Inhoudsopgave
Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/90:90 Doorbreking verticale natrekking bij kabels en leidingen.
Archief
Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/90
90 Doorbreking verticale natrekking bij kabels en leidingen.
Documentgegevens:
prof. mr. S.E. Bartels, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
prof. mr. S.E. Bartels
- JCDI
JCDI:ADS317005:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
- Wetingang
art. 5:20 BW
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op de regel dat eigendom van de grond de gebouwen en werken omvat die duurzaam met de grond zijn verbonden, wordt met betrekking tot netten een uitzondering gemaakt. Een net bestaande uit één of meer kabels of leidingen die zijn bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie en die in, op of boven de grond van een ander zijn of worden aangelegd, wordt niet nagetrokken door de grond. Het net is een zelfstandige onroerende zaak die op grond van art. 5:20 lid 2 BW eigendom is van de bevoegde aanlegger van het netwerk dan wel van diens rechtsopvolger.
Bij de totstandkoming van het huidige Burgerlijk Wetboek heeft men de vraag onder ogen gezien of een regeling zou moeten worden getroffen voor de eigendom van gas-, waterleiding- en rioolbuizen. Men heeft dit nagelaten, omdat die eigendomsvraag door het vestigen van een recht van opstal zou kunnen worden geregeld. Zie Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 123 en p. 125. Naar aanleiding van HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD3578, AA 2003, p. 842 (kabelarrest), is op 1 februari 2007 alsnog een wettelijke regeling inzake dergelijke netwerken in het BW opgenomen. Zie NvW Telecommunicatiewet, Kamerstukken II 2005/06, 29834, 9, p. 4. Deze regeling is te vinden in art. 5:20 lid 2 en art. 3:17 lid 1 sub k BW. Zie ook art. 78 lid 4, art. 155 en art. 155a Overgangswet NBW. Laatstgenoemde bepaling is in werking getreden op 27 mei 2010.
In de genoemde arresten oordeelde de Hoge Raad dat een kabelnet ten behoeve van een centrale antenne-inrichting – door de Hoge Raad aangeduid als infrastructuur – onroerend is, omdat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en dat dit ook naar buiten kenbaar is. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar het arrest van 31 oktober 1997, NJ 1998/97 (Portacabin), dat hiervoor in nr. 85a ter sprake is gekomen. Volgens de NvW, t.a.p., was de eigendomstoestand van netten, zoals die op grond van de toen bestaande wettelijke regeling bestond en waarvan de Hoge Raad moest uitgaan, onduidelijk. Om deze onduidelijkheid op te heffen is art. 5:20 lid 2 BW aangevuld met een tweede lid dat wat netten betreft voorziet in een zogenoemde ‘doorknip’ van de verticale natrekking. Daarmee wil gezegd zijn dat eigendom van de grond niet het daar in, op of boven aangelegde netwerk omvat.
90a De wettelijke regeling op hoofdlijnen.
Het netwerk dat valt onder het bereik van art. 5:20 lid 2 BW is een zelfstandige onroerende zaak. De eigendom ervan is losgemaakt van die van de grond, zoals dit voor zover het leidingen ten behoeve van telecommunicatienetwerken betreft ook reeds het geval was in art. 5.6 Telecommunicatiewet (oud).
