Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.B.4
II.B.4. Art. 3:168 BW als bewindsbouwsteen voor de 'erfrechtelijke beheerder'
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407179:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Men mag zonder meer spreken van een prachtige erfrechtelijke vondst. Een vondst waarbij het notariaat een belangrijke taak krijgt bij het dichten van het 'vereffeningsgat'. In zoverre zou men ook kunnen spreken van een grote notariele 'vangst', EstateTip Review 2005-26, Den Haag: Boom Juridische uitgevers.
Hetgeen voor de handligt nu het om bewindgaat.
H.C.F. SCHOORDIJK, De notariele en andere derdenrekeningen, Deventer: Kluwer 2003, p. 60. Als iemand juridische bruggen kan slaan dan is hijhet wel. Zie in deze ook de boekbespreking van B.C.M.WAAIJER in WPNR (2004) 6585, p. 567.
M.J.A.VAN MOURIK, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2006, p. 21. Interessant is ook dat hij de privatieve lastgeving in verband brengt met vertegenwoordiging.
Wij herinneren ons de 'hint' die W. Snijders hiervoor bij de 'lakmoesproef' gaf in het kader van de 'vernietigbare'executele. Er werd niet alleen een link gelegdmet lastgeving om een quasi-executeur mee te creeren, maar er werd ook fijntjes gewezen op art. 3:168 BWals mogelijke grondstof voor een'quasi-executele'. Waarom is dit van belang? Art. 3:168 BW verwijst niet naar testamentair bewind in ruime zin, de verzwaarde variant met bepalingen als art. 4:171 BW, maar verwijst naar de (lichtere) bepalingen die op het beheer van een bewindvoerder van toepassing zijn, en die gelet op het bewind als genus ook uit het genus te snijden zijn om het species te kunnen nabootsen. Het was een Maastrichtse kantonrechter die de dogmatische ontboezemingen van Snijders oppakte en creatief in zijn beschikking van 13 januari 2005 (zaaknr. 179050)1 verwerkte in een casus waar een executeur kwam te ontbreken die node gemist kon worden.
De kantonrechter kwam tot het navolgende oordeel:
'(6) Op grondvan de feiten, het verzoek en de daarbij gevoegde bijlagen, alsmede de verklaringen ter terechtzitting, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de executeur zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer, dit mede gelet op het feit dat de executeur niet ter mondelinge behandeling is verschenen. (7) Het vorenstaande levert voldoende gewichtige redenen op om de sub E. verzochte voorlopige voorziening tot schorsing van de executeur toe te wijzen.'
Maar wat nu? Er zou een vacuum in de boedelafwikkeling kunnen ontstaan. Er waren maar liefst zeventien erfgenamen die de 'vereffeningskar' zouden moeten gaan trekken en dat was geen garantie voor succes. Artikel 3:168 BW zouuitkomstkunnenbieden:
'(1) De deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen.
(2) Voor zover een overeenkomst ontbreekt, kan de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen, zo nodig met onderbewind-stelling van de goederen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.
(3) [...]
(4) [...]
(5) Op een overeenkomstig lid2 ingesteld bewind zijn, voor zover de kantonrechter niet anders heeft bepaald, de artikelen 154, 157 tot en met 166, 168, 172, 173, 174 van Boek 4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter de in artikel 159 van Boek 4 bedoelde beloning ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede dat hij de in artikel 160 van Boek 4 bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het kan door een gezamenlijk besluit van de deelgenoten of op verzoek van een hunner door de kantonrechter worden opgeheven.' (curs. BS)
Op basis van dit artikel creeert de kantonrechter de navolgende voorlopige voorzieningen, die wat mij betreft, gelet op de strekking van de oplossing, als een quasi-executele betiteldzouden kunnen worden:
'- De kantonrechter treft voor de duur van dat onderzoek (naar de vraag of de taak van de executeur dient te eindigen door ontslag, toev. en curs. BS) een regeling, gelijk aan de beheersregeling als bedoeld in artikel 3:168 BW. De regeling houdt in, dat een beheerder wordt aangesteld, die alle goederen van de nalatenschap in beheer krijgt. Deze beheerder is bevoegd alle goederen tot zich te nemen, daarbij inbegrepen alle bankrekeningen c.q. spaarrekeningen. Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van de goederen dienstig kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de erfgenamen verschuldigde prestaties. De executeur dient alle goederen van de nalatenschap die hij onder zich heeft aan de beheerder te overhandigen.
