Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VIII.E
VIII.E. ERFRECHTELIJKE GOEDERENRECHTELIJKE GESLOTENHEID EN/OF VERBINTENISRECHTELIJKE OPENHEID
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS409351:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
S.C.J.J. KORTMANN en H.L.E.VERHAGEN, Principles of European Trust Law, National Report for the Netherlands, Deventer: Kluwer Law International-WE.J. TJeenk Willink 1999, p. 195: 'Dutch law does not recognize a legal institution directly equivalent to the common law trust.' Waarom niet? 'The common law trust leads to a splitting-up of ownership rights, or the creation of rights in rem, in a matter not provided for by law, and therefore in-fringes our closedsystem (numerus clausus) of rights in rem. Like most civil law jurisdictions, Dutch law recognizes an absolute andindivisible notion of ownership.'
Zie kritisch over het einde van testamentair bewind J.B. VEGTER, Onwenselijke aspecten van de beëindigingsregeling van het testamentaire bewind in het nieuwe erfrecht, WPNR (1997) 6272, p. 353-354 die concludeert: 'Indien het Nederlandse erfrecht onvoldoende aan de wensen van de erflater tegemoetkomt bestaat bij erflaters de neiging te onderzoeken of dezelfde bezwaren ook verbonden zijn aan bepaalde rechtsinstellingen van vreemd recht. Men kan dan bijvoorbeeld denken aan de Anglo Amerikaanse trust.' Ik merk hierbij op dat wat een afwikkelingsbewind betreft de verdeling in de regel binnen vijf jaar na het overlijden zal hebben plaatsgevonden.
Op grond van art. 3:178 lid 5 BW kanvoor een periode van maximaal vijf jaar de bevoegdheid om verdeling te vorderen uitgesloten worden.
Denk aan het 'rijtje van 5 plus 1.'
Men kan mij tegenwerpen dat ik aan de ene kant steeds gewezen heb op de dwingende aanzuigende werking van ons gesloten erfrechtelijke stelsel en aan de andere kant getracht heb de algemeen vermogensrechtelijke deuren zo wijdmogelijk open te zetten. Deze benadering kan mijns inziens verklaard worden vanuit het feit dat het gesloten stelsel met name ziet op de goederenrechtelijke kant van executele en afwikkelingsbewind, waarbij gedacht moet worden aan vragen als: Wat omvat de beheersbevoegdheid van een executeur en wanneer eindigt dit beheer? Zijn de erfgenamen beschikkingsonbevoegd? Wanneer eindigt het afwikkelingsbewind? Dit zijn de bewindsaspecten oftewel de goederenrechtelijke aspecten die uit de aard nu eenmaal zeer dwingend omlijnd zijn door ons gesloten erfrechtelijke goederenrechtelijke stel-sel.1 Een 'echte' trust heeft dan ook nog niet kunnen ontstaan.2 Het dwingende einde van het beheer van de executeur volgt uit art. 4:150 BWen het dwingende einde van een afwikkelingsbewind heeft de wetgever in art. 4:180 BW geregeld. Het afwikkelingsbewind kan na vijf jaar door de rechthebbende opgezegd worden, mede vanuit de gedachte dat ieder het recht heeft om, binnen vijf jaar na het ontstaan van de onverdeeldheid, verdeling te vor-deren.3
Hoe anders is het met het verbintenisrechtelijke erfrecht? De op het eerste gezicht gesloten erfrechtelijke circuits, zijn door het opnemen van allerlei 'ten-zijtjes' in de wet eenvoudig verbintenisrechtelijk te openen. Denk in het kader van executele en afwikkelingsbewind met name aan twee belangrijke bepalingen: de 'grote tenzij' in art. 4:171 BW, maar ook aan de wellicht nog onderschatte frase: 'onverminderd de testamentaire lasten' in art. 4:144 BW. Erflater kan op het verbintenisrechtelijk vlak (extern en intern) net als hij zou kunnen bij het verlenen van een 'volmacht' of het aangaan van een overeenkomst van opdracht/lastgeving, heel ver gaan. Het einde van de bevoegdheden in het rechtsverkeer is echter dwingend omschreven. Een ander voorbeeld van de verbintenisrechtelijke relativering van de aanzuigende werking van het gesloten stelsel: met de verbintenisrechtelijke variant van het legaat krijgt een erflater (heel) veel vrijheiden bij een goederenrechtelijke variant als de wettelijke verdeling maar (zeer) weinig.4