Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/8.4.2
8.4.2 Inzicht in de door de Nederlandse accountantsorganisaties gehanteerde materialiteit bij OOB’s over tijd
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS609846:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De absolute weergegeven materialiteit wordt in het merendeel van de accountantsverklaringen in Euro’s weergegeven, een enkele keer in Dollars of Ponden. Om de vergelijkbaarheid te bevorderen zijn de bedragen omgerekend naar Euro’s.
In de categorie ‘winst voor belasting’ vallen ook variaties van winst op belasting zoals earnings before interest and tax (‘EBIT’) en earnings before interest, tax, depreciation and amortization (‘EBITDA’).
In de categorie overig valt bijvoorbeeld interest margin en balanstotaal. De categorie overig is niet meegenomen in verband met de grote verscheidenheid van de data in deze categorie waardoor vergelijkingen binnen de categorie niet mogelijk zijn.
Met de benchmark ‘omzet’ wordt bij verzekeraars verwezen naar de premieopbrengsten van de verzekeraar.
Deze dalende gemiddelde materialiteit van de benchmark winst bij de beursvennootschappen heb ik nader bestudeerd en uitgesplitst voor de Big-4 accountantsorganisaties. Dat onderzoek is gepubliceerd in Eijkelenboom 2019. Ik vond dat de materialiteit die de verschillende Big 4-accountantsorganisaties hanteerden in boekjaar 2014 meer van elkaar verschilde dan in boekjaar 2017. “Zo hanteerden Deloitte, KPMG, PwC en EY in boekjaar 2014 een gemiddelde materialiteit over de in het onderzoek betrokken beursvennootschappen van respectievelijk 7.7 %, 5.9 %, 4.7 % en 3.8 %. In boekjaar 2017 was dit, 6.0 %, 5.0 %, 5.0 % en 4.5 %. Elke Big 4-accountantsorganisatie hanteerde in boekjaar 2017 een gemiddelde materialiteit bij de in het onderzoek betrokken beursvennootschappen die dichter bij de 5 % lag dan in boekjaar 2014. Mogelijk draagt transparantie over de materialiteit in de controleverklaring bij aan het uniformeren van de materialiteit over de tijd.” (Eijkelenboom 2019).
De gemiddelde materialiteit in boekjaar 2016 en 2017 wordt in sterke mate beïnvloed door ÉÉn van de banken waarvan de materialiteit 10% is. Zonder deze waarneming is de gemiddelde materialiteit in boekjaar 2016, 4,64%, en in boekjaar 2017 5,01%.
Zie voor details over de benchmark ‘omzet’ en ‘eigen vermogen’ van de in de in het onderzoek betrokken beursvennootschappen bijlage H.
Voor details over de benchmarks ‘omzet’ en ‘eigen vermogen’ van de in de in het onderzoek betrokken banken verwijs ik naar bijlage H in verband met de geringe hoeveelheid waarnemingen.
Voor details over de benchmark ‘winst voor belasting’ van de in de in het onderzoek betrokken verzekeraars verwijs ik naar bijlage H in verband met de geringe hoeveelheid waarnemingen.
NBA 2015, p. 7.
Bij de in het onderzoek betrokken verzekeraars wordt naast de benchmark ‘winst voor belasting’ ook de benchmark ‘omzet’ door ongeveer een derde van de in het onderzoek betrokken verzekeraars gebruikt. Bij de in het onderzoek betrokken banken maakt ongeveer een vijfde gebruik van de benchmark ‘eigen vermogen’.
Bij 6 van de 23 in het onderzoek betrokken banken, 20 van de 56 in het onderzoek betrokken beursvennootschappen en 22 van de 83 in het onderzoek betrokken verzekeraars wordt er ÉÉn of meerdere keren van benchmark gewisseld tijdens de vier boekjaren. In het merendeel van de gevallen viel de wissel van benchmark samen met een verandering van de accountantsorganisatie en/of accountant.
Amiram e.a. 2017, p. 7. Zie voorts bijlage H voor de materialiteitsgegevens van de in dit onderzoek betrokken OOB’s.
