Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.6.3.2:II.6.3.2 Andersoortige gevallen: medeplegen
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.6.3.2
II.6.3.2 Andersoortige gevallen: medeplegen
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460403:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Maar let wel, de aanwezigheid van andere, hogergeplaatste feitelijk leidinggevenden (die niet worden vervolgd) is geen belemmering voor het daderschap voor de aangesproken leidinggevende.
HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443.
Hierin tekent het onderscheid zich af tussen directe en indirecte vormen van deelneming. Zie hieromtrent: De Hullu 2018, par. VII.7.4 en De Jong 2007, p. 115, Sikkema 2010, 65.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Feitelijk leidinggeven maakt de andere deelnemingsvormen echter niet overbodig. Medeplegen kan bij het aansprakelijk stellen van leidinggevenden voor milieudelicten in bepaalde gevallen meerwaarde hebben ten opzichte van feitelijk leidinggeven en plegen. Dit zal vooral het geval zijn in de meer atypische gevallen, namelijk situaties waar de leidinggevende functie van de aangesproken leidinggevende geen bestaansvoorwaarde maar eerder een bijkomstigheid is bij het begaan van het strafbare feit.
Een situatie waarin medeplegen meerwaarde heeft ten opzichte van feitelijk leidinggeven, is wanneer de andere betrokkenen bij het strafbare feit geen ondergeschikten zijn, maar dat het gaat om (rechts)personen waarover de leidinggevende geen (feitelijke) zeggenschap heeft.1 Dat kan bijvoorbeeld als de ander een hoge(re) positie bekleedt binnen de organisatie, of wanneer degene met wie de leidinggevende het strafbare feit begaat geen onderdeel is van het bedrijf waar de leidinggevende werkzaam is. In zo’n geval is er geen sprake van de hiërarchische structuur ten aanzien van de verboden gedraging die kenmerkend is voor feitelijk leidinggeven. Het handelen van de leidinggevende kan beter worden geduid als nauwe en bewuste samenwerking gericht op het begaan van een strafbaar feit. In een dergelijk geval heeft medeplegen ook meerwaarde ten opzichte van functioneel plegerschap, omdat de acties van een (relatief autonoom opererende) medepleger niet aan de leidinggevende kunnen worden toegerekend.
Een ander voordeel dat medeplegen heeft ten aanzien van feitelijk leidinggeven, is dat er geen specifiek accessoriteitsvereiste geldt. Oftewel, het is voor medeplegen niet vereist dat de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Dus wanneer de leidinggevende in (nauwe en bewuste) samenwerking met een ander een strafbaar feit pleegt, zonder dat de gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon, dan kan de leidinggevende mogelijk wel als medepleger maar niet als feitelijk leidinggever worden aangesproken.
Een hypothetisch voorbeeld: stel dat een afdelingshoofd en een werknemer van een kantoorartikelengroothandel samen in het geheim buiten openingstijden de opslagruimte en het terras van de groothandel gebruiken voor horecadoeleinden. Als zij hierbij de horecavoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer schenden, is er sprake van een economisch delict. Omdat horeca buiten de normale bedrijfsvoering van het bedrijfsvoering van de groothandel valt, omdat de groothandel niet gebaat is bij de horeca en omdat de activiteiten ook niet door de groothandel zijn aanvaard, kan het economische delict niet in redelijkheid worden toegerekend aan de rechtspersoon. Aansprakelijkheid wegens feitelijk leidinggeven loopt dan vast op het accessoriteitsvereiste. Het afdelingshoofd en de werknemer kunnen echter wel aansprakelijk worden gesteld als medeplegers.
Medeplegen kan ook uitkomst bieden wanneer niet kan worden achterhaald wie precies welk deel van het strafbare feit voor zijn rekening heeft genomen, maar wel bewezen kan worden dat de leidinggevende nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen die als collectief een strafbaar feit begaan. Bij medeplegen ligt het accent immers op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.2 In dat kader is ook van belang dat de delictsbestanddelen verdeeld kunnen worden over medeplegers, hetgeen niet mogelijk is bij feitelijk leidinggeven.3
Ten slotte zou medeplegen ook een geschikte daderschapsvorm kunnen zijn in situaties waarin het bestuur van een vennootschap collectief besluiten om een verboden gedraging te (doen) verrichten. Bij dergelijke gezamenlijke beslissingen ontbreekt een duidelijke initiatiefnemer of een hiërarchische verhouding tussen de betrokkenen die kenmerkend is voor functioneel plegen en feitelijk leidinggeven, waardoor het mogelijk beter past te stellen dat er sprake is van ‘nauwe en bewuste samenwerking’ van bestuursleden gericht op het tot stand komen van het strafbare feit.