Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/2.3.1:2.3.1 Prestatiemaatstaven bij verschillende vormen van decentrale besturing
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/2.3.1
2.3.1 Prestatiemaatstaven bij verschillende vormen van decentrale besturing
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605426:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een multidivisionele organisatiestructuur kan de autonomie van de divisies variëren. Op basis hiervan worden verschillende financiële prestatiemaatstaven voor de divisieleiding gehanteerd.
Indien een divisie geen invloed kan of mag uitoefenen op de vraag naar haar producten, en bijvoorbeeld alleen mag werken ten behoeve van andere divisies, wordt zij door Kaplan en Atkinson (1989) aangeduid als een ‘kostencentrum’. Daarentegen is sprake van een ‘winstcentrum’ indien een divisie de omvang van haar activiteiten kan beïnvloeden en tevens de voorwaarden kan bepalen waartegen haar afzet plaatsvindt. Daarbij zal de divisie ook verantwoording moeten afleggen over de gemaakte kosten en de behaalde winst. De meest vergaande vorm in termen van autonomie is het ‘investeringscentrum’. Daarvan is sprake indien de divisie niet alleen beslist over kosten en winst, maar ook over investeringen in productiemiddelen en werkkapitaal. Een investeringscentrum is eigenlijk als een zelfstandige organisatie te beschouwen.
Williamson (1985) duidt de organisatie waarin de divisies deze vrijheid hebben aan met de ‘H-vorm’, ofwel ‘holding company’. Bij deze vorm speelt het topmanagement alleen een rol als aandeelhouder. Zolang de resultaten van de divisies voldoende zijn, zal het topmanagement niet ingrijpen. Wanneer die resultaten echter achterblijven, zou het topmanagement kunnen besluiten tot vervanging van de divisieleiding of tot verkoop van de divisie. Bij deze H-vorm ontbreekt de organisatorische verbondenheid. In feite vormen deze bedrijven geen ‘concern’, maar een ‘conglomeraat’.
Emmanuel, Otley en Merchant (1990) noemen drie criteria waaraan het administratieve informatiesysteem moet voldoen om ervoor te zorgen dat er binnen een multidivisionele organisatie uniforme doelen worden nagestreefd. In de eerste plaats dient de divisieleiding betrokken te zijn bij de vaststelling van de interne prestatiemaatstaven. Voorts moet er geen strikt verband bestaan tussen de beloning van de divisieleiding en de financiële prestatiemaatstaf. Ten slotte moeten de prestaties op een flexibele wijze worden geëvalueerd, met inachtneming van een lange termijnhorizon. Indien niet aan deze criteria wordt voldaan, denken Emmanuel, Otley en Merchant dat de leiding geneigd zal zijn alleen in het belang van de eigen divisie te handelen, en niet in het belang van de totale onderneming. Afwezigheid van beleid dat op doelcongruentie is gericht, kan naar mijn mening een teken zijn dat de divisies als zelfstandige, niet-gerelateerde bedrijven moeten worden beschouwd. Van organisatorische verbondenheid lijkt dan geen sprake.