Voor beursvennootschappen is dat ‘winst’, voor de verzekeraars ‘eigen vermogen’.
Zie bijlage H. De mediaan van de door beursvennootschappen gehanteerde materialiteit blijft gedurende de vier boekjaren gelijk. De spreiding van de waarnemingen neemt af doordat de laagst waargenomen materialiteit stijgt gedurende de vier boekjaren, terwijl de hoogste materialiteit gelijk blijft en in boekjaar 2017 daalt.
Jaarverslag Koninklijke BAM Groep N.V. 2016, p. 219.
Jaarverslag Koninklijke DSM N.V. 2015, p. 199.
Jaarverslag Randstad N.V. 2017, p. 190.
Hierbij is het opvallend dat een beroep op volatiliteit van de bedrijfsresultaten door accountants van verschillende accountantsorganisaties kan leiden tot de keuze voor verschillende benchmarks bij dezelfde vennootschap.
Uit de accountantsverklaringen van de in het onderzoek betrokken OOB’s heb ik de materialiteit, benchmark en de toelichting op de materialiteit geselecteerd.1 De gegevens over de materialiteit heb ik, in navolging van het NBA onderzoek, onderverdeeld in vier categorieën te weten (i) winst voor belasting2 (ii) eigen vermogen (iii) omzet en (iv) overig.3 De materialiteit is alleen met elkaar vergeleken indien de benchmark over ten minste twee boekjaren gelijk is. Een volledig overzicht van de materialiteitsgegevens van de in het onderzoek betrokken OOB’s is opgenomen in bijlage H. In deze paragraaf licht ik de bevindingen uit accountantsverklaringen nader toe.
Figuur 15 bevat een overzicht van het gebruik van de door de accountant gebruikte benchmarks bij de verschillende in het onderzoek betrokken OOB’s. De meest voorkomende benchmark bij de in het onderzoek betrokken banken en beursvennootschappen is ‘winst voor belasting’. Bij de in het onderzoek betrokken verzekeraars is ‘eigen vermogen’ de meest gebruikte benchmark. Bij verzekeraars en beursvennootschappen wordt ook de benchmark ‘omzet’ relatief veel gebruikt, bij banken komt naast winst ook de categorie ‘eigen vermogen’ relatief vaak voor.4
Figuur 16 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de meest gebruikte benchmark van de OOB’s gedurende de boekjaren. De gemiddelde materialiteit van ‘winst voor belasting’ bij de in het onderzoek betrokken beursvennootschappen vertoont een dalende trend van 5,69% in boekjaar 2014 naar 5,10% in boekjaar 2017.5 Bij de banken stijgt de gemiddelde materialiteit van ‘winst voor belasting’ na boekjaar 2015 tot 5,32% in boekjaar 2017.6 De gemiddelde materialiteit van ‘eigen vermogen’ van de in het onderzoek betrokken verzekeraars schommelt in de vier boekjaren rond de 2,00% en is in boekjaar 2017 gelijk aan boekjaar 2014.