Omdat het net een onroerende zaak is, dient overdracht en bezwaring ervan te geschieden op de wijze vermeld in art. 3:89 BW. Men zal de rechtstoestand van een netwerk derhalve moeten kunnen inschrijven in de in art. 3:16 BW bedoelde openbare registers. Bij de wijziging van de Telecommunicatiewet is dan ook art. 3:17 lid 1 BW aangevuld met een onderdeel k volgens hetwelk de aanleg en verwijdering van een net in de openbare registers kan worden ingeschreven. Voorts is aan art. 36 Kadw een vierde lid toegevoegd dat regels geeft voor een inschrijving als bedoeld in art. 3:17 lid 1 onder k BW. Inschrijving van de aanleg van een net is niet verplicht, maar wel noodzakelijk om te kunnen beschikken over een net. Zolang het net niet geregistreerd is, kan het in beginsel niet worden geleverd (in verband met art. 20 Kadw) en is het een feitelijk onoverdraagbare zaak. Met Vonck, WPNR 2015/7071, kan worden ingestemd dat de inschrijving van de levering van een niet ingeschreven net geldig kan zijn, mits aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan (vgl. art. 3:22 BW). Zie ook de uitvoerige behandeling van de hier vermelde aanvullingen door Van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (AN nr. 120) 2015/15.1 e.v. De in art. 5:20 lid 2 BW gegeven regeling geldt zowel met betrekking tot reeds bestaande netwerken als ten aanzien van na 1 februari 2007 aangelegde netwerken, zie art. 155 en 155a Overgangswet NBW.
90b Betekenis van het begrip ‘net’.
Art. 5:20 lid 2 BW geldt alleen voor een net dat bestemd is voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie. Onder het toepassingsbereik vallen daardoor distributienetten van openbaar belang zoals elektriciteitsnetten, gasnetten, riolering, waterleidingnetten en elektronische communicatienetwerken, als ook buisleidingen waardoor aardolie en gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, en kleine netten op particuliere bedrijfsterreinen. Een netwerk van rails, bestemd voor vervoer per trein of tram is geen net in de zin van art. 5:20 lid 2 BW. De doorknipregel van lid 2 geldt evenmin voor ondergrondse tunnels. Dit betekent dat de eigendomsvraag voor dergelijke werken nog steeds moet worden beantwoord aan de hand van art. 5:20 lid 1 en art. 3:4 BW.
Een net dat nog niet voltooid is, maar waarvan de aanleg al wel is begonnen, valt ook onder de regeling. In Kamerstukken II 2005/06, 29834, 9, p. 7 wordt daarover opgemerkt dat de woorden ‘wordt aangelegd’ in art. 5:20 lid 2 BW betrekking hebben op de situatie dat daadwerkelijk een aanvang is gemaakt met de aanleg van een net.
De bestemming ten tijde van de aanleg van het net is beslissend voor de beantwoording van de vraag of het net onder de doorknipregeling valt. Wijziging van de bestemming en/of het feitelijke gebruik heeft dus geen invloed op de eigendom van het net. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 9, p. 7; Kamerstukken II 2005/06, 29834, 12, p. 15-16. Zie over het bestemmingscriterium van art. 5:20 lid 2 BW onder meer Janssen, diss. 2010, p. 68-70.
Er kan verschillend worden gedacht over het antwoord op de vraag of zogenoemde mantelbuizen onder het begrip ‘net’ in de zin van art. 5:20 lid 2 BW vallen. De minister heeft zich hierover niet eenduidig uitgelaten. Aanvankelijk stelde hij zich op het standpunt dat een mantelbuis geen net is, als motivering voor de invoering van art. 5.17 Tw, welk artikel de bepalingen over netten (onder meer art. 5:20 lid 2 BW) van overeenkomstige toepassing verklaart op mantelbuizen die bestemd zijn voor telecomnetten. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 9, p. 6. Later lijkt hij zich echter op het standpunt te stellen dat een mantelbuis wel een net kan zijn. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 12, p. 16. Hier wordt de voorkeur gegeven aan laatstgenoemde opvatting. Een (lege) mantelbuis met de bestemming te dienen voor de aanleg van netten als bedoeld in art. 5:20 lid 2 BW is zelf ook een net. Nadat de mantelbuis is gevuld met een of meer netten, mogelijk van verschillende aard, blijft het een zelfstandige onroerende zaak. De netten in de mantelbuis zijn eveneens zelfstandige onroerende zaken. Zie nader Baegen, Bartels & Meijeren, NTBR 2015/25. Zie ook Janssen, diss. 2010, p. 70-73, die ervan uitgaat dat een mantelbuis geen net is, en Van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (AN nr. 120) 2015/15.7.
90c Grenzen van een ‘net’.
