junius c.s. geen rechtvaardiging voor de doeluitbreiding. Als de rechtbank juist en volledig was ingelicht, dan zou het doeluitbreidingsverzoek niet zijn toegewezen.
3.3.
De Stichting voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Junius c.s., dan wel tot afwijzing van het verzoek van Junius c.s., en - voor zover het verzoek van Junius c.s. gedeeltelijk zou worden toegewezen - het doeluitbreidingsverzoek toe te wijzen, met veroordeling van Junius c.s. in de proceskosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, verder ingegaan.
4. De beoordeling
Verzoek tot herroeping tijdig?
4.1.
Artikel 383 lid 1 Rv bepaalt in verbinding met artikel 391 Rv dat het rechtsmiddel van herroeping moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en verzoeker daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat daartegen geen gewone rechtsmiddelen meer open staan oftewel nadat de beschikking onherroepelijk is geworden.
4.2.
Junius c.s. voeren aan dat zij op 27 november 2023 bekend zijn geworden met het bedrog aan de zijde van de Stichting, omdat zij op dat moment het verzoekschrift strekkende tot de doeluitbreiding hebben ontvangen en erachter zijn gekomen dat de subsidieaanvraag van Junius daarin niet is vermeld. Volgens Junius c.s. is de termijn van drie maanden daarmee pas vanaf 27 november 2023 gaan lopen, zodat zij het verzoekschrift tot herroeping op 27 februari 2024 tijdig hebben ingediend.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het doeluitbreidingsverzoek op 27 november 2023 aan Junius is verstrekt. Junius en ook [verzoeker] als bestuurder hebben op dat moment dus kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan. In deze procedure is niet aannemelijk geworden dat verzoekers op een eerder moment bekend zijn geraakt met de volledige inhoud van het verzoekschrift. De rechtbank stelt daarom vast dat Junius c.s. op 27 november 2023 bekend zijn geworden met de door hen aangevoerde gronden voor herroeping: bedrog en het achterhouden van stukken van beslissende aard. De rechtbank gaat voorbij aan het door de Stichting ingenomen standpunt dat Junius c.s. via de deponering van de beschikking in het Handelsregister op 12 augustus 2021 al hadden kunnen concluderen dat zij door de Stichting niet zijn genoemd, nu zij door de rechtbank niet als belanghebbenden zijn opgeroepen. Enkel op basis van de beschikking konden Junius c.s. niet beoordelen wat de Stichting aan het verzoek ten grondslag had gelegd en het enkele vermoeden dat sprake is van bedrog is niet voldoende voor het aanvangen van de termijn in de zin van artikel 383 lid 1 jo artikel 391 Rv.
4.4.
Gelet op het voorgaande is de termijn voor herroeping voor Junius c.s. aangevangen op het moment van ontvangst van het doeluitbreidingsverzoek op 27 november 2023. Dit betekent dat Junius c.s. het verzoekschrift tot herroeping uiterlijk op 27 februari 2024 diende in te dienen. Het op 26 februari 2024 gedateerde verzoekschrift tot herroeping is op 27 februari 2024 ter griffie van de rechtbank binnengekomen. Daarmee hebben Junius c.s. de in artikel 383 lid 1 jo artikel 391 Rv bedoelde termijn in acht genomen. Junius c.s. zijn in zoverre ontvankelijk in hun verzoek.
Belanghebbende?
4.5.
In deze procedure verzoeken Junius c.s. de beschikking te herroepen. Artikel 390 Rv bepaalt dat een beschikking kan worden herroepen op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende. Partijen twisten over de vraag of Junius c.s. belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn. Junius c.s. stellen dat zij zijn aan te merken als belanghebbende en dat zij daarom in deze procedure kunnen optreden als procespartij. In dat verband hebben zij het volgende naar voren gebracht.
4.6.
Junius c.s. stellen allereerst dat zij belanghebbenden bij de beschikking zijn omdat zij nauw betrokken zijn bij het onderwerp van het doeluitbreidingsverzoek, namelijk: de vraag of de Stichting haar vermogen in overeenstemming met haar oorspronkelijke statutaire doel (het bevorderen van de verspreiding van de leer van het Kerkgenootschap DHNK) kan aanwenden. Hiertoe voeren Junius c.s. aan dat [verzoeker] zich al jaren inspant om de leer van Kerkgenootschap DHNK te verspreiden en in dit kader veelvuldig met de Stichting in aanraking is gekomen, onder andere omdat hij verschillende subsidieverzoeken heeft ingediend. Daarnaast voeren zij aan dat Junius is opgericht met het statutaire doel om de leer van Kerkgenootschap DHNK te verspreiden. Junius c.s. stellen verder dat zij belanghebbenden zijn, omdat zij door de beschikking in hun eigen belang worden getroffen. Hiertoe voeren Junius c.s. aan dat de Stichting op grond van haar oorspronkelijke en gewijzigde statuten slechts giften, subsidies en/of andersoortige financiële bijdragen mag toekennen, voor zover het vermogen van de Stichting het ‘stamkapitaal’, dat voor zover het resultaat van de Stichting dit toelaat jaarlijks met 2% groeit, overstijgt. Volgens Junius c.s. ondervinden zij financieel nadeel als gevolg van de doeluitbreiding, omdat de Stichting op basis daarvan het voor subsidies uit te keren deel van het vermogen ook kan aanwenden voor sociaal-maatschappelijke of sociaal-culturele activiteiten die niets met de leer van het Kerkgenootschap DHNK te maken hebben zodat Junius c.s. daarmee moet concurreren voor het verkrijgen van financiële steun.