De gemiddelde benchmark van ‘winst voor belasting’ is lager bij de in het onderzoek betrokken beursvennootschappen die wisselen van accountant en/of accountantsorganisatie dan bij de beursvennootschappen waarbij geen verandering van accountant en/of accountantsorganisatie is. Hoewel de mediaan van de categorie ‘winst voor belasting’ gedurende de vier boekjaren op 5,00% blijft neemt de spreiding van de waarnemingen af doordat de laagst waargenomen materialiteit stijgt gedurende de vier boekjaren.7 Anders dan bij de in het onderzoek betrokken beursvennootschappen, ligt de gemiddelde materialiteit bij de in het onderzoek betrokken banken na een wissel van accountantsorganisatie en accountant in boekjaar hoger dan bij de banken waarvan de accountantsorganisatie en accountant gelijk blijven.8 In boekjaar 2017 is de gemiddelde materialiteit van een in het onderzoek betrokken bank bij een wissel van accountantsorganisatie of accountant lager. Bij de in het onderzoek betrokken verzekeraars ligt de gemiddelde materialiteit in geval van een wissel van een accountantsorganisatie of accountant lager dan wanneer er geen sprake is van een wissel van accountantsorganisatie of accountant.9
Bij gelijkblijvende omstandigheden zou de materialiteit in theorie onveranderd blijven, ook in geval van wisseling van de accountant of accountantsorganisatie. De gebruiker van de jaarrekening is immers het uitgangspunt voor de accountant bij het bepalen van de materialiteit en de gebruiker verandert niet. Doordat de professionele oordeelsvorming van de accountant een belangrijke rol speelt bij de totstandkoming van de materialiteit en de accountant zowel kwantitatieve als kwalitatieve elementen dient mee te wegen, ligt het in de verwachting dat er in de praktijk verschillen ontstaan in de gehanteerde materialiteit over de jaren en tussen accountants en accountantsorganisaties. Een verandering van materialiteit zal dan ook vooral bij een wisseling van accountantsorganisatie voorkomen. Een wijziging van het percentage dat behoort bij de benchmark waarop de materialiteit is gebaseerd is daarbij waarschijnlijker dan een verandering van benchmark. Uit het literatuuronderzoek volgt dat de meest gebruikte benchmark ‘winst voor belasting’ is, en dat het gebruik van andere benchmarks beperkter is.10 Dit beeld wordt bevestigd in het onderzoek naar de accountantsverklaringen.11 De benchmarks bij de OOB’s vertonen veranderingen in de praktijk.12 Bij de keuze voor de benchmark wordt in de accountantsverklaring een toelichting verstrekt. Een voorbeeld is Fugro N.V. waar in de accountantsverklaring bij de jaarrekening uit boekjaar 2016 wordt opgemerkt dat de benchmark veranderd is van ‘winst’ naar ‘omzet’ in verband met de volatiliteit van de bedrijfsresultaten.
In de praktijk kiest de accountant de geschikte benchmark en bepaalt hij vervolgens het bijpassende percentage. In de praktijk ligt dit percentage tussen de 0 en 10% van de benchmark.13 Bij de benchmark ‘winst’ schommelt de gemiddelde materialiteit bij de in het onderzoek betrokken OOB’s over de vier onderzochte boekjaren rond de 5%, bij ‘omzet’ en ‘eigen vermogen’ schommelt dat gemiddelde respectievelijk rond de 1% en de 2%. Bij de in het onderzoek betrokken beursvennootschappen en verzekeraars neemt de gemiddelde materialiteit gedurende de onderzochte periode af bij de meest gebruikte benchmark.14 Zo daalt de gemiddelde materialiteit van ‘winst’ bij de in het onderzoek betrokken beursvennootschappen van 5,7% in boekjaar 2014 naar 5,1% in boekjaar 2017.15 Deze bevindingen duiden erop dat de diepgang van de controlewerkzaamheden toeneemt. Dat zou een indicatie voor een toename van de kwaliteit van de controlewerkzaamheden kunnen zijn. De afname van de gemiddelde materialiteit over tijd is in lijn met het beoogde effect van de kwaliteitsbevorderende maatregelen om de kwaliteit van de controlewerkzaamheden te bevorderen. Wanneer in de ontwikkeling van de materialiteit rekening wordt gehouden met de roulaties van accountantsorganisaties en externe accountants blijkt dat de gemiddelde materialiteit van de meest gebruikte benchmarks bij de in het onderzoek betrokken OOB’s na wisseling van de accountantsorganisatie gedurende de gehele onderzoeksperiode lager is dan wanneer er geen wisseling plaatsvindt. Deze waarneming is in lijn met de hiervoor door mij geuite verwachting. Een gemiddeld lagere materialiteit na roulatie impliceert een grotere diepgang bij de controlewerkzaamheden door de (nieuwe) accountantsorganisatie en/of accountant. Voor deze waarneming zijn verschillende verklaringen mogelijk.
