RCR 2024/43:Consumentenovereenkomsten. Is het in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel om art. 6 lid 1 en art. 7 lid 1 Richtlijn 93/13/EEG aldus uit te leggen dat de verjaringstermijn van de vordering tot restitutie van op grond van een oneerlijk beding betaalde bedragen pas begint te lopen nadat dat beding bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak nietig is verklaard? Verzetten art. 6 lid 1 en art. 7 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG zich ertegen dat de datum van de arresten van de hoogste gerechtelijke instantie in een land waarin rechtspraak over terugbetalingsplicht is ontwikkeld, moet worden beschouwd als de aanvangsdatum van de verjaringstermijn?