Parketnummer 21-001111-21. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2022:10544.
HR, 16-12-2025, nr. 22/04630
ECLI:NL:HR:2025:1925
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-12-2025
- Zaaknummer
22/04630
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1925, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1005
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:10544
ECLI:NL:PHR:2025:1005, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1925
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑04‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0405
Uitspraak 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Rijden onder invloed van cannabis, art. 8.5 WVW 1994. Overschrijding van termijn van bloedafname (90-minutentermijn) uit art. 12.3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in verkeer met 7 minuten. 1. Kon hof oordelen dat na deze overschrijding geen (op wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond om bloed af te nemen? 2. Kon hof strafvermindering toepassen vanwege onherstelbaar vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv? Ad 1. Aan de in art. 12.3 Besluit opgenomen termijnstelling ligt (volgens toelichting daarop) in de kern ten grondslag dat door tijdsverloop de concentratie van de in art. 2 Besluit aangewezen stoffen in bloed vermindert, waardoor langer durend tijdsverloop ertoe kan leiden dat in afgenomen bloed gemeten concentratie onder toegestane grenswaarde komt. Daarmee wordt “risico steeds groter (...) dat bestuurder t.a.v. wie o.b.v. speekselonderzoek of onderzoek van psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van bloedonderzoek vrijuit gaat”. Dat betekent echter niet dat onderzoek waarbij pas na verstrijken van tijdsbestek van anderhalf uur bloed is afgenomen, geen betrouwbaar resultaat geeft van de (voor bewezenverklaring beslissende) op dat moment in afgenomen bloed aanwezige concentratie van die stoffen. Daaruit volgt dat voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met juistheid en betrouwbaarheid van resultaten van verricht onderzoek (vgl. HR:2021:619). Als voorschrift van art. 12.3 Besluit niet wordt nageleefd, heeft dat dus op zichzelf geen gevolgen voor bewijs van het in art. 8.5 WVW 1994 voorkomende bestanddeel “onderzoek”. Art. 359a Sv vormt dan toetsingskader voor beantwoording van vraag of aan verzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg. Hof heeft overwogen dat door overschrijden van termijn van anderhalf uur, terwijl van bijzondere omstandigheden waardoor bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden niet is gebleken, geen (op wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond om bloed af te nemen, en dat daarmee inbreuk is gemaakt op art. 8 EVRM. ‘s Hofs oordeel moet zo worden verstaan dat art. 163 WVW 1994 o.m. bevoegdheid verschaft om toestemming te vragen voor bloedonderzoek, dat daarbij voor afname van bloed o.g.v. art. 12.3 Besluit een termijn van anderhalf uur geldt, en dat bij overschrijding van die termijn (behalve in bijzondere omstandigheden, die i.c. niet zijn gebleken) sprake is van onherstelbaar vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv omdat bloedafname dan niet is verlopen overeenkomstig regeling van art. 163 WVW 1994 jo. 12.3 Besluit. Daarom ontbreekt feitelijke grondslag waarop klacht berust. Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat gelet op onherstelbaar vormverzuim (overschrijding van de in art. 12.3 Besluit genoemde termijn van anderhalf uur, zonder dat bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan van die termijn mocht worden afgeweken) vermindering van straf moet plaatsvinden. Hof heeft daarbij overwogen dat verdachte door dit vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat dit nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en dat strafvermindering ook in het licht van geschonden voorschrift en ernst van verzuim gerechtvaardigd is. Daarbij heeft hof, wat betreft belang van geschonden voorschrift en door verdachte geleden nadeel, kennelijk in aanmerking genomen dat art. 12.3 Besluit ertoe strekt te voorkomen dat verdachte onnodig lang moet wachten op bloedafname en dat (ook al was slechts sprake van beperkte overschrijding van termijn) verdachte langer heeft moeten wachten dan hiervoor o.g.v. art. 12.3 Besluit geldende tijdsduur. ’s Hofs oordeel is, mede in aanmerking genomen dat strafvermindering een verlaging van de op te leggen geldboete met € 250 betreft, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. strafvermindering.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04630
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 november 2022, nummer 21-001111-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat, gelet op het overschrijden van de termijn als bedoeld in artikel 12 lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), een wettelijke basis voor het afnemen van bloed ontbreekt, en dat dit vormverzuim grond geeft voor strafvermindering.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 27 januari 2019, te [plaats] , een voertuig, te weten een bedrijfsauto (bestelauto) heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,5 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal rijden onder invloed van 18 februari 2019 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pag. 6-9):
Op 27 januari 2019 om 00.44 uur zagen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig, bestelauto, Peugeot partner, met [kenteken] , reed op de voor het openbaar verkeer bestemde weg, de [a-straat] te [plaats] , binnen [plaats] .