4.7.
De Stichting heeft gemotiveerd betwist dat Junius c.s. kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. De rechtbank volgt de Stichting in dat standpunt. Voor dat oordeel is het volgende van belang.
4.8.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
4.9.
De rechtbank beoordeelt eerst of Junius c.s. dusdanig nauw betrokken zijn of zijn geweest bij het onderwerp dat is behandeld in de verzoekschriftprocedure die tot de beschikking heeft geleid, te weten het doeluitbreidingsverzoek, dat in wezen neerkomt op een statutenwijziging in verband met het bestedingsbeleid van de Stichting. Junius c.s. hebben geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit valt op te maken dat zij op enigerlei wijze betrokken zijn (geweest) bij het bestedingsbeleid van de Stichting en deze zijn in deze procedure ook niet gebleken. [verzoeker] heeft geen enkele rol of functie bekleed binnen de Stichting en evenmin heeft hij zeggenschap gehad in (het bestuur van) het inmiddels ontbonden Kerkgenootschap DHNK, waarvan het kapitaal dat de Stichting beheert afkomstig is. Hetzelfde geldt voor Junius, dat bovendien pas is opgericht ná de overdracht van het vermogen van het Kerkgenootschap DHNK naar de Stichting. De omstandigheid dat Junius in haar statuten heeft opgenomen dat zij ten doel heeft om de leer van Kerkgenootschap DHNK te praktiseren, maakt haar nog niet tot belanghebbende in de zin van artikel 390 Rv. Bij het voorgaande is van belang dat niet is gebleken dat Junius een rechtspersoon is waarvan de Stichting zich op grond van haar statuten de belangen dient aan te trekken. Junius is immers niet aan te merken als ‘opvolgend kerkgenootschap’ als bedoeld in artikel 17 lid 1 van de statuten, alleen al vanwege het feit dat zij niet ten minste vijftig leden heeft, zoals artikel 17 lid 1 onder f van de statuten vereist. De bij Junius c.s. bestaande wens om aanspraak te kunnen maken op (een deel van) het kapitaal dat de Stichting beheert, kwalificeert niet als een dusdanig nauwe betrokkenheid bij het bestedingsbeleid dat de Stichting voert, dat daarin een belang is gelegen om in de verzoekschriftprocedure te verschijnen. Ten slotte kan een dergelijk belang ook niet worden gevonden in de door Junius c.s. aangedragen stelling dat er naast Junius c.s. nauwelijks andere belanghebbenden zijn die controle kunnen uitoefenen op het beleid van de Stichting. Het is immers niet de bedoeling dat de kring van belanghebbenden zich uitstrekt tot eenieder die de behoefte voelt om vermeend wanbeleid binnen een stichting aan de orde te stellen, in dit geval: het bestedingsbeleid van de Stichting.
4.10.
Vervolgens beoordeelt de rechtbank of Junius c.s. door de uitkomst van de verzoekschriftprocedure zodanig in hun eigen belang worden getroffen dat zij in die procedure behoren te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Junius c.s. hebben aan de stelling dat zij door de uitkomst van de verzoekschriftprocedure in hun eigen belang worden getroffen ten grondslag gelegd dat zij door de doeluitbreiding financieel worden benadeeld. Met de Stichting is de rechtbank van oordeel dat Junius c.s. niet in dit standpunt kunnen worden gevolgd.
4.11.
