Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/5.3.3
5.3.3 Rol nationale administrateur naar Nederlands recht
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS610639:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 11 jo bijlage II Verordening (EU) 389/2013.
Stcrt. 2013, 28862, p. 12 en 13.
Artikel 44 en 45 Rhe.
Artikel 47 Rhe.
Artikel 51 jo 53 Verordening (EU) 389/2013.
Artikel 52 lid 2 onder d) Verordening (EU) 389/2013. De tweede alinea verwijst per abuis naar lid 1. Vergelijking met de Engelstalige, Duitstalige en Franstalige versie van deze Verordening maakt echter duidelijk dat de goedkeuringsbevoegdheid van de Commissie ziet op de meldingen die worden genoemd in lid 2, niet op lid 1.
Zie hierover subparagrafen 3.4.2 en 4.2.3.
Zie hierover subparagraaf 3.4.2.
Artikel 16.34a resp. 16.34b jo artikel 16.34d Wm.
De Nederlandse regelgeving heeft een aantal taken van de nationale administrateur benoemd in de Rhe. De grondslag voor deze regelingen is te vinden in artikel 16.45 Wm. Zo regelt artikel 51 Rhe dat voor het onderhouden van een handels- of persoonstegoedrekening degene op wiens naam de rekening is geopend een vergoeding verschuldigd is van € 200,- per kalenderjaar. Artikel 52 Rhe regelt dat tegen een vergoeding van € 1350,- de rekeninghouder van extra door de NEa aangeboden diensten gebruik kan maken, waaronder een telefonische helpdesk. Deze regelingen zijn in beginsel in overeenstemming met Verordening (EU) 389/2013.1 Echter, aangezien artikel 92 Verordening (EU) 389/2013 de nationale administrateur verplicht tot het openstellen van een helpdesk voor nationale rekeninghouders, is het twijfelachtig of voor een helpdesk extra kosten in rekening mogen worden gebracht. Of, anders gezegd, rekeningen mogen worden aangeboden zonder toegang tot de helpdesk tegen een lager tarief. Ingevolge artikel 11 jo bijlage II Verordening (EU) 389/2013 zien de kosten die in rekening mogen worden gebracht namelijk slechts op de openstelling en het beheer van de rekening. Deze differentiatie in kosten staat in zoverre dan ook op gespannen voet met de Verordening.
Artikel 53 Rhe regelt welke gegevens ten minste door de nationale administrateur kunnen worden verzocht met betrekking tot de opening van en de toegang tot een rekening. Dit artikel heeft hiermee enige overlap met artikelen 16-18, artikel 20 en artikel 24 jo bijlage IV Verordening (EU) 389/2013. Echter, aangezien artikel 53 Rhe deze bepalingen van de Verordening met name uitwerkt, door de nationale documenten te benoemen die overeenkomen met de gegevens genoemd op bijlage IV, is dit toegestaan. Zo geeft artikel 18 jo bijlage IV Verordening bijvoorbeeld aan dat bij natuurlijke personen die een rekening willen openen een uittreksel uit het strafregister moet worden overgelegd. In artikel 53 lid 2 jo lid 1 Rhe is dit uitgewerkt naar een verklaring omtrent gedrag. Hiermee wordt dus een nadere uitwerking gegeven aan de regeling uit de Verordening, zoals tevens wordt vereist door artikel 113 Verordening (EU) 389/2013.
Artikel 54 Rhe geeft uitvoering aan artikel 22 lid 2 aanhef en onder d Verordening (EU) 389/2013. Ingevolge die bepaling mag, naast de grondslagen genoemd in de Verordening, de weigering een rekening te openen ook worden gebaseerd op in nationaal recht genoemde gronden. Artikel 54 Rhe regelt daaromtrent:
‘1.De nationale administrateur kan in het belang van de integriteit van het register een verzoek om een tegoedrekening te openen weigeren, indien uit een risicoanalyse van de bij de aanvraag verstrekte gegevens blijkt dat een verhoogd risico bestaat op oneigenlijk gebruik of misbruik van het register of de rekening, waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen van financieel-economische aard.
2. De methode op basis waarvan de risicoanalyse plaatsvindt, legt de nationale administrateur ter goedkeuring voor aan het bestuur van de emissieautoriteit.’
Een tweede uitwerkingsregeling is te vinden in artikel 55 Rhe:
‘Indien een opsporingsdienst een redelijk vermoeden heeft dat met een rekening fraude wordt gepleegd, geld wordt witgewassen, terrorisme wordt gefinancierd of andere ernstige strafbare feiten worden gepleegd, kan die opsporingsdienst de nationale administrateur verzoeken om schorsing van:
a.de toegang tot de rekening overeenkomstig artikel 34, derde lid, van de Verordening EU-register handel in emissierechten;
b. effende broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 97, eerste lid, van de Verordening EU-register handel in emissierechten.’