Veel netten lopen door tot in een gebouwde onroerende zaak. Tot waar strekt zich de eigendom van de eigenaar van het net uit en wat wordt er door de gebouwde onroerende zaak nagetrokken? Het antwoord op deze vraag moet worden afgeleid uit sectorspecifieke regelingen. Deze bestaan voor elektriciteitsleidingen, gasleidingen, waterleidingen en telecomnetten. Ontbreekt sectorspecifieke regelgeving, dan moet aan de hand van art. 3:4 BW worden bepaald welke technische onderdelen bestanddeel zijn van een netwerk. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 9, p. 7; Kamerstukken II 2005/06, 29834, 12, p. 2.
Niet uitgesloten is dat een geheel van kabels en buizen bestanddeel is van een onroerende zaak. Is hiervan sprake, dan doorbreekt art. 5:20 lid 2 BW niet de regel van art. 5:3 BW die erop neerkomt dat de eigendom van de hoofdzaak de bestanddelen ervan omvat. Het in art. 5:20 lid 2 BW bepaalde doorbreekt met de woorden: ‘in afwijking van lid 1’ de verticale natrekking van art. 5:20 lid 1 BW, niet de horizontale natrekking. Zie over deze begrippen hiervoor nr. 81. Bij wijze van voorbeeld valt te denken aan het geval waarin de eigenaar van een gebouw een rioolbuis laat aanbrengen in de aan zijn buurman toebehorende grond, zulks ter aansluiting op het openbare riool. Tot het aanleggen van de rioolbuis is de bedoelde eigenaar bevoegd op grond van een daartoe strekkende erfdienstbaarheid, rustend op het erf van de buurman. Zou op deze situatie het in art. 5:20 lid 2 BW bepaalde van toepassing zijn, dan zou de eigendom van de rioolbuis losstaan van de eigendom van het gebouw. In geval van overdracht van het gebouw zou dan afzonderlijk de eigendom van de rioolbuis moeten worden overgedragen. Dit is echter niet het geval, omdat ingevolge art. 5:3 BW, in samenhang met art. 3:4 BW, de eigendom van het gebouw de in de grond van de buurman aangelegde rioolbuis omvat.
De wetgever heeft aangegeven dat het mogelijk is een net in deelnetten te splitsen. Deze mogelijkheid vloeit volgens de toelichting voort uit het feit dat een net als deelbare zaak moet worden beschouwd. Er wordt een vergelijking getrokken met grond, wat ook een deelbare zaak is. Wel wordt erop gewezen dat bij netten – anders dan bij grond – niet iedere willekeurige opsplitsing in deelnetten mogelijk is. Een deelnet moet naar verkeersopvatting vatbaar zijn voor afzonderlijke eigendom. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 12, p. 2-3. Alhoewel betwijfeld kan worden of de vergelijking met grond als deelbare zaak gelukkig is – grond is namelijk niet naar verkeersopvatting één zaak, een net is dat in beginsel wel – kan de mogelijkheid van splitsing worden onderschreven. De splitsing in deelnetten kan volgens de parlementaire geschiedenis op twee manieren worden gerealiseerd. In de eerste plaats door een notariële akte van levering van een (daarmee te creëren) deelnet in de openbare registers in te schrijven. Dit is een toepassing van art. 3:84 BW jo. art. 3:89 BW. In de tweede plaats doordat direct bij de aanleg het deelnet door de bevoegde aanlegger als afzonderlijke zaak wordt geregistreerd op grond van art. 3:17 lid 1 sub k BW. Hiervoor zou dan wel vereist zijn dat de bevoegde aanlegger van het deelnet een ander is dan de eigenaar van het net waarbij het deelnet aansluit. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 12, p. 3. Deze tweede optie schuurt met het goederenrechtelijk systeem, omdat de inschrijving van het net in de openbare registers op grond van art. 3:17 lid 1 sub k BW in het stelsel van de wet in beginsel niet noodzakelijk en evenmin bepalend is voor de goederenrechtelijke eigendomsverdeling. Anderzijds valt er veel te zeggen voor de benadering van de minister, wanneer men zich realiseert dat een bevoegde aanlegger reeds eigenaar is van het net vanaf het begin van de aanleg, ook als het net op dat moment nog niet aansluit op het hoofdnet. De verdedigbare gedachte is dan dat de natrekking van het net op het moment van aansluiting kan worden voorkomen door inschrijving van het net voordat de aansluiting gerealiseerd is. Indien op het moment dat de aansluiting wordt gemaakt het deelnet nog niet is ingeschreven, vormt het gehele net één zaak. Splitsing van één net zal dan alleen langs de weg van art. 3:84 BW jo. 3:89 BW kunnen plaatsvinden. Zie ook Van Drunen, WPNR 2016/7109, die benadrukt dat de registratie slechts feitelijke gevolgen heeft. Hij veroordeelt daarom de door de minister geventileerde gedachte dat registratie splitsing teweeg zou kunnen brengen.