Ik, [verbalisant 1] , heb op 27 januari 2019 om 00.48 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een speekseltest, alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen. Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 2] , hem de speekseltest afgenomen. Als resultaat van deze test zag ik, [verbalisant 2] , dat de speekseltest een indicatie aangaf voor de volgende stof: cannabis (Thetrahydrocannabinol). Het resultaat van de speekseltekst werd direct aan de verdachte meegedeeld.
Ik nam de volgende kenmerken waar bij de bestuurder:
Geur: cannabis
De verdachte gaf op te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] .
De adem van de verdachte riekte naar het roken van een joint met wiet/hash.
Ik, [verbalisant 1] , heb de verdachte gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe toestemming.
Op 27 januari 2019 om 02.25 uur heeft de arts [deskundige] in aanwezigheid van mij, [verbalisant 2] , de verdachte bloed afgenomen conform Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Verweren strekkende tot vrijspraak
De verdachte en diens raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
(...)
In de tweede plaats is aangevoerd dat de niet tijdige bloedafname een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte oplevert. Als rechtsgevolg dient bewijsuitsluiting te volgen, nu sprake is van de zeer uitzonderlijke situatie dat het vormverzuim structureel van aard is. Van bijzondere omstandigheden waardoor de bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden is niet gebleken. De raadsman heeft ter onderbouwing van het structurele karakter van het vormverzuim verwezen naar diverse (gepubliceerde) uitspraken die in de appelschriftuur zijn opgenomen. In geval van bewijsuitsluiting van de resultaten van het bloedonderzoek is er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Oordeel van het hof
(...)
Ten aanzien van het bewijsuitsluitingsverweer overweegt het hof als volgt. Aan het hof ligt de vraag voor of er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte (artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering), en zo ja, wat daarvan de rechtsgevolgen zouden moeten zijn.
Bij de beoordeling van het verweer slaat het hof acht op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt. De Hoge Raad heeft in de arresten van 30 maart 2004 en 19 februari 2013 uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan, voordat toepassing kan worden gegeven aan een van de in dat artikel genoemde rechtsgevolgen. In de arresten van 1 december 2020 heeft de Hoge Raad de kaders aangevuld en op punten genuanceerd.
Bij verdachte is bloed afgenomen. Aangezien met een dergelijke bloedafname inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit dient hiervoor gelet op het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) een wettelijke basis te zijn. Artikel 163 Wegenverkeerswet geeft aan in welke gevallen een bloedonderzoek mag plaatsvinden. Het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) bevat nadere regelgeving die in acht dient te worden genomen bij het bloedonderzoek. In artikel 12, derde lid van dat Besluit staat dat de bloedafname plaatsvindt uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek, zoals een speekseltest. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken.
Het hof stelt - evenals de politierechter - vast dat het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Besluit niet binnen anderhalf uur na de vordering aan verdachte om zijn medewerking te verlenen aan de speekseltest heeft plaatsgevonden.
De nota van toelichting bij het Besluit houdt wat betreft de termijn voor bloedafname (onder meer) het volgende in:
“(...) Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spreekfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid.
In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest. (...)”
Het hof stelt vast dat van bijzondere omstandigheden waardoor de bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden niet is gebleken. Gelet op het Besluit en de uitleg van het Besluit in voornoemde Nota van Toelichting mocht er dus geen bloed meer worden afgenomen van de verdachte. Er bestond voor die bloedafname door het overschrijden van de termijn van anderhalf uur immers geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer. Nu er zonder wettelijke basis toch bloed is afgenomen, is een inbreuk gemaakt op artikel 8 EVRM. Alles overziend concludeert het hof dat er in casu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte.
