Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/3.5.1
3.5.1 De mogelijkheden van interpretatie
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS360703:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Scholten Algemeen deel* (1931) 1974, par. 1, 9, 10.
Asser/Scholten Algemeen deel* (1931) 1974, par. 1, 9, 10.
Geppaart 1965 (over het fiscale recht), o.a. p. 207; Asser/Vranken Algemeen deel** 1995/114-117 (over het civiele recht); Groenewegen 2006 (over het civiele recht en het bestuursrecht); De Hullu 2015, p. 103-106 (over het strafrecht).
Reehuis 1992, p. 61.
Groenewegen 2006, p. 33, 91 over het bestuursrecht en het civiele recht.
O.a. Geppaart 1965, p. 8, 10; Groenewegen 2006, p. 7-9, 17-19, 23, 40, 71, 90 over het civiele recht en het bestuursrecht.
Specifiek voor het strafrecht Fokkens, in: Noyon, Langemeijer & Remmelink 2016, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 oktober 2016), aant. 6: ‘En voor wat betreft het Vorverständnis van waaruit de rechter in het concrete geval telkens de op elkaar inwerkende norminterpretatie en feitenvaststellingen moet laten plaatsvinden geldt, dat binnen het raam van de wet de rechter zich bij zijn beslissing zal moeten laten leiden door de grote ethische beginselen die aan het recht ten grondslag liggen en ten leste door zijn geweten: rechtsvinding is immers in haar wezen het antwoord op een ethisch appel’; Kelk/De Jong 2013, p. 119; De Hullu 2015, p. 102; Mevis 2016, p. 209: er zijn arresten waarin ‘de keuze uit de mogelijke interpretaties van materieel strafrecht (mede) bepaald lijkt door de bijdrage van de uitkomst aan de regulering van bepaalde (omstreden) maatschappelijke kwesties’.
In algemene zin en over het fiscale recht Geppaart 1965, p. 13, 207. Over het strafrecht: Fokkens, in: Noyon, Langemeijer & Remmelink 2016, art. 1 Sr (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 oktober 2016), aant. 6; Kelk/De Jong 2013, p. 119: ‘bij concurrerende interpretaties zal worden gekozen voor de meest overtuigende redenering in het licht van wat naar het rechtsgevoel het meest voor de hand liggend of acceptabel is, dan wel met het oog op het resultaat dat men wenselijk vindt’; Rozemond stelt dat de grondslag voor interpretatie kan zijn ‘de redelijkheid’, die dan ‘een beperkende werking ten aanzien van de toepasselijkheid van een wettelijke strafbepaling’ krijgt (annotatie N. Rozemond bij HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, AA 2013/839 (Tongzoen II), p. 841); volgens De Hullu ‘moet’ de rechter bij de afweging van verschillende argumenten bij interpretatie ‘zeker ook naar de aansprekendheid en rechtvaardigheid van het uiteindelijke resultaat’ kijken. Rechtsvinding ‘moet immers tot resultaten leiden die aansluiten bij de doelstellingen van het strafrecht en passen binnen het rechtssysteem’ (De Hullu 2015, p. 105, 106).
Par. 3.2.
Over het strafrecht Kelk/De Jong 2013, p. 122, 123.
De genoemde bron gaat over de strafrechter.
Van Dorst 1978, p. 178, 179, onder verwijzing naar een arrest waarin de Hoge Raad overwoog dat onder ‘eerbaarheid’ in de zin van het toenmalige art. 240 Sr slechts mocht worden verstaan ‘de gevoelens die daaromtrent bij een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk leven’ (HR 17 november 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB5129, NJ 1971/373, m.nt. C. Bronkhorst (Chick)); en onder verwijzing naar een arrest waarin art. 280 Sr restrictief werd geïnterpreteerd (HR 11 mei 1976, NJ 1976/538, m.nt. Th.W. van Veen (JAC)).
Van Dorst 1978, p. 185.
Het toenmalige art. 280 Sr (in 1983 is een tweede lid toegevoegd met een strafuitsluitingsgrond die in deze zaak van toepassing zou zijn geweest), HR 11 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB4463, NJ 1976/538, m.nt. Th.W. van Veen (JAC). De zaak komt ook aan de orde in hoofdstuk 1, par. 1.2.2 en in hoofdstuk 5, par. 5.5.