Wat de minister, t.a.p., opmerkt over de mogelijkheid een beperkt recht te vestigen op een ‘onzelfstandig deelnet’, is beslist onjuist. Anders dan in de toelichting wordt opgemerkt, kan op een deel van een net dat naar verkeersopvatting vatbaar is voor verzelfstandiging door overdracht, wel een beperkt recht worden gevestigd. Dat een beperkt recht niet kan worden gevestigd op een onzelfstandig onderdeel van een zaak, staat daaraan niet in de weg, omdat door de vestiging van het beperkte recht de verzelfstandiging van het deelnet wordt gerealiseerd. Zoals het mogelijk is een hypotheekrecht te vestigen op een gedeelte van een perceel grond, is het ook mogelijk een hypotheekrecht te vestigen op een voor verzelfstandiging vatbaar gedeelte van een net. Na de vestiging bestaan er twee zaken: een onbezwaard deel en een bezwaard deel. Zie over de begrenzing van een net en de mogelijkheid van splitsing in deelnetten onder meer Heyman, ‘Het goederenrechtelijk statuut van ondergrondse constructies (in het bijzonder kabels en leidingen) in het Nederlandse recht’, in: Ondergrondse constructies in het Belgische en Nederlandse recht, 2007, p. 42-44.
90d Bevoegdheid van de aanlegger.
Art. 5:20 lid 2 BW wijst de eigendom van een net toe aan de bevoegde aanlegger of diens rechtsopvolger(s). Ontbreekt de bevoegdheid, dan is art. 5:20 lid 2 BW niet van toepassing. De vraag wie eigenaar is van het net wordt dan beheerst door art. 5:20 lid 1 sub e BW, in combinatie met art. 3:4 BW, gelet op de mogelijkheid van horizontale natrekking.
De bevoegdheid van de aanlegger kan van privaat- en van publiekrechtelijke aard zijn. Bij een privaatrechtelijke bevoegdheid tot aanleg kan worden gedacht aan eenzijdige toestemming, een overeenkomst, een kwalitatieve verplichting, een erfdienstbaarheid en een recht van opstal. Een publiekrechtelijke bevoegdheid kan bestaan op grond van een concessie, een vergunning, de Belemmeringenwet privaatrecht of een sectorale wet zoals de Telecommunicatiewet. Zie over de situatie dat een opstalrecht (mede) de grondslag van de bevoegdheid van de aanlegger is onder meer Van Velten, WPNR 2008/6771; Huijgen, WPNR 2008/6771; Van Drunen, WPNR 2012/6914 en Van Drunen, WPNR 2013/6976. Het opstalrecht fungeert met betrekking tot netten in de zin van art. 5:20 lid 2 BW uitsluitend als grondslag voor de bevoegdheid om in andermans grond een (deel van een) net te hebben en doorbreekt zelf niet de natrekking. Vgl. HR 20 september 2013, NJ 2014/522 (Rotterdam/Eneco). Het eigendomsrecht van het net is daarom niet als afhankelijk recht gekoppeld aan het opstalrecht. Als het opstalrecht eindigt, eindigt niet van rechtswege ook de eigendom van de aanlegger van het net. Art. 5:105 lid 1 BW is hier niet van toepassing, omdat het eigendomsrecht van het net niet voortvloeide uit het opstalrecht, maar uit de werking van art. 5:20 lid 2 BW. Overdracht van het opstalrecht brengt niet van rechtswege overgang van het netwerk met zich; overdracht van het netwerk zonder overdracht van het opstalrecht is mogelijk. In het laatste geval is overdracht van het opstalrecht wel van belang, in verband met de bevoegdheid van de verkrijger van het netwerk om het net ter plaatse te hebben.