Zo zou de door de accountant gehanteerde materialiteit onderdeel kunnen zijn van de besluitvorming rondom de benoeming van een nieuwe accountant door de auditcommissie wat de accountantsorganisatie een prikkel zou kunnen geven tot het aanbieden van een lage(re) materialiteit (dan de voorganger). Binnen elke accountantsorganisaties bestaan richtsnoeren die de accountant bij de bepaling van materialiteit gebruikt. De auditcommissie zou op basis van de materialiteitsgegevens de beoogde diepgang van de controlewerkzaamheden van de verschillende accountantsorganisaties met elkaar kunnen vergelijken. Voorts zou de audit commissie de materialiteitsgegevens in relatie tot de audit fee kunnen bezien. De audit commissie kan daarmee inzicht verkrijgen in de meest optimale verhouding tussen diepgang en kosten van de controlewerkzaamheden. Een andere reden voor de dalende materialiteit kan zijn dat dat de auditcommissie de materialiteit meeweegt met het oog op het verkleinen van reputatie of aansprakelijkheidsrisico’s bij constatering van eventuele fouten. Door de uitgebreide accountantsverklaring verstrekken accountants meer informatie over de controlewerkzaamheden, waardoor er meer informatie in de markt beschikbaar is over de wijze waarop en de mate van diepgang waarmee verschillende accountantsorganisaties controlewerkzaamheden verrichten. Hier vloeit mogelijk een prikkel uit voort voor accountantsorganisaties om de materialiteit aan te passen. Een verklaring voor de gemiddeld lagere materialiteit na wisseling van de accountantsorganisatie is wellicht ook dat de nieuwe accountant met (nog) meer diepgang wil controleren dan zijn voorganger om zo eventuele onnauwkeurigheden of fouten te achterhalen.
Met de uitbreiding van de accountantsverklaring beoogden wet- en regelgever bij te dragen aan het inzicht van de gebruiker van de jaarrekening in de controlewerkzaamheden. Het is daarom opmerkelijk dat de toelichting op de keuze voor de materialiteit door de accountant in vrijwel alle gevallen uit een standaardformulering bestaat. In de accountantsverklaringen van de in het onderzoek betrokken OOB’s bestaat de toelichting op de door de accountant gekozen materialiteit veelal uit de volgende formulering: “op basis van onze professionele oordeelsvorming hebben wij de materialiteit voor de jaarrekening als geheel bepaald op X EURO. Voor de bepaling van de materialiteit wordt uitgegaan van benchmark X. Wij beschouwen deze benchmark als de meest geschikte benchmark”. Door gebruik te maken van deze standaardformulering verschaft de accountant wel een beschrijving van de door hem bij de controle gehanteerde materialiteit, maar ontbreekt nadere toelichting of onderbouwing. Voor de gebruiker van de jaarrekening kan de (onderneming)specifieke toelichting echter een belangrijke informatiebron vormen over de wijze waarop de accountant zijn controlewerkzaamheden heeft verricht. Een voorbeeld van een specifieke toelichting op de materialiteit staat in de accountantsverklaring bij de jaarrekening van BAM uit 2016:
“Based on our analyses of the common information needs of users of the financial statements, we consider profit before tax the most appropriate benchmark to determine materiality. However, profit before tax has been volatile in recent years and is not yet at a representative level, given the size of the business. For this reason we considered revenues to be a more appropriate benchmark to determine the materiality. The percentage applied is 0.5 per cent, which is at the lower end of an acceptable range. This materiality is subsequently allocated to and used in the audits of the local operating companies. Since this is our first year as auditors of BAM, we also compared these actual materiality levels used in the audits of local operating companies to the materiality used by the predecessor auditor at local operating company level and noted that materiality levels are not materially different.”16
Indien de materialiteit wijzigt kan de toelichting op deze wijziging door de accountant het inzicht dat gebruikers van de jaarrekening hebben in de controlewerkzaamheden bevorderen. En daardoor kan de toelichting mogelijk ook bijdragen aan de door de gebruiker van de jaarrekening gepercipieerde kwaliteit van de controlewerkzaamheden. De accountantsverklaring bij de jaarrekening van Koninklijke DSM N.V. in 2015 bevat een voorbeeld van aandacht van de accountant voor verandering van de materialiteit na wisseling van de accountantsorganisatie.