Junius c.s. hebben onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden aangenomen dat zij door de uitkomst van de verzoekschriftprocedure zodanig in hun eigen, de rechtbank begrijpt: financiële, belang worden getroffen dat zij in die procedure behoren te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Het enkele feit dat Junius c.s. aanspraak wensen te maken op subsidie(s) vanuit de Stichting is onvoldoende om van een eigen belang in de hier bedoelde zin te kunnen spreken. Dat Junius c.s. als gevolg van de doeluitbreiding financieel nadeel ondervinden is door de Stichting gemotiveerd betwist. De Stichting heeft in dit kader aangevoerd dat het zogenaamde stamkapitaal, het bedrag dat in 2004 door het inmiddels ontbonden Kerkgenootschap DHNK aan de Stichting is geschonken, conform de statutaire verplichtingen in stand is gebleven en, voor zover het winstsaldo van de Stichting daartoe toereikend was, jaarlijks steeds met 2% is gegroeid. Omdat er vanaf 2004 (onder meer) als gevolg van beleggingsresultaten sprake was van ‘overwinsten’ van de Stichting, dat wil zeggen winsten boven de 2% van het stamkapitaal, is er een ‘algemene reserve’ gevormd voor lasten en subsidies als bedoeld in artikel 3 onder a. t/m c. van de statuten van de Stichting en vanaf 2021 een ‘bestemmingsreserve charitatieve donaties’ voor lasten en subsidies als bedoeld in artikel 3 onder d. van de statuten van de Stichting. Volgens de Stichting zijn deze reserves toereikend om daaruit het door Junius verzochte subsidiebedrag te kunnen voldoen alsook de op artikel 3 onder d van de statuten gebaseerde subsidieaanvragen, zodat Junius c.s. geen financieel nadeel van de doeluitbreiding ondervinden. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van Junius c.s. dat zij de stellingen van de Stichting op dit punt niet kunnen verifiëren, omdat de Stichting weigert om Junius c.s. inzage in haar stukken te geven. Als onvoldoende weersproken blijkt namelijk uit de verklaring van de door de Stichting ingeschakelde accountant (bijlage 31 bij het verweerschrift) dat: - het kapitaal van de Stichting sinds 2004 elk jaar met de vastgelegde 2% is toegenomen, tenzij het resultaat ontoereikend is, en in stand is gehouden; - de Stichting vier reserves heeft, bestaande uit (i) de Indexreserve stamkapitaal, (ii) de Herwaarderingsreserve panden in exploitatie (iii) de algemene reserve en (iv) de Bestemmingsreserve charitatieve donaties; - het kapitaal van de Stichting substantieel is gegroeid; - de algemene reserve is gevormd door overwinsten en deze bestaan uit de surplus resultaten minus de toevoegingen aan de Bestemmingsreserve charitatieve donaties; - dat de algemene reserve zodanig van omvang is en was dat hieruit de verzochte subsidie van Junius volledig en zonder enig probleem betaald had kunnen worden naast de gebruikelijke andere lasten en subsidies; - dat subsidies ten laste van de bestemmingsreserve charitieve donaties alleen worden toegekend indien de omvang van deze reserve toereikend is; - de sinds 2021 tot datum accountantsverklaring de uit de bestemmingsgreserve betaalde subsidies qua omvang tussen de € 2.000 en € 20.000 per donatie liggen. De Stichting heeft daarmee genoegzaam aangetoond dat door de doeluitbreiding het startkapitaal niet wordt aangetast, dat de voor de lasten en subsidies als bedoeld in artikel 3 onder a. t/m c. van de statuten van de Stichting bestemde reserve voldoende toereikend is om de door Junius verzochte subsidie te voldoen en bovendien slechts een fractie van de met het kapitaal gegenereerde winst wordt bestemd voor charitatieve donaties op grond van artikel 3 onder d. van de statuten van de Stichting. Onder die omstandigheden is geen sprake van een concreet nadeel van Junius c.s. bij de doeluitbreiding, zodat zij door de beschikking niet in een eigen belang worden getroffen. Voor zover Junius c.s. zich op het standpunt stellen dat zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij de beschikking, omdat de - zoals door Junius c.s. aangeduide - ‘internationale kerk’ op basis van de statuten van de Stichting recht heeft op financiële ondersteuning vanuit de Stichting, wordt hieraan voorbijgegaan nu Junius c.s. in onderhavige procedure optreden voor zichzelf en niet als vertegenwoordigers van die internationale kerk.
4.12.
De conclusie is dat, nu Junius c.s. niet als belanghebbenden bij de beschikking zijn te beschouwen, zij ook geen herroeping kunnen verzoeken van deze beslissing. Het verzoek van Junius c.s. wordt daarom afgewezen.
proceskosten
4.13.
Als de in het ongelijk gestelde partij worden Junius c.s. veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de kant van de Stichting worden begroot op € 1.916,- (€ 688,- aan griffierecht en € 1.228,- (2 punten x Tarief II € 614,-) aan salaris advocaat). De over de proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek van Junius c.s. af;
5.2.
veroordeelt Junius c.s. in de proceskosten, aan de kant van de Stichting begroot op€ 1.916,-;
5.3.
veroordeelt Junius c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2025.
liv