De bevoegde aanlegger zal volgens de parlementaire geschiedenis meestal de opdrachtgever zijn van de feitelijke fysieke aanlegger van het net. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 9, p. 7.
Het zal zich kunnen voordoen dat een net zich bevindt in de grond van vele verschillende eigenaars en dat de aanlegger ten opzichte van sommige grondeigenaren wel, maar ten opzichte van andere grondeigenaren niet beschikt over een bevoegdheid tot aanleg van het net. Onder omstandigheden is in zo’n geval verdedigbaar dat de doorknipregel van art. 5:20 lid 2 BW toch zijn werking heeft. Het net blijft één zaak en de eigendom komt toe aan de aanlegger indien deze ‘grotendeels bevoegd’ was. De gedachte die aan de horizontale natrekkingsregel ten grondslag ligt, pleit voor dit resultaat. Aldus ook Huijgen, WPNR 2008/6771 (p. 755) en Heyman, ‘Het goederenrechtelijk statuut van ondergrondse constructies (in het bijzonder kabels en leidingen) in het Nederlandse recht’, in: Ondergrondse constructies in het Belgische en Nederlandse recht, 2007, p. 46. Een complicatie is vanzelfsprekend dat niet op voorhand gezegd kan worden wanneer de aanlegger ‘genoeg bevoegdheid’ heeft. Huijgen spreekt van het ontbreken van bevoegdheid met betrekking tot een ‘relatief gering gedeelte’ van het net. Heyman lijkt zich te oriënteren op het aantal percelen waarin zich bevoegd delen van een netwerk bevinden, afgezet tegen het aantal doorkruiste percelen ten aanzien waarvan de aanlegger onbevoegd was. Als ten aanzien van één of enkele van de tientallen percelen waardoorheen het netwerk loopt de bevoegdheid ontbreekt, acht hij het moeilijk voorstelbaar dat horizontale natrekking dit niet zal opvangen. In de meeste gevallen zullen beide benaderingen hetzelfde resultaat opleveren, maar de formulering van Huijgen lijkt hier zuiverder te zijn. Van Drunen, WPNR 2012/6952, wijst erop dat het probleem voor ‘oude netten’ opgelost lijkt te zijn sinds op 27 mei 2010 art. 155a Overgangswet NBW in werking is getreden. Met betrekking tot netten die zijn en worden aangelegd na 1 februari 2007 is de vraag wanneer er ‘genoeg bevoegdheid’ echter onverminderd problematisch.
Het wegvallen van de bevoegdheid, nadat het eigendomsrecht is ontstaan, heeft volgens de toelichting geen invloed op het eigendomsrecht van de aanlegger (of diens rechtsopvolger). Het net blijft een zelfstandige onroerende zaak die toebehoort aan de aanlegger. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 9, p. 8. Dit geldt onder omstandigheden ook als de bevoegdheid met terugwerkende kracht wegvalt, door vernietiging, of wanneer zij blijkt nooit te hebben bestaan, omdat de rechtshandeling waaraan de aanlegger zijn bevoegdheid ontleende, nietig is. De rechter kan in dat geval de gevolgen van de vernietiging of nietigheid aanpassen op grond van art. 3:53 lid 2 BW. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 12, p. 17-18. Zie over de situatie die ontstaat na het wegvallen van de bevoegdheid voorts Huijgen, WPNR 2010/6830.
