WFR 2025/109
Maatschappelijke verantwoordelijkheid als opdracht
Mr. L.J.A. Pieterse, datum 07-04-2025
- Datum
07-04-2025
- Auteur
Mr. L.J.A. Pieterse1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD4607:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mr. L.J.A. (Rens) Pieterse is verbonden aan de Universiteit Leiden en de Vrije Universiteit Amsterdam.
Vgl. WFR 1980/5469, p. 1049.
“Er is een belangrijke rol voor de wetenschap weggelegd bij het oplossen van (…) maatschappelijke problemen”, zo valt te lezen in het artikel: ‘De nood is hoog! Over het belang van juridisch-dogmatisch onderzoek en het bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke opgaven’, Ars Aequi 2023, afl. 9, p. 704.
Laurens Berentsen, ‘SER brengt advies uit over simpeler belastingstelsel’, Het Financieele Dagblad 22 maart 2025, p. 6.
Kees van den Bos, Elkaar eerlijk behandelen, Den Haag: Boom juridisch 2023.
Zie zijn bijdrage die elders in dit nummer is opgenomen.
Zie daarover in kernachtige, maar informatieve zin: D.J.J. Altena, ‘Verbetering fiscale rechtshulp: Belangenbehartiger gestart’, WFR 2025/73, p. 28.
Zie de Contourennota constitutionele toetsing, die op 21 februari 2025 is verschenen, en onder meer is besproken door T. Barkhuysen, ‘Contourennota constitutionele toetsing: het glas is halfvol’, NJB 2025/411, afl. 8, p. 545, en G.J.M. Corstens, ‘Het onzalige idee van een constitutioneel hof’, NJB 2025/538, afl. 10, p. 757-759.
Zie daarover par. 4.3.5 van het onlangs verschenen Geschrift nr. 264 van de Vereniging voor Belastingwetenschap.
P.G.H. Albert, ‘Suggesties ter vergroting van de relevantie van de belastingkamer van de Hoge Raad’, NTFR 2025/342, p. 1-2, waarin hij te kennen geeft dat de Hoge Raad alle zaken waarin hij kan steunen op een conclusie van de advocaat-generaal binnen één jaar zou moeten afdoen (p. 1).
ABRvS 22 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535-3536.
J.C.A. de Poorter & L.M. Koenraad, ‘Responsieve bestuursrechtspraak’, NJB 2022/1072, afl. 17, p. 1354.
Een thema dat hij in de Essersbundel heeft uitgewerkt: ‘Maar hoe moet het dan wel? Of: de dialoog van de staatsmachten’, in: Essersbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 315 e.v.
Elke taal “is ontoereikend omdat ons bewustzijn dat is”, zo merkt Roos van Rijswijk trefzeker op in haar verhalenbundel: De dwaler, Amsterdam: Querido 2021, p. 7.
‘Joop van Lunteren heeft belastingplichtige helpen veranderen van “dossier” in “gezicht”’, WFR 2000/661.
P.H.J. Essers, ‘Het is tijd voor een minister van Fiscale Zaken’, WFR 1998/449.
HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, r.o. 5.4.9.
L.G.M. Stevens, ‘De struikelgang naar een belasting over werkelijk inkomen uit vermogen’, WFR 2025/64, par. 4.1.
Verslag van het WFR Fiscaal Café van 20 maart 2025.
In een van de zalen van sociëteit De Witte, een bepaald stijlvolle, aan het Haagse Plein gelegen locatie, kwamen op donderdagmiddag 20 maart jl. vele belangstellenden samen om van gedachten te wisselen over de vraag of fiscalisten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus nemen, een thema dat L.G.M. Stevens had bedacht om zijn afscheid als redacteur van het Weekblad op te luisteren. Bij dit blad is hij geruime tijd betrokken geweest. Zijn naam prijkte op 2 oktober 1980 voor het eerst in het colofon, nadat hij gehoor had gegeven aan de uitnodiging om deel uit te gaan maken van de redactiecommissie. In hetzelfde nummer sprak de toenmalige redactie, met A.J. van den Tempel als voorzitter, de wens uit dat Stevens, die toen al geregeld publiceerde in het Weekblad, de uitgave gedurende vele jaren mede zal dragen.2 Dat deze wens in vervulling is gegaan, mag een understatement worden genoemd.