Hoofdstuk 4, par. 4.4; hoofdstuk 5, par. 5.5; hoofdstuk 6, par. 6.5.
Interpretatie kan een alternatief zijn voor uitzonderingen omdat de rechter voor een interpretatiemethode kan kiezen die de in zijn ogen meest billijke beslissing oplevert. In de doctrine is het sinds jaar en dag geaccepteerd dat wettelijke voorschriften niet tekstueel uitgelegd hoeven te worden. Scholten schreef al dat toepassing van wetgeving geen eenvoudig syllogisme is, maar dat voorschriften steeds moeten worden uitgelegd in verband met de voorliggende feiten.1 Dat dient niet alleen te gebeuren (en gebeurt volgens hem niet alleen) aan de hand van de bewoordingen van een voorschrift (‘grammatische interpretatie’), die niet meer zijn dan hulpmiddel bij het vaststellen van de zin van de regel en de daaruit voor het geval te trekken conclusie, maar ook kunnen de wets- en de rechtsgeschiedenis (‘historische interpretatie’), andere voorschriften die verwante onderwerpen regelen (‘systematische interpretatie’) en de maatschappelijke doeleinden van het voorschrift (‘teleologische interpretatie’) een rol spelen. Dit zijn ‘middelen om de zin van een wetsbepaling te leren kennen’, opdat bij het vaststellen van wat recht is ‘de gerechtigheid kan worden gezocht’.2 In actuelere literatuur komen de interpretatiemethoden terug.3 Gesteld is dat ‘de strijd dat de rechter het slechts bij een strikte grammaticale en wetshistorische interpretatie zou mogen laten [is] gestreden’,4 en dat interpretaties regelmatig buiten de woordbetekenis treden; die is niet meer ‘de natuurlijke grens van interpretatie’.5 De letterlijke betekenis van een voorschrift is niet per se de juridische betekenis ervan. Een voorschrift krijgt betekenis in zijn context, en door de verschillende interpretatiemethoden kan die betekenis worden achterhaald.6
Erkend wordt dat de rechter bij interpretatie belangen kan afwegen en normatieve keuzes kan maken,7 met het oog op de rechtvaardigheid van zijn beslissing in het concrete geval.8 Net zoals billijkheidsuitzonderingen aangewezen kunnen zijn vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden,9 kan de rechter vanwege dergelijke omstandigheden ook geneigd zijn tot een bepaalde interpretatie.10 Gesteld wordt dat de rechter11 door interpretatie de wet(stoepassing) bij de tijd weet te houden12 en dat hij kan fungeren als ‘een soort secundaire wetgever’, in het bijzonder als hij zeer extensief of restrictief interpreteert.13
Interpretatie is dus net zoals de uitzondering een middel om een rechtvaardige beslissing in het concrete geval te nemen die door strikte toepassing van een voorschrift niet wordt bereikt.
Een hulpverlener werd ervan verdacht dat hij een van huis weggelopen minderjarige ‘aan de nasporing van de politie had onttrokken’.14 Het hof verklaarde dit bewezen, maar maakte een uitzondering omdat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak: de verdachte had gehandeld ter behartiging van het rechtsbelang dat de strafbepaling beoogde te beschermen (het herstel van de verhouding tussen ouders en kinderen) en was opgetreden als een goed hulpverlener. De Hoge Raad las dit alsof het hof de strafbepaling zo had uitgelegd dat het bestanddeel ‘onttrokken aan de nasporingen van de politie’ niet bewezen was. Niet blijkt waarom de Hoge Raad dat deed; het is in strijd met het normale spraakgebruik het feitelijke ‘onttrekken aan nasporingen’ niet bewezen te verklaren omdat iemand goede redenen voor deze onttrekking had.
In volgende hoofdstukken worden meer concrete voorbeelden gegeven van corrigerende interpretaties in de verschillende rechtsgebieden.15
Hoewel de rechter door een billijkheidsuitzondering – anders dan door interpretatie – als gezegd strikt genomen niet het bereik van een voorschrift beperkt (juist niet: een voorschrift wordt buiten toepassing gelaten terwijl het geval wel binnen zijn bereik in abstracto valt), heeft een uitzondering feitelijk evenzeer als interpretatie dit effect. Een uitzondering zal in latere, vergelijkbare gevallen immers worden herhaald, waardoor een voorschrift op bepaalde gevallen nooit meer wordt toegepast.