De wetgever gaat ervan uit dat een (deels) onbevoegde aanlegger of diens rechtsopvolger de eigendom van een net door verjaring kan verkrijgen. Zie Kamerstukken II 2005/06, 29834, 12; p. 18-19, Handelingen I 2006/07, 11, p. 478; Heyman, ‘Het goederenrechtelijk statuut van ondergrondse constructies (in het bijzonder kabels en leidingen) in het Nederlandse recht’, in: Ondergrondse constructies in het Belgische en Nederlandse recht, 2007, p. 47 en Janssen, diss. 2010, p. 181-183. Het is ook mogelijk dat de rechtsvordering van de grondeigenaar tot verwijdering van het net verjaart. Zie Van Velten, WPNR 2010/6830.
Zie kritisch over het bevoegdheidsvereiste Janssen, diss. 2010, p. 159-166. Zie voorts Heyman, ‘Het goederenrechtelijk statuut van ondergrondse constructies (in het bijzonder kabels en leidingen) in het Nederlandse recht’, in: Ondergrondse constructies in het Belgische en Nederlandse recht, 2007, p. 45-46.
90e Een net in eigen grond.
Een net dat volledig is aangelegd in eigen grond is waarschijnlijk geen zelfstandige onroerende zaak. De tekst van art. 5:20 lid 2 BW beperkt althans de toepasselijkheid van de doorknip tot netten die zich in, op of boven de grond van anderen bevinden. Janssen, diss. 2010, p. 85 en 151 e.v. betwijfelt echter of de wet hier zo letterlijk moet worden uitgelegd. Zij meent dat verdedigbaar is dat netten in eigen grond ook geregeerd worden door de eigendomsregeling van art. 5:20 lid 2 BW en dus zelfstandige onroerende zaken zijn. Dat zou, zo meent zij, bijvoorbeeld handig kunnen zijn indien de aanlegger voor financiering van de aanleg van het net in zijn eigen grond een hypotheek wil vestigen die alleen rust op het net (p. 85 en 155). Omdat ze echter op grond van de wettekst ook ‘zeer goed verdedigbaar’ vindt dat netten in eigen grond bestanddeel van de grond zijn (p. 157), bepleit Janssen een wijziging van de wet. De woorden ‘van anderen’ zouden – om de bestaande onzekerheid weg te nemen – kunnen worden geschrapt (p. 155).
Juist is dat in de parlementaire geschiedenis aanknopingspunten te vinden zijn voor beide opvattingen. Wanneer de lijn wordt gevolgd dat – in afwijking van de wettekst – een net in eigen grond een zelfstandige onroerende zaak is, heeft dat belangrijke praktische gevolgen. Het biedt inderdaad het voordeel dat eigendom van grond en net apart kunnen worden overgedragen en bezwaard, iets wat past bij de gedachte die aan de invoering van art. 5:20 lid 2 BW ten grondslag ligt, namelijk dat een net een feitelijke en functionele eenheid is. Zie Kamerstukken II, 2005/06, 29834, 9, p. 4. Volgt men deze lijn, dan is de aanleg van een net in eigen grond een inschrijfbaar feit in de zin van art. 3:17 lid 1 sub k BW. Opmerking verdient daarbij dat een dergelijke inschrijving niet de grondslag vormt van de splitsing tussen eigendom van de grond en eigendom van het net. De inschrijving is geen boekingsfeit, maar is facultatief. De splitsing tussen grond en net treedt dus ook op als in de openbare registers niets over de aanwezigheid van een net in de grond te vinden is. Dat legt de nadelen van deze benadering bloot. Als sprake is van twee zelfstandige onroerende zaken, vormt de verkoop van de grond niet ook een titel voor de levering van het net; een inschrijving van de koop van de grond (art. 7:3 BW) heeft geen betrekking op het net. De levering van de grond brengt niet de overdracht van het net teweeg; een hypotheek op de grond geeft geen bevoegdheid tot executie van het netwerk. Als een inschrijving van het net achterwege is gebleven, kunnen de verkrijger en de hypotheekhouder zich mogelijk met succes op de bescherming van art. 3:24 lid 1 BW beroepen, zodat de splitsing tussen grond en net, die zij niet konden kennen door raadpleging van de openbare registers, niet aan hen kan worden tegengeworpen. De bescherming van art. 3:24 BW valt in elk geval niet ten deel aan de schuldeiser die beslag legde op de eigendom van de grond. De beslaglegger wordt niet gezien als verkrijger in de zin van art. 3:24 BW. Zie Bartels &Van Mierlo3-IV 2013/392.
