Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/4.2.2.b.ii
4.2.2.b.ii De <verwijzing id="id-4015a8f6-4afe-4bb2-a209-dd7fdba50638" linkstatus="valide">Schikking van Madridverwijzing>
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465276:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De volledige titel luidt: Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, van 14 april 1891 (Stb. 1893, 55), zoals herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te Den Haag op 6 november 1925, te Londen op 2 juni 1934, te Nice op 15 juni 1957 en te Stockholm op 14 juli 1967, Db. 1969, 143 (Nederlandse vertaling in Db. 1970, 186); zie laatstelijk Trb. 2006, 159. Na 1967 is de Schikking nog gewijzigd op 28 september 1979. Deze wijziging is doorgevoerd op de voet van art. 13 van de Schikking. Deze wijziging betreft art. 10 lid 2 onder a (v), en lid 4 onder a; zij trad op 23 oktober 1983 in werking (zie Trb. 1980, 33 (rubriek J) en Madrid (Marks) Notification No. 33 op
Art. 15 van het Verdrag van Parijs van 1883.
Reeds tijdens de Romeinse conferentie in 1886 werd hiertoe een voorstel gedaan, zie hierover Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 49 e.v.
Actes VP 1891, p. 33 (voorstel Zwitserland); p. 100 en 108 (Procès-verbaux); p. 196 (Actes signés). Vgl. in dit verband ook art. 9 lid 1 ('UAdministration du pays d'origine notifiera au Bureau international les annulations, radiations, renonciations, transmissions et autres changements qui se produiront dans la propriété de la mar-que')
Vgl. ook Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 64. Ook voor tekeningen en modellen is later, door de conferentie te Den Haag van 1925, een verdrag tot stand gebracht dat er toe strekt de verkrijging van bescherming in de aangesloten landen te vergemakkelijken: de Overeenkomst van Den Haag van 6 november 1925 betreffende het internationale depot van tekeningen of modellen van nijverheid (Stb. 1928, 196), herzien te Londen op 2 juni 1934, te Den Haag op 28 november 1960, aangevuld door de Aanvullende Akte van Monaco van 18 november 1961 en door de Aanvullende Akte van Stockholm van 14 juli 1967 (zie laatstelijk Trb. 2006, 160), en te Genève op 2 juli 1999 (Db. 2000, 102 en Trb. 2008, 55). Nadere gegevens zie Trb. 2000, 102 in rubriek J. De opstellers van dit verdrag kozen anno 1925 echter niet voor het Madrileense systeem, dat is gebouwd op een nationale basisinschrijving in een land van oorsprong, maar voor een direct internationaal depot bij het Bureau van Parijse Unie, en daarmee kozen zij ook -zonder discussie- voor volledige onafhankelijkheid van de verschillende nationale modelrechten die uit dit internationale depot voortvloeien, zie Actes VP 1925, p. 502504 (Rapport Sous-Commission VI); Ladas 1975, p. 914-917.
Zulks behoudens een kleine, in dit verband niet relevante toevoeging.
Zie alinea 388 hiervoor.
Actes SvM 1957, p. 73-74 en p. 82 (voorstel Frankrijk en Bureau).
Actes SvM 1957, p. 134-138 (tegenvoorstellen); p. 200-201 (Compte rendu de la Commission).
Zulks behoudens een kleine, in dit verband niet relevante schrapping.
Ook na deze vijijaarsperiode kan nog sprake zijn van afhankelijkheid, namelijk indien het merk in het land van oorsprong geen bescherming meer geniet ten gevolge een vóór het verstrijken van de vijf aarstermijn ingestelde rechtsvordering (art. 6 lid 3). Zie voorts Actes SvM 1957, p. 201-206 (Compte rendu de la Commission) over de problematiek van de basisinschrijving die tijdens de vijijaarsperiode wordt overgedragen aan iemand in een ander land, dat dan het nieuwe land van oorsprong wordt.