Artikel 34 lid 3 onder b Verordening (EU) 389/2013 bevat de grondslag voor de nationale administrateur om de toegang van gemachtigde vertegenwoordigers tot een rekening op te schorten ‘op grond van en overeenkomstig nationale rechtsvoorschriften waarmee een rechtmatig doel wordt nagestreefd.’ Artikel 97 lid 1 onder b Verordening (EU) 389/2013 bevat de grondslag voor de nationale administrateur om de toegang tot emissierechten en Kyoto-eenheden op te schorten ‘op grond van en overeenkomstig nationale rechtsvoorschriften waarmee een rechtmatig doel wordt nagestreefd.’ Artikel 55 Rhe is dus aan te merken als een uitwerkingsregeling en is derhalve toegestaan.
Dat niet (slechts) wordt gedoeld op artikel 34 lid 3 aanhef en onder a resp. artikel 97 lid 1 aanhef en onder a, dat ziet op de schorsing naar aanleiding van de betreffende feiten voor ten hoogste vier weken, volgt uit de formulering van het voormalige artikel 55 Rhe, dat van toepassing was ten tijde van Verordening (EU) 1193/2011. Ook in die Verordening waren expliciete grondslagen te vinden voor (een tijdelijke) schorsing naar aanleiding van genoemde feiten. Toch verwees het toenmalige artikel 55 Rhe naar de equivalenten van artikel 34 lid 3 onder b en artikel 97 lid 1 onder b Verordening (EU) 389/2013. De aanpassing naar aanleiding van Verordening (EU) 389/2013, was blijkens de toelichting niet inhoudelijk van aard, maar slechts een aanpassing van verwijzingen vanwege de invoering van de nieuwe Verordening.2 Derhalve moet worden aangenomen dat de verwijzingen in ieder geval mede betrekking hebben op artikel 31 lid 3 onder b en artikel 97 lid 1 onder b Verordening (EU) 389/2013. Dit geeft de bevoegdheid voor de nationale administrateur om ook een langere termijn voor schorsing aan te houden.
Een laatste bevoegdheid van de nationale administrateur is genoemd in artikel 57 Rhe. Daar wordt geregeld dat:
‘1. Het bestuur van de emissieautoriteit kan besluiten de bijschrijving van het aantal toegewezen emissierechten op te schorten, voor zover:
a. een melding als bedoeld in paragraaf 3.5 tot een significante verlaging van het aantal toegewezen broeikasgasemissierechten kan leiden, of
b. de lijst van bedrijfstakken of deeltakken, bedoeld in 16.34a van de wet [dit betreft de carbon leakage lijst, behandeld in hoofdstuk 3], tot een verlaging van het aantal toegewezen broeikasgasemissierechten leidt.
2. De nationale administrateur schrijft de toegewezen emissierechten niet bij, indien het bestuur van de emissieautoriteit een besluit tot opschorting van de bijschrijving van het aantal toegewezen emissierechten heeft genomen.’
Meldingen bedoeld in paragraaf 3.5 Rhe die tot een significante verlaging van emissierechten kunnen leiden betreffen onder meer de (gedeeltelijke) beëindiging van de BKG,3 en de capaciteitsvermindering van een BKG.4 De Verordening biedt evenwel geen expliciete grondslag voor een opschorting van de toewijzing van emissierechten door de nationale administrateur. Immers, de uitvoering van de toewijzing vindt automatisch plaats overeenkomstig de toewijzingstabel.5 Desalniettemin kan de wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van de toewijzingstabel van de nationale administrateur hier wellicht uitkomst bieden. Artikel 52 Verordening (EU) 389/2013 lijkt zich er niet tegen te verzetten dat een nationale administrateur op andere gronden dan die genoemd in lid 1 de nationale toewijzingstabel aanpast. Lid 2 lijkt er juist op te wijzen dat dit mogelijk moet worden geacht door te vereisen dat een aanpassing anders dan in lid 1 genoemd, goedkeuring van de Commissie behoeft.6 De Commissie dient deze wijziging van de toewijzingstabel te toetsen aan onder meer de Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU. Met goedkeuring van de Commissie zou de opschorting dan in de toewijzingstabel kunnen worden verwerkt.
Het is goed te verdedigen dat na een melding als bedoeld in paragraaf 3.5 Rhe, 7of een wijziging van de ‘carbon leakage lijst’ ten nadele van de installatie,8 de toewijzing ten dele wordt opgeschort. Naar aanleiding van deze melding respectievelijk wijziging kan namelijk een besluit tot wijziging van de toewijzing volgen.9 Het kan wenselijk zijn in de tussenliggende periode de verwachte te verkleinen hoeveelheid in de toewijzing op te schorten, om zo te anticiperen op de aanpassing van de toewijzing. Dit komt het functioneren van het ETS ten goede, en is in het kader van de benodigde goedkeuring van de Commissie goed verdedigbaar.