NJB 2025/1858:1. Lex mitior-beginsel bij sanctierecht, art. 1 lid 2 Sr: voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels over de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een daarin sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang – en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever over de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten – moet worden toegepast, als en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. Daarbij geldt dat bij een opeenvolging van verschillende wetswijzigingen moet worden bezien welke van de wettelijke bepalingen die opeenvolgend van kracht waren tussen de pleegdatum van het strafbare feit en het laatste rechterlijke oordeel voor de verdachte het gunstigst was. In de periode van 1 januari 2020 tot 1 januari 2023 hebben meerdere wetswijzigingen plaatsgevonden betreffende (onder meer) de mogelijkheden van het opleggen van vervangende jeugddetentie in relatie tot de schadevergoedingsmaatregel in jeugdzaken en van de toepassing van gijzeling bij het niet-voldoen van een schadevergoedingsmaatregel in jeugdzaken. De Hoge Raad gaat uitgebreid in op de lastig te beantwoorden vraag of de vanaf 1 januari 2023 geldende regeling ten gunste van de verdachte werkt. 2. Klacht over deel bewezenverklaring op grond van art. 7 lid 1 WVW: de Hoge Raad onthoudt zich van bespreking daarvan omdat ook als het bestreden onderdeel van de bewezenverklaring over de ‘hulpeloze toestand’ vervalt, de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet wordt aangetast, terwijl ook de kwalificatie van het bewezenverklaarde ongewijzigd blijft.