Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.2.2
6.2.2 Functioneel daderschap van rechtspersonen
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS611016:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 juni 1981, NJ 1982, 80 (Kabeljauw).
HR 14 januari 1992, NJ 1992, 413 (Discriminerende discotheek).
In zowel het kabeljauw-arrest als het discriminerende disctoheek-arrest was de verdachte overigens geen rechtspersoon in civielrechtelijke zin, maar een vennootschap onder firma. De vennootschap onder firma wordt in art. 51 lid 3 Sr voor de toepassing van art. 51 lid 1 en 2 Sr gelijkgesteld met een rechtspersoon.
Zie bijvoorbeeld Torringa 1984, p. 90-91.
HR 24 mei 1977, NJ 1978, 330 (Nicotinezuur).
Kelk 2010, p. 423-424. Volgens Torringa was de constructie van het functioneel daderschap in casu niet nodig, omdat de rechtspersoon normadressaat was van het verbod (Torringa 1984, p. 90-91).
HR 21 oktober 2003, NJ 2006, 328.
Kelk meent daarom dat de criteria uit het drijfmest-arrest mogelijk ook van toepassing zijn op het functioneel daderschap van natuurlijke personen (Kelk 2010, p. 416-417).
Mevis (noot bij HR 6 juni 2006, NJ 2006, 329) en De Hullu (De Hullu 2009, p. 169) menen dan ook dat het drijfmest-arrest veeleer het begin van een rechtsontwikkeling is dan het afsluiten van een periode van onduidelijke jurisprudentie.
Zie uitgebreid De Valk 2009, p. 315-325 en Kessler 2007. Zie voor kritiek op de vaagheid van het criterium de noot van Mevis bij HR 6 juni 2006, NJ 2006, 329.
Na invoering van art. 51 Sr kwamen de ijzerdraadcriteria ook in beeld voor het daderschap van rechtspersonen. In het kabeljauw-arrest uit 1981 werd bepaald dat handelingen zijn aan te merken als gedragingen van een rechtspersoon, indien de rechtspersoon 'vermocht te beschikken of die handelingen al dan niet zouden plaatsvinden en deze behoorden tot de zodanige welker plaatsvinden blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard.'1 Dit criterium werd herhaald in het arrest 'discriminerende discotheek'. De Hoge Raad verwierp in die zaak expliciet de opvatting dat een verdachte rechtspersoon pas als dader kan worden aangemerkt als natuurlijke personen in dienst van de rechtspersoon zijn geïnstrueerd over de litigieuze handelingen.2 Het vermogen te beschikken en plegen te aanvaarden van de handelingen volstaat.3
De destijds heersende opvatting in de literatuur was dat de ijzerdraadcriteria slechts van toepassing waren op bepalingen die een bepaalde handeling verbieden en niet op bepalingen die een bepaalde toestand verbieden.4 De Hoge Raad heeft aanleiding voor dit onderscheid gegeven in het nicotinezuur-arrest.5 De rechtspersoon CoUp-Gelderland werd vervolgd wegens het ter verkoop in voorraad hebben van gehakt met een te hoog percentage nicotinezuur. De verdachte verweerde zich met de stelling dat de feitelijke dader, een chef-slager, geheel eigenmachtig had gehandeld. De rechtspersoon zou alles in het werk hebben gesteld om de verboden handeling te voorkomen (zie ook paragraaf 3). Daarmee zou niet zijn voldaan aan het aanvaardingselement uit de ijzerdraadcriteria. Het verweer mocht niet baten; daderschap van de rechtspersoon werd aangenomen. In de literatuur wordt wel betoogd dat de aard (een verboden toestand) en strekking van het delict hieraan ten grondslag lagen.6
Sinds 2003 wordt het daderschap van rechtspersonen niet meer beoordeeld aan de hand van de ijzerdraadcriteria, maar aan de hand van criteria die zijn opgesteld in het drijfinestarrest.7 Dit arrest ging over het illegaal uitrijden van mest op landerijen die de verdachte rechtspersoon in beheer had. De rechtspersoon beriep zich erop aan niemand toestemming te hebben gegeven om mest uit te rijden en dus niet te weten wie dat had gedaan. Het Hof beoordeelde het verweer in het licht van avas wegens zorgvuldig handelen (zie paragraaf 3) en overwoog als volgt:
[Het] behoort (...) rechtens tot de taak van een beheerster van de landerijen ervoor te waken dat die landerijen worden beheerd overeenkomstig de wettelijke voorschriften. Daaronder valt de verplichting er op te letten dat derden haar landerijen niet voor een ander doel aanwenden dan waartoe haar beheer zich uitstrekt. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte alle maatregelen heeft genomen teneinde te verhinderen dat derden haar landerijen konden gebruiken om zich van hun mestvoorraden te ontdoen. Van controlemaatregelen en van (intensieve) inspectie is niet gebleken (...).'
Daarmee is echter niets gezegd over het daderschap van de rechtspersoon. De Hoge Raad casseerde dan ook en formuleerde een maatstaf voor het strafrechtelijke daderschap van rechtspersonen. Eerder gehanteerde criteria werden door de Hoge Raad gebundeld tot het paraplucriterium van de redelijke toerekening. Dit criterium is opgebouwd uit drie stappen:
Stap 1: een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend.
Stap 2: een gedraging die heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon kan in beginsel aan de rechtspersoon worden toegerekend.
Stap 3: de Hoge Raad geeft een aantal omstandigheden waaronder dat het geval kán zijn:
— het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
— de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
— de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
— de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en dit gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
De ijzerdraadcriteria zijn dus nog slechts een omstandigheid bij de beoordeling of een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden. Door het ruime aanvaardingscriterium is de vraag naar de beschikkingsmacht van de verdachte van ondergeschikt belang geworden.8 Het drijfmestcriterium is het (voorlopige) sluitstuk in de jurisprudentie over het daderschap van rechtspersonen. Met het drijfmest-arrest zijn de problemen rondom het functioneel daderschap van rechtspersonen overigens nog geen verleden tijd.9 De praktische uitwerking ervan is nog grotendeels onduidelijk.10