De wettekst en de zojuist genoemde complicaties pleiten ervoor dat naar geldend recht moet worden aangenomen dat art. 5:20 lid 2 BW in beginsel niet van toepassing is op een net in eigen grond. Een dergelijk net wordt derhalve verticaal nagetrokken door de grond (art. 5:20 lid 1 sub e BW). Niettemin is zo’n net inschrijfbaar in de openbare registers. Art. 3:17 lid 1 sub k BW bepaalt niet dat alleen netten in grond van anderen inschrijfbaar zijn. Zo ook Janssen, diss. 2010, p. 85. Een dergelijke registratie maakt de weg vrij voor de overdracht van het net (of voor overdracht van de grond onder voorbehoud van het net). Door de overdracht wordt het net verzelfstandigd. Door Vonck, WPNR 2015/7071, is er terecht op gewezen dat het vestigen van een beperkt recht op het in eigen grond gelegen net moeilijk is in te passen in dit stelsel.
Men zou – met Janssen (p. 85) en Vonck (WPNR 2015/7071) – in overweging kunnen nemen aan de enkele registratie van een net in eigen grond wel ‘splitsende werking’ toe te kennen. Anders dan bij netten in de grond van anderen, zou de inschrijving van de aanleg van het net in eigen grond het goederenrechtelijke effect teweegbrengen. Er zou dan een rechtsfiguur ontstaan die – ietwat losjes gezegd – een soort opstalrecht op eigen grond betekent. Het is twijfelachtig of dit naar geldend recht kan worden aangenomen. Als de mogelijkheid van verzelfstandiging van een net in eigen grond wenselijk wordt geacht, lijkt een wetswijziging de aangewezen weg.
Een consequentie van de hier gevolgde strikte interpretatie is dat de eigendom van een zelfstandig netwerk dat A heeft in de grond van B tenietgaat als A de grond verkrijgt. Vanaf dat moment is immers sprake van een net in eigen grond, welke situatie wordt beheerst door art. 5:20 lid 1 BW. Daarmee gaan ook de eventueel op dat netwerk gevestigde beperkte rechten teniet. De situatie lijkt enigszins op vermenging. Aan dit toch wat ongelukkige gevolg van quasivermenging kan alleen worden ontkomen door ofwel de toepasselijkheid van art. 5:20 lid 2 BW te laten voortduren ondanks dat grond en net in één hand komen (het moment van aanleg blijft als het ware beslissend) ofwel door art. 3:81 lid 3 BW analogisch toe te passen op dit geval.
90f Overgangsrecht.
Omdat de nieuwe regeling ook betrekking heeft op netten die zich reeds in de grond bevonden ten tijde van de invoering van de doorknipregeling, was er behoefte aan een overgangsregeling. Het overgangsrecht met betrekking tot de eigendomsverkrijging van netten is verre van eenvoudig. Zie art. 78 lid 4, art. 155 en art. 155a Overgangswet NBW, waarover Van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (AN nr. 120) 2015/15.11 en 15.14; Van Poortvliet, Gst. 2011/40; Van Loon & Ploeger, ‘Registratie van de eigendom van kabel- en leidingnetwerken’, in: Energie en eigendom, 2011, p. 50-55; Van Drunen, WPNR 2012/6951; Van Drunen, WPNR 2014/7015; Vonck, WPNR 2015/7071 (bijgevallen door Van Drunen, WPNR 2015/7979).