- Deze beheersregeling gaat in op de dag na deze beschikking en is uitvoerbaar bij voorraad.
- De beheerder is rekeningen verantwoording verschuldigd aan de erfgenamen.
- Als beheerder wordt aangesteld notaris mr. [...], te M., die zich bereid ver-klaardheeft deze aanstelling te aanvaarden.
- De kantonrechter zal kort voor de afloop van de beheersperiode op verzoek van de beheerder een redelijke vergoeding voor de beheerder vaststellen, welke vergoeding ten laste komt van de goederen van de nalatenschap.
- Deze voorlopige voorziening eindigt bovendien, nadat op een eventueel verzoek van de erfgenamen of een of meer van hen door de rechtbank een vereffenaar is benoemdals bedoeldin art. 4:204 BW' (Curs. BS)
Dit is Maastrichts maatwerk. Op deze wijze bootst de kantonrechter bij zijn beschikking de bevoegdheden van een beheersexecuteur na.Ikga er van uit dat deze bevoegdheden dan ook, net als bij executele, privatief van aard zijn.2 Zie art. 4:144 lid1 BW en art. 4:145 lid 1 BW. Voorts is mijns inziens hiermee tevens bewezen dat executele als een species te fileren is uit de titel testamentair bewind. Daar wordt immers de grondstof vandaan gehaald. De bepalingen die de positie van de legitimaris ondermijnen, zoals art. 4:171 BW zijn in de wet niet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Deze variant zou overigens ook dienst kunnen doen als men het verzoek tot benoeming van een vereffenaar door de rechtbank een te zwaar middel vindt.
Resumerendmerk ik op dat reeds twee dimensies van executele naar voren gekomen zijn, te weten aan de ene kant als interne verbintenisrechtelijke kant: opdracht/lastgeving en aan de andere kant met betrekking tot goederenrechtelijke vraagstukken: bewind. Indien men als denkrichting naar de volgende fase meeneemt de verbinding die Schoordijk3tussen de tot nu gevonden elementen lastgeving en bewind legt, lijken wij weer een stap verder te komen bij het trachten bloot te leggen van de aard van executele:
'Zo te bezien valt de privatieve lasthebber aan te merken als een bewindvoerder te vergelijken met die van 1066 oud BW [...].' (Curs. BS)
Is de brug tussen de gevonden 'persoonlijke' verbintenisrechtelijke dimensie lastgeving en het goederenrechtelijk verband op de nalatenschap (bewind): de 'exclusiviteit', de privatieve werking van de lastgeving? In ieder geval een rechtsfiguur die twee van de tot nu toe gevonden dimensies van executele in zich zou kunnen dragen. Niet vreemd als men bedenkt dat Van Gerven in zijn hiervoor aangestipt rechtsvergelijkendonderzoek ook een verbandtus-sen opdracht (lastgeving) en bewind legde. Ook Van Mourik4 doet in deze, in het licht van de betekenis van de beheersregeling van art. 3:168 BW nog een interessante duit in het zakje, 'gelet op de aard van de beheers overeenkomst':
'Ook artikel 7:423 betreffende de privatieve last is van overeenkomstige toepassing.' (Curs. BS)
En ook deze benadering doet weer denken aan de lakmoesproef van W. Snijders in het kader van de bouw van een 'quasi-executeur.' En nog interessanter is dat het niet de rechter is die een regeling maakt, maar dat de rechtsverhouding waar Van Mourik aan refereert door de partij-autonomie wordt beheerst.
Schoordijk sloeg de brug overigens in het licht van 'kwaliteitsrekeningen'.Re-den genoeg om hierna eveneens te bezien of voor de executeur met deze, de laatste jaren zo in de belangstelling staande, rechtsfiguur ook nog een link te leggen is.