De grote verdiensten van de aftredende redacteur werden opgesomd door uitgever Stephanie Keij, die namens Wolters Kluwer het WFR Fiscaal Café opende. Voor Stevens, die zich gelukkig prees met de amicale verhoudingen die hij in de redactie van het Weekblad had mogen ervaren, is samenwerking cruciaal om maatschappelijke problemen op te lossen,3 zo zette hij uiteen toen hij de vloer kreeg en het thema van de middag nader introduceerde. In dat verband wees hij erop dat fiscalisten, in het bijzonder als zij als wetenschapper fungeren, een maatschappelijke opdracht hebben, en als er iemand is die daaraan invulling heeft gegeven, is het Stevens, aldus een van de inleiders, die later aan het woord kwam.
Als eerste spreker fungeerde K. Putters, een inmiddels bekende landgenoot. In de Sociaal-Economische Raad (SER), waarvan hij momenteel voorzitter is, heeft hij enige tijd met Stevens samengewerkt, toen laatstgenoemde daarvan kroonlid was. Zijn geestdrift en bevlogenheid zijn hem bijgebleven, en Stevens wordt eigenlijk gemist, zo kon men Putters later op de middag horen zeggen. Meer inhoudelijk benadrukte Putters, die ook hoogleraar brede welvaart aan de Tilburgse universiteit is, dat beleid, ook het fiscale, zal moeten aansluiten bij de belevingswereld van de samenleving, en dat vraagt om daarbij passende, sterk vereenvoudigde en uitvoerbare belastingwetgeving, die tot stand zou moeten komen via een maatschappelijke dialoog, en daarvoor is de SER volgens de spreker bij uitstek geëquipeerd. In dat kader is het belangrijk aandacht te schenken aan tal van aspecten, zoals de mogelijkheid om de menselijke maat een grotere rol in de uitvoering te geven, hoewel deze aanpak op gespannen voet kan staan met de eisen van gelijkheid en rechtseenheid, zoals P.H.J. Essers opmerkte in zijn bijdrage aan de discussie. Dat de toegankelijkheid van de Belastingdienst moet worden verbeterd, zoals Putters ook betoogde, zal vrijwel iedereen beamen. De beschikbaarheid van voldoende adequate rechtshulp is een ander aspect dat Putters agendeerde; het belang daarvan onderstreepte M.B.A. van Hout, toen zij tijdens de plenaire discussie werd gevraagd haar ervaringen met fiscale rechtshulp te delen – via deelname aan de landelijke aangiftedag en andere initiatieven kunnen fiscalisten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Die verantwoordelijkheid neemt de SER ook. Deze raad heeft onlangs een adviescommissie ingesteld met als doel om tot een eenvoudiger belasting- en toeslagenstelsel te komen, een initiatief dat – door toedoen van een in de zaal aanwezige journalist – prompt de kolommen van een krant haalde.4 De commissie zal ook zoeken naar mogelijkheden om de lasten op arbeid te verlagen, zodat werk meer lonend zal worden, maar bij wie de rekening van deze lastenverlichting moet worden neergelegd, bleef in het midden, zoals tijdens de discussie werd opgemerkt door een van de aanwezigen.
Vervolgens presenteerde R.F.B. van Zutphen, de Nationale ombudsman, enige – veelal pijnlijke, zo niet onthutsende – casuïstiek uit zijn veelzijdige praktijk, die de aanwezigen ervan zullen hebben overtuigd dat bepaalde instanties, zoals de Belastingdienst, zo functioneren dat veelal kwetsbare individuen – min of meer onbedoeld – in de verdrukking kunnen komen, onder meer door systemen en ingesleten gedragspatronen. Soms heeft dat tamelijk desastreuze implicaties, zoals ook uit zijn in dit blad gepubliceerde inleiding blijkt. Volgens Van Zutphen kan aan professionals die bij bedoelde instanties werken meer ruimte worden geboden om bedoelde negatieve consequenties te voorkomen en eenmaal ontstane problemen op te lossen; professionals die het recht beheersen en als het ware boven de stof staan, weten die ruimte op maatschappelijk verantwoorde wijze te benutten, zo denkt Van Zutphen, bijvoorbeeld door maatwerk – een in zijn ogen niet-juridische categorie – te leveren. Of enigszins anders uitgedrukt: zij weten wat een eerlijke behandeling inhoudt, en wie daarmee nader vertrouwd wil raken, kan volgens de Nationale ombudsman het beste het boek Elkaar eerlijk behandelen lezen.5 Een eerlijke en rechtvaardige behandeling kan bijdragen aan herstel van vertrouwen, zo kan de portee van deze uitgave worden samengevat.