“Based on our professional judgment we determined the materiality for the financial statements as a whole at € 25 million (2014 EY: € 44 million). The materiality is determined with reference to profit before tax from continuing operations, before exceptional items, of which it represents 5.2%. In addition, the appropriateness of the materiality was assessed by comparing the amount to consolidated net sales from continuing operations of which it represents 0.3% (2014 EY: 0.5%). We have also taken into account misstatements and/or possible misstatements that in our opinion are material for qualitative reasons for the users of the financial statements.”17
De accountant dient er in de toelichting wel voor te waken dat deze verhelderend werkt. Zo kan bij de toelichting op de wijziging van de materialiteit in de accountantsverklaring bij de jaarrekening van Randstad uit 2017 mogelijk onduidelijkheid bestaan over of de accountant verwijst naar de algehele materialiteit of uitvoeringsmaterialiteit.
“Based on our professional judgement we determined the materiality for the financial statements as a whole at € 50 million. The materiality is based on 6% of Income before taxes. We have also taken into account misstatements and/or possible misstatements that in our opinion are material for the users of the financial statements for qualitative reasons. In the previous year materiality was determined for the financial statements as a whole at € 30 million, based on 4% of Income before taxes. Generally, when using Income before taxes as a benchmark, a percentage is applied towards the lower end in the range of 5% to 10%. In the first two years, we worked with a reduced materiality level as we had been recently appointed. As this is our third year, we believe that current materiality level reflects what is considered important for the users of the financial statements and reflects the level of activity of the company.”18
Slechts in enkele gevallen bevat de accountantsverklaring een (summiere) ondernemingspecifieke toelichting op de wijziging van de benchmark. Een voorbeeld hiervan is Koninklijke Philips N.V. waarbij in de accountantsverklaring bij de jaarrekening van boekjaar 2016 staat dat de benchmark wisselt in verband met de afsplitsing van Philips Lightning N.V. Ook de volatiliteit van de bedrijfsresultaten dient in meerdere accountantsverklaringen – bijvoorbeeld in de accountantsverklaringen van Fugro N.V. en Koninklijke KPN N.V. – als onderbouwing van de keuze van de accountant voor benchmark.19
De uitgebreide accountantsverklaring bij OOB’s bevat meer tekst dan zij voor de verplichte uitbreiding bevatte. Het is mijns inziens echter de vraag of de uitbreiding ook evenredig informatiever is. De toelichting op de door de accountant gehanteerde materialiteit bij de controlewerkzaamheden is in de meeste gevallen meer een beschrijving van, dan een toelichting op de keuze voor de gekozen materialiteit. Tevens valt op dat de informatie in de accountantsverklaring vooral betrekking heeft op de in dat boekjaar uitgevoerde controlewerkzaamheden en de daarbij gehanteerde materialiteit. Slechts in enkele gevallen is in de accountantsverklaring een toelichting op eventuele veranderingen ten opzichte van het vorige boekjaar opgenomen. Ook wordt in de accountantsverklaring de nadruk gelegd op de absolute waarde van de door de accountant gehanteerde materialiteit terwijl de absolute waarde met betrekking tot het inzicht in de diepgang van de controle ondergeschikt is aan de relatieve waarde van de materialiteit. Om de informatiewaarde van de accountantsverklaring (verder) te verhogen zouden accountants in de accountantsverklaring aandacht kunnen besteden aan de ontwikkeling van de materialiteit over de tijd en de accountantsverklaring van meer (op de vennootschap toegeschreven) toelichting te voorzien. Overigens is het gebruik van gestandaardiseerde formuleringen, en het ontbreken van op de vennootschap toegeschreven verklaringen begrijpelijk in het licht van het spanningsveld dat bestaat tussen de informatie die de accountant verstrekt en de aansprakelijkheidsrisico’s die hij daarvoor loopt. Voorts kan beargumenteerd worden dat verdere uitbreiding van de accountantsverklaring het voor de gebruiker van de jaarrekening wellicht lastiger maakt om de werkzaamheden van de accountant te doorgronden. Desalniettemin belemmert het gebruik van standaardteksten eveneens de door wet- en regelgever beoogde vergroting van inzicht in de controlewerkzaamheden.