Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.2.3
7.2.3 De quasi gehele onmogelijkheid
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS381176:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. het geschrapte art. 6.1.8.12, dat de schuldeiser de bevoegdheid toekende om een prestatie van de hand te wijzen indien het de schuldenaar was toe te rekenen dat hij een gebrekkige of gedeeltelijke prestatie had geleverd en correcte nakoming niet mogelijk was. De schuldeiser verloor deze terugwijsbevoegdheid als de tekortkoming van ondergeschikt belang was of— het subjectieve element — de schuldeiser bij de onvolkomen prestatie belang had. Zie hierover Stolp 2007a, p. 177-180.
Vgl. Heiderhoff & Skamel 2006, p. 386-387.
Staudinger/Otto 2004, § 326, nr. B27-28 en B49; Staudinger/Löwisch 2004, § 275, nr. 49; Palandt/Heinrichs 2005, § 275, nr. 9; en Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 124.
Hijma 1988, p. 262-265.
Hijma 1988, p. 263. Zie voor een overzicht van de rechtspraak en literatuur op dit punt De Loos-Wijker (Vermogensrecht), art. 3:41, aant. 6.
P. Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 91-94. Vgl. Staudinger/Löwisch 2004, § 275, nr. 54; en Anw.komm./Dauner-Lieb 2005, § 275, nr. 64. Bamberger & Roth/Grüneberg 2003, § 275, nr. 33 en 34, legt het accent op de vraag of de deelprestatie in economisch opzicht als een andere prestatie moet worden beschouwd dan de volledige prestatie. Van met gehele onmogelijkheid gelijk te stellen gedeeltelijke onmogelijkheid moet bijv. worden uitgegaan bij de dood van een paard dat als onderdeel van een vierspan is gekocht, of het ontbreken van een wezenlijk onderdeel van een gecompliceerde machine.
Stolp benadrukt echter dat de schuldeiser in beginsel recht heeft op omzetting van de volledige verbintenis in vervangende schadevergoeding, zie Stolp 2007a, p. 179 en 223-224. Mijn opvatting dat de gedeeltelijke onmogelijkheid niet te snel met de volledige onmogelijkheid mag worden gelijkgesteld, neemt niet weg dat als de verhindering als een gedeeltelijke onmogelijkheid wordt beschouwd, volledige ontbinding of omzetting gerechtvaardigd kan zijn (art. 6:265 lid 1 en 6:87 lid 2).
Fehre 2005, p. 183-184.
Zie voor jurispnidentieverwijzingen Staudinger/Otto 2004, § 326, nr. B49.
BGH 11 juli 1990, NJW 1990, p. 2550.
BGH 7 maart 1990, NJW 1990, p. 3012. Van gedeeltelijke onmogelijkheid is sprake bij de verplichting een computer (hardware) met standaard software te leveren als de verkoper wel de hardware, maar niet de software kan leveren, zie BGH 25 maart 1987, NJW 1987, p. 2004.
BGH 13 december 1991, NJW 1992, p. 1036.
Zie echter par. 8.2.4 waar ik de opvatting verdedig dat de rechter een vordering tot nakoming ambtshalve (gedeeltelijk) dient af te wijzen als nakoming absoluut onmogelijk is, ook als de schuldenaar zich niet op die onmogelijkheid heeft beroepen.
Als een schuldeiser zich heeft ingesteld op ontvangst van de volledige prestatie, zal hij bij een gedeeltelijke prestatie de overeenkomst mogelijk volledig in plaats van gedeeltelijk willen ontbinden of omzetten. Ook een schuldenaar kan er belang bij hebben in het geheel te worden ontheven van de verplichting tot nakoming en niet nog gedeeltelijk tot nakoming aangesproken te kunnen worden. In die gevallen is het voor de partij die het aangaat gunstig de gedeeltelijke onmogelijkheid met de volledige onmogelijkheid gelijk te stellen. De vraag is echter wanneer dat kan.
Voor de hand ligt om hierbij het subjectieve belang van de schuldeiser tot uitgangspunt te nemen, omdat de schuldeiser geen gedeeltelijke prestatie mag worden opgedrongen indien hij zich op het ontvangen van de volledige prestatie had ingesteld.1
In Duitsland is echter een tendens zichtbaar naar een objectivering van het oordeel over de rechtsgevolgen van gedeeltelijke onmogelijkheid, al wordt niet volledig geabstraheerd van het subjectieve schuldeisersbelang.2 Volgens de objectieve benadering is niet bepalend of de schuldeiser de gedeeltelijke onmogelijkheid al dan niet als volledige onmogelijkheid beschouwt, maar moet dit worden bepaald aan de hand van een objectieve uitlegnorm.3 In een geobjectiveerde benadering gaat het om de technische en juridische deelbaarheid van de prestatie. Bij het bepalen van de rechtsgevolgen van gedeeltelijke nietigheid, een onderwerp dat duidelijk parallellen met de gedeeltelijke onmogelijkheid vertoont, is door Hijma verdedigd dat een objectieve maatstaf moet worden gehanteerd in plaats van de hypothetische partijwil na te speuren.4 Volgens Hijma gaat het bij de beoordeling om de vraag of de gedeeltelijke nietigheid in een (on)verbrekelijk verband staat met het restant. Het gaat niet:5
(...) om de vraag of een afsplitsing juridisch denkbaar is, doch om de kwestie of zulk een in principe mogelijke afsplitsing — gelet op de inhoud en de strekking van de rechtshandeling - juridisch aanvaardbaar mag heten.