Ook Essers, zijn inbreng kwam al ter sprake, was gevraagd zijn visie te geven, vooral als voorzitter van de redactiecommissie van het Weekblad. Dit tijdschrift biedt al meer dan anderhalve eeuw een platform voor degenen die in het belastingrecht en alles wat daarmee samenhangt zijn geïnteresseerd, al moest hij toegeven dat het toeslagenschandaal pas in het Weekblad op de nodige aandacht heeft mogen rekenen, nadat het leed was geschied en daaraan in tal van gremia – indringend – aandacht was besteed. Voor deze gang van zaken, die hij betreurde, zijn verschillende verklaringen te geven,6 maar die kunnen volgens Essers niet als rechtvaardiging dienen voor het gebrek aan publicaties in het Weekblad over de affaire die als een ongehoorde misstand te boek is komen te staan, bijvoorbeeld in de vorm van kritische beschouwingen.
Verder besprak Essers de moeizame wijze waarop de benoeming van de zogenoemde ‘Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden’ bij het Ministerie van Financiën tot stand is gekomen.7 Of Hayde Zarkeshan, die per 1 maart 2025 als zodanig van start is gegaan, in staat zal zijn zich te positioneren ten opzichte van andere instanties en in de sfeer van de individuele rechtshulp toegevoegde waarde zal hebben, betwijfelde Essers, al hoopte hij dat haar werk, dat zij met volle energie en bevlogenheid zegt te willen doen, niettemin een succes zal worden.
Vervolgens werd R.J. Koopman, sinds enige tijd advocaat-generaal bij de Hoge Raad, uitgenodigd achter het spreekgestoelte plaats te nemen. In zijn bijdrage concentreerde hij zich op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van het metier waarmee hij bij uitstek vertrouwd is: de belastingrechtspraak, zoals ook volgt uit zijn in dit nummer van het Weekblad opgenomen causerie: ‘De maatschappelijke verantwoordelijkheid van de belastingrechter’. Die rechter is doorgaans toegankelijk en deze kan in het algemeen voldoende rechtsbescherming bieden, al verbaasde Koopman zich erover dat het grondwettelijke vereiste dat belastingen uit kracht van wet worden geheven,8 buiten een eventueel in te voeren grondwettelijke toetsing lijkt te zullen blijven,9 zodat op deze grondwettelijke bepaling in zoverre geen beroep in rechte zal kunnen worden gedaan.
Belangrijker, denk ik, is een andere kwestie die hij aanroerde: de belastingrechtspraak is volgens hem niet in staat gebleken voldoende weerstand te bieden tegen perverse prikkels die besloten liggen in het formele belastingrecht om immateriële schadevergoeding en dergelijke te verlangen in zaken die verder nauwelijks enige betekenis hebben.10 In wezen wordt de rechter geconfronteerd met “onnozele problemen”, om Stevens aan te halen, die in zijn reactie op het door zijn voormalige mederedacteur van het Weekblad betoogde, erop wees dat er vanuit efficiencyoverwegingen vraagtekens zijn te plaatsen bij een tweede feitelijke instantie in belastingzaken. Of deze instantie voor een filterende werking zorgt in die zin dat minder zaken bij de Hoge Raad belanden, is mij niet bekend. Duidelijk is wel dat de Hoge Raad moeite heeft de doorlooptijden onder controle te houden, althans de aan hem voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn te beslissen, zoals Koopman signaleerde onder verwijzing naar een publicatie in de vakliteratuur,11 een opiniërende bijdrage die volgens hem een beter tijdschrift had verdiend, zo voegde hij daaraan op onderkoelde wijze toe.