392. Schikking van Madrid. Bezien wij ten slotte de Schikking van Madrid van 14 april 1891 betreffende de internationale inschrijving van merken.1 Deze Schikking is een 'subverdrag' van het Verdrag van Parijs, een bijzondere overeenkomst in de zin van artikel 19 van het Verdrag van Parijs2 de bij de Madrileense Schikking aangesloten landen vormen een 'Union restreinte'. De Schikking werd tijdens de conferentie te Madrid in 1891 door een aantal Unielanden tot stand gebracht teneinde de verkrijging van merkbescherming in de aangesloten landen te vergemakkelijken.3
393. Madrileens systeem. Dat werkt kort gezegd als volgt. Wie beschikt over een merkinschrijving in zijn land van oorsprong (de `basisinschrijving'), kan, via de nationale administratie van dat land, bij het Bureau van de Parijse Unie een internationale inschrijving aanvragen. Deze internationale inschrijving werkt als een bundel van nationale inschrijvingsverzoeken in de verschillende aangesloten landen. Zo bespaart men zich de moeite van verschillende nationale inschrijvingen. Vanaf het tijdstip van deze internationale inschrijving is de bescherming van het merk in de aangesloten landen dezelfde als ware dit merk daar rechtstreeks gedeponeerd. De bundel valt aldus uiteen in verschillende nationale merkrechten, die ieder door het lokale merkenrecht worden beheerst. Deze merkrechten zijn evenwel afhankelijk van de basisinschrijving in het land van oorsprong. In de Schikking van Madrid van 1891 werd in artikel 6 bepaald:
"La protection résultant de l'enregistrement au Bureau international durera 20 ans à partir de cet enregistrement, mais ne pourra être invoquée en faveur d'une marque qui ne jouirait plus de la protection légale dans le pays d'origine."4
394. Aldus werd voor merken die krachtens deze Schikking zijn verkregen, een materiële-reciprociteitsuitzondering ingebouwd betreffende het bestaan van het recht.5
395. Nice 1957: voorstel onafhankelijkheid. Deze tekst is gedurende de opeenvolgende conferenties tot 1957 ongewijzigd gebleven.6 In dat jaar werd te Nice een conferentie gehouden, waarbij artikel 6 op de schop werd genomen. Gastland Frankrijk, dat wat betreft onafhankelijkheid in het merkenrecht ondertussen was omgegaan7, stelde samen met het Bureau van de Parijse Unie voor om het onafhankelijkheidsbeginsel in de Schikking van Madrid in te voeren.8
396. Belang van de `central attack'. Dat voorstel werd echter verworpen. Men was weliswaar niet gekant tegen het onafhankelijkheidsbeginsel, maar men wilde een bepaalde mate van afhankelijkheid behouden in verband met de zogenaamde `central attack', een aanval in rechte op de geldigheid van de basisinschrijving. Als een merk ten gevolge van zo'n aanval in zijn land van oorsprong geen bescherming meer geniet, kan aan de internationale inschrijving en de daarop berustende nationale inschrijvingen krachtens artikel 6 (ook) geen bescherming meer worden ontleend. De pijler onder de internationale inschrijving is dan weggeslagen. Deze mogelijkheid wilde men behouden. Tegenover de mogelijkheid voor de deposant om in één keer een bundel van nationale inschrijvingsverzoeken in te dienen, moest — zo vond men — voor concurrenten de mogelijkheid blijven bestaan om in één keer de geldigheid van al die inschrijvingen aan te vallen.9
397. Compromis Nice. Besloten werd tot een compromis, dat in artikel 6 werd neergelegd. Deze Nigoise regeling, die tot op heden niet is gewijzigd10, houdt kort gezegd in dat gedurende de eerste vijf jaar afhankelijkheid bestaat, en dat de internationale inschrijving en de daarop berustende nationale inschrijvingen daarna onafhankelijk zijn van het in het land van oorsprong ingeschreven merk.11 In de Schikking van Madrid is dus een substantiële materiële-reciprociteitsuitzondering blijven bestaan.