Als hulperiterium voor de geobjectiveerde uitlegmethode heeft Faust de denkstap voorgesteld of de nog mogelijke prestatie zinvol kan worden afgezet tegen een evenredig deel van de tegenprestatie. Als bijvoorbeeld één schoen van het gekochte paar tenietgaat, zal de gedeeltelijke onmogelijkheid met volledige onmogelijkheid moeten worden gelijkgesteld, omdat het deel van de prestatie dat nog mogelijk is niet correspondeert met de helft van de koopprijs.6
Bij een objectieve uitlegmethode zal minder snel tot gelijkschakeling van de gedeeltelijke onmogelijkheid met gehele onmogelijkheid worden geconcludeerd dan bij een invulling gebaseerd op het subjectieve schuldeisersbelang. Het niet te snel concluderen tot algehele onmogelijkheid is in het belang van de schuldenaar. Indien nakoming geheel onmogelijk is, is de schuldenaar per definitie overgeleverd aan volledige omzetting of ontbinding, omdat de tekortkoming, bestaande uit het geheel uitblijven van de prestatie, de ontbinding of omzetting zal rechtvaardigen. Bij gedeeltelijke onmogelijkheid kan de schuldenaar zich daarentegen tegen een vordering tot ontbinding of omzetting van de gehele verbintenis verweren met een beroep op de tenzij-formules (art. 6:265 lid 1 en art. 6:87 lid 2).7 Voorts ontleent de schuldenaar enige bescherming aan het verzuimvereiste dat in beginsel van toepassing is indien de schuldeiser op basis van een gedeeltelijke onmogelijkheid de gehele overeenkomst wil ontbinden of de verbintenis wil omzetten, maar dat bij volledige blijvende onmogelijkheid niet geldt (art. 6:81).
Bij het oordeel of de gedeeltelijke onmogelijkheid als volledige onmogelijkheid moet worden gezien, is het mijns inziens aanbevelenswaardig meer de nadruk te leggen op objectievere elementen dan op het subjectieve schuldeisersbelang om niet te snel tot gelijkschakeling te komen. De weging van het subjectieve schuldeisersbelang kan bij de toepassing van de specifieke remedies aan bod komen, bijvoorbeeld bij de vraag of gedeeltelijke onmogelijkheid de volledige omzetting van de verbintenis of de ontbinding van de gehele overeenkomst rechtvaardigt.8
Duitse uitspraken waarin de rechter gedeeltelijke onmogelijkheid heeft gelijkgesteld met volledige onmogelijkheid hebben een casuïstisch karakter. Met volledige onmogelijkheid is bijvoorbeeld gelijkgesteld: de verplichting tot levering van een boot zonder de toegezegde grijparm; hardware zonder de specifiek daarop toegespitste software; een onderbroken theater- of operavoorstelling; de verhuur van een kleiner oppervlak in een pakhuis dan toegezegd.9 Van gedeeltelijke onmogelijkheid is uitgegaan bij: gebleken ongeschiktheid van een door een detectivebureau ingezette privédetective, als de inzet van een andere detective voor de resterende observatieperiode nog succesvol kan zijn;10 het ontbreken van de specifieke programmatuurbeschrijving bij een computersysteem;11 ineenstorting van een deel van een gepacht gebouw als het overblijvende deel nog zelfstandige waarde heeft als pachtobject.12
Voor de gelijkschakeling van de gedeeltelijke onmogelijkheid met volledige onmogelijkheid is het irrelevant of nakoming absoluut dan wel relatief onmogelijk is. Het maakt derhalve geen verschil of vijf van de tien verkochte unieke zaken zijn tenietgegaan (absolute onmogelijkheid), of de prijs van de verkochte zaken tot meer dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang is gestegen (relatieve onmogelijkheid). In beide gevallen kan de schuldeiser slechts nakoming vorderen van het gedeelte ten aanzien waarvan de schuldenaar zich niet op de onmogelijkheid beroept.13 De schuldenaar kan zich in deze gevallen bevrijden door het nog mogelijke gedeelte na te komen — aangevuld met gedeeltelijke omzetting of ontbinding voor zover nakoming onmogelijk is — tenzij de gevolgen van de gedeeltelijke onmogelijkheid naar objectieve maatstaven bezien de gelijkschakeling met de volledige onmogelijkheid rechtvaardigen.