Tijdens de discussie, die werd geleid door Stevens, bracht Van Zutphen enkele intrigerende kwesties ter sprake, zoals de vraag of het verlangen rechtsbescherming te bieden aan belastingplichtigen en vele anderen, bijvoorbeeld aan degenen die te kampen hebben met aardbevingsschade, niet is doorgeschoten, een kwestie die hij min of meer terloops, in de wandelgangen, had besproken met C. Schaap, die betrokken is bij de afwikkeling van de toeslagenaffaire en dat doet hij al jaren met verve, zo weet ik uit eigen ervaring. Ook vroeg de Nationale ombudsman zich af welke functie de rechtspraak eigenlijk heeft als uitspraken van wisselende en soms zelfs tegengestelde inhoud zonder meer als recht worden beschouwd, een observatie die hij illustreerde aan de hand van een ook voor fiscalisten bekende – uit het najaar van 2019 daterende – uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,12 waarin de Afdeling abrupt een radicaal andere koers is gaan varen in procedures over de kinderopvangtoeslag, nadat deze instantie te lang in een verkeerde groef was blijven hangen, om de toenmalige voorzitter van deze instantie aan te halen.13 Antwoorden op deze boeiende vragen van de Nationale ombudsman (over juristerij, zoals hij dat weinig verheffend noemde) bleven uit.
Volgens Koopman, die inhaakte op de oproep van Putters om de dialoog tussen verschillende discoursen (en wellicht ook staatsmachten) te verbeteren, is het zaak dat naar mogelijkheden wordt gezocht om beter met elkaar te communiceren,14 in de wetenschap dat de beste jurist nog geen econoom is, om een vermakelijke spreuk te citeren, die Koopman aanhaalde. Om adequaat te communiceren, is het volgens econoom A.L. Bovenberg van belang een gemeenschappelijke taal te ontwikkelen, zodat voor verschillende disciplines duidelijk is wat concepten inhouden en wat begrippen, zoals de menselijke maat, betekenen, al kan men betwijfelen of onze taal een toereikend instrument is.15 Met enige weemoed leek hij terug te denken aan de tijd dat aan de universiteiten discipline overstijgende vakken, zoals rechtsfilosofie, werden gedoceerd, zij het dat hij moest toegeven dat hij in zijn Tilburgse onderwijs ook te veel met vaardigheden bezig was geweest. Dat zal J.A.C.A. Overgaauw, onder meer voormalig raadsheer in de Hoge Raad, hebben aangesproken. Toen hij in Leiden studeerde en bij H.J. Hofstra colleges volgde, werd onder meer fiscale sociologie onderwezen en daaraan dacht hij met genoegen terug. Ook J.N. van Lunteren, lang geleden directeur-generaal van de Belastingdienst,16 heeft deze Hercules onder de Nederlandse fiscalisten in zijn Leidse studietijd meegemaakt. In zijn interventie riep hij op om weer meer vertrouwen in elkaar te hebben.
Tijdens de discussie kwamen tal van andere kwesties aan de orde. Zo betoogde Koopman dat het belangrijk is dat medewerkers van Financiën vrij zijn om aan het fiscale debat deel te nemen. Ook rechters en raadsheren zouden de ruimte moeten nemen om zich, bijvoorbeeld tijdens symposia, uit te spreken. Op deze wijze zou een beter begrip van elkaars positie en noden kunnen ontstaan. Vanuit de zaal werd daaraan toegevoegd dat het aangewezen is om ook sociaal zwakke groepen in de samenleving bij het debat te betrekken, waarop Putters liet weten dat de SER contacten onderhoudt met alle geledingen van de samenleving, en dat zeker niet zal nalaten. Dat de stem van jongeren niet veronachtzaamd mag worden, poneerde R.P. van den Dool, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. In deze sfeer liet S.A. Stevens een ander geluid horen. Om een serieuze bijdrage aan het debat te kunnen leveren, is het van belang dat onderzoekers toegang krijgen tot data, waarover het Ministerie van Financiën als een soort monopolist kan beschikken en die momenteel niet toegankelijk zijn voor fiscalisten. Of gehoor wordt gegeven aan deze oproep tot transparantie, is zeer de vraag.
Evenals Van Zutphen is Essers, mede ingegeven door zijn ervaringen als lid van de Eerste Kamer, van mening dat er een Minister van Fiscale Zaken zou moeten komen, zoals hij geruime tijd geleden in een column in het Weekblad heeft verdedigd. Daarin valt te lezen “dat gelet op het gegeven dat de fiscaliteit een zodanig belangrijke factor is geworden voor en verweven is met de sociaal-economische sector, gecombineerd met de gecompliceerdheid van de materie en de grote mate van politieke gevoeligheid, het in het leven roepen van de functie van een afzonderlijke vakminister voor Fiscale Zaken meer dan gerechtvaardigd is”.17 Verder herhaalde Essers dat de afwezigheid van een hardheidsclausule nimmer een reden kan en mag zijn om onredelijke (‘alles-of-niets’-)uitkomsten te accepteren, enkele minuten nadat de Nationale ombudsman had verteld dat er ambtenaren zijn die een beroep op een hardheidsclausule bij voorbaat afwijzen.
Aan Koopman, die deel uitmaakt van de redactie van het Weekblad, vroeg Essers, die naast hem zat, hoe het mogelijk is dat de Hoge Raad vorig jaar heeft geoordeeld dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement op bezittingen in de vermogensrendementsheffing in box 3 geen rekening behoeft te worden gehouden met kosten.18 Koopman, die duidelijk in zijn element was en met ogenschijnlijk speels gemak zijn veelal associatieve gedachten met de ruim honderd aanwezigen deelde, voelde zich voldoende vrij om daarop te reageren. Compensatie wegens ‘ordinaire’ aantasting van fundamentele rechten is en wordt door de belastingrechter als het ware over de duim geboden, zoals hij dat formuleerde. In geval van de vermogensrendementsheffing had de Hoge Raad er volgens hem ook voor kunnen kiezen iedere belastingplichtige een bepaald bedrag toe te kennen, maar voor deze grove vorm van rechtsherstel in de vorm van financiële compensatie is niet gekozen. De belastingrechter, aldus Koopman, is niet bij machte om een adequaat en uitgebalanceerd stelsel van rechtsherstel in het leven te roepen, zoals hij ook al in zijn – elders in deze editie van het Weekblad opgenomen – inleiding had uiteengezet. Dat behoort tot de verantwoordelijkheid van de wetgever, en de rechter moet niet op diens stoel geduwd worden, maar voor deze genuanceerde benadering van de problematiek was Stevens niet gevoelig. Hij liet de aanwezigen weten vorig jaar verbijsterd te zijn geweest toen hij constateerde dat in de ogen van de Hoge Raad aftrek van kosten achterwege kan blijven in het kader van het door hem geboden rechtsherstel. Dat is “onbegrijpelijk”,19 zoals hij onlangs in het Weekblad optekende, en daarmee gebruikte hij als fiscaal econoom – enigszins ironisch – een woord dat kenmerkend is voor het vocabulaire van de Hoge Raad, zoals liefhebbers van het cassatierecht weten.
Het zal de lezer die bij deze alinea is aangekomen duidelijk zijn dat in sociëteit De Witte, waar – naar verluidt – N.G. Pierson niet meer welkom was, nadat hij aan het einde van de negentiende eeuw een vermogensbelasting had gelanceerd, een enerverende bijeenkomst heeft plaatsgevonden, waarbij de nodige bespiegelingen over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van fiscalisten de revue passeerden. Deze thematiek blijkt zoveel, deels ongemakkelijke, aspecten te hebben, dat het niet eenvoudig is een rode draad of eenduidige boodschap aan de lezer te presenteren. Duidelijk is dat er ruimte voor verbetering is. Bij wijze van afsluiting signaleerde journalist L. Berentsen, nadat hij eerder door Stevens was uitgedaagd een samenvattende impressie van de bijeenkomst te geven, dat – vermoedelijk tot zijn niet geringe verbazing – fiscalisten eigenlijk niet of nauwelijks de maat was genomen. Verder wees hij erop dat het probleem van de dubbele petten onderbelicht was gebleven. Met deze observaties kon de middag ook informeel worden afgesloten, en wel met een geanimeerde receptie, waar de jongste wetenswaardigheden werden uitgewisseld.