Nu de rechtsgevolgen van dit vormverzuim niet uit de wet blijken, moet het hof vervolgens beoordelen of aan het vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtgevolg dan in aanmerking komt. Voor de beantwoording van die vraag dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Bewijsuitsluiting kan, als uitzonderlijke situatie, aan de orde komen in het geval het betreffende vormverzuim, naar objectieve gegevens blijkt, zozeer bij herhaling voor te komen, dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost om overtreding van het betreffende voorschrift te voorkomen. De enkele constatering dat zich een structureel verzuim voordoet is daartoe niet toereikend. Het ligt op de weg van de verdediging om, aan de hand van buiten voorliggende zaak reeds bekende gegevens, te onderbouwen dat zich zodanig structureel verzuim voordoet.
De verdediging, heeft ter onderbouwing van de omstandigheid dat het hier gaat om een structureel verzuim, gewezen op een aantal in de appelschriftuur opgenomen uitspraken. Het hof is van oordeel dat de raadsman aan de hand van voornoemde onderbouwing weliswaar heeft aangetoond dat het vormverzuim zich vaker voordoet, maar daarmee nog niet heeft aangetoond dat het verzuim een structureel karakter heeft. Op basis van de gegevens van de raadsman kan immers niets worden gezegd over het totale aantal gevallen waarin een bloedonderzoek wordt verricht, het aantal gevallen waarin bedoeld vormverzuim niet aan de orde is, en derhalve ook niets worden vastgesteld over de verhouding tussen het aantal gevallen waarin de bloedafname wel tijdig plaatsvindt en de gevallen waarin dat niet het geval is. Het hof verwerpt dan ook het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.
Wel ziet het hof gelet op het geconstateerde vormverzuim aanleiding om de aan de verdachte op te leggen straf te verminderen. Voor de mate waarin strafvermindering zal worden toegepast verwijst het hof naar hetgeen hierna onder oplegging van de straf zal worden overwogen.”
2.2.4
Het hof heeft over de op te leggen straf overwogen:
“Zoals hiervoor is vastgesteld is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Strafvermindering op grond van deze bepaling komt slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, hetgeen is veroorzaakt door het verzuim; dit nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en strafvermindering ook in het licht van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat aan die voorwaarden is voldaan. De in eerste aanleg opgelegde straf acht het hof in beginsel passend en geboden. Het hof zal echter gelet op het vastgestelde vormverzuim de geldboete met € 250,- verminderen. Alles afwegende zal het hof aan de verdachte een geldboete van € 500,- opleggen, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.”
2.3.1
De volgende bepalingen – zoals deze luidden ten tijde het bewezenverklaarde – zijn van belang:
- artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994):
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
“1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
(...)
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid, of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b.”
- artikel 1, aanhef en onder b, Besluit:
“In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
(...)
b. bloedonderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, derde lid, onder b, of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (...) dat betrekking heeft op het gebruik van alcohol of een of meer van de in artikel 2 aangewezen stoffen.”
- artikel 2 Besluit:
“Als stoffen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangewezen: amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA, MDA, cannabis, heroïne, morfine, GHB, gamma butyrolacton en 1,4-butaandiol.”
- artikel 12 lid 3 Besluit:
“Indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van een of meer van de in artikel 2 aangewezen stoffen, geschiedt de bloedafname uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 4 of 8 of, indien die vordering niet is gedaan, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. De vorige volzinnen zijn niet van toepassing indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van alcohol.”
- artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
3. Het vonnis bevat de beslissingen vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.”
2.3.2
De nota van toelichting bij het Besluit, zoals weergegeven in Staatsblad 2016, 529, houdt over artikel 12 lid 3 Besluit onder meer in:
“In het derde lid van artikel 12 is geregeld dat de bloedafname van de verdachte uiterlijk binnen anderhalf uur geschiedt nadat hij is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan slechts vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Aanleiding voor het opnemen van deze termijn is het feit dat de SWOV in haar advies over het ontwerp van dit besluit te kennen heeft gegeven dat zij voorstander is van een zo kort mogelijke tijd tussen het eerste contact van de opsporingsambtenaar met de bestuurder en het moment waarop hij van hem bloed laat afnemen. Volgens de SWOV past daarbij niet het recht van de verdachte op een tweede bloedafname dat in het ontwerp van het besluit was opgenomen. Het argument dat de SWOV voor dit standpunt aanvoert, is dat naarmate de tijd verstrijkt de werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedende stof als cannabis, cocaïne en GHB steeds meer in het bloed van de bestuurder afbreekt als gevolg waarvan het risico steeds groter wordt dat de bestuurder ten aanzien van wie op basis van een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van het bloedonderzoek vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame stof van die drug onder de grenswaarde is gekomen. Ieder half uur kan die concentratie namelijk bij bepaalde stoffen halveren. Volgens de SWOV zouden er door deze zogenaamde halfwaardetijd bij een wachttijd van een uur voordat bloed van een verdachte wordt afgenomen, nog maar 27 van de 71 Nederlandse bestuurders die in het kader van het Europese DRUID-onderzoek positief op het gebruik van GHB en cannabis zijn getest, boven de in artikel 3, eerste lid, bepaalde grenswaarden uitkomen. Wanneer het bijvoorbeeld anderhalf uur zou duren voordat bloed wordt afgenomen, zouden slechts 18 van de 71 Nederlandse bestuurders die in het kader van het DRUID-onderzoek positief op het gebruik van die drugs zijn getest, boven deze grenswaarden blijven, terwijl dat er bij een wachttijd van een half uur 43 zouden zijn. Doorgaans is na een tijdsverloop van vier uur na gebruik van deze drugs geen spoor meer in het bloed van betrokkene terug te vinden.
(...) Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek, moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat bij hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid.
In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest.
(...) De gestelde termijn is niet alleen in het voordeel van de verkeersveiligheid en opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen, maar ook van verdachten. Opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen zullen daardoor hun kostbare tijd en capaciteit alleen aan die mensen besteden die naar verwachting vervolgd kunnen worden en verdachten zullen zo kort mogelijk en zo min mogelijk onnodig van hun vrijheid worden beroofd.”
2.4.1
Aan de in artikel 12 lid 3 Besluit opgenomen termijnstelling ligt, volgens de onder 2.3.2 weergegeven toelichting daarop, in de kern ten grondslag dat door tijdsverloop de concentratie van de in artikel 2 Besluit aangewezen stoffen in het bloed vermindert, waardoor een langer durend tijdsverloop ertoe kan leiden dat de in het afgenomen bloed gemeten concentratie onder de toegestane grenswaarde komt. Daarmee wordt “het risico steeds groter (...) dat de bestuurder ten aanzien van wie op basis van een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van het bloedonderzoek vrijuit gaat”. Dat betekent echter niet dat een onderzoek waarbij pas na het verstrijken van het tijdsbestek van anderhalf uur bloed is afgenomen, geen betrouwbaar resultaat geeft van de – voor de bewezenverklaring beslissende – op dat moment in het afgenomen bloed aanwezige concentratie van die stoffen. Daaruit volgt dat het voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het verrichte onderzoek. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:619, rechtsoverweging 2.4.2.)
2.4.2
Als het voorschrift van artikel 12 lid 3 Besluit niet wordt nageleefd, heeft dat dus op zichzelf geen gevolgen voor het bewijs van het in artikel 8 lid 5 WVW 1994 voorkomende bestanddeel ‘onderzoek’. Artikel 359a Sv vormt dan het toetsingskader voor de beantwoording van de vraag of aan het verzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg.
2.5.1
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof dat na het overschrijden van de in artikel 12 lid 3 Besluit genoemde termijn van anderhalf uur geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond om bloed af te nemen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.5.2
Het hof heeft overwogen dat door het overschrijden van de termijn van anderhalf uur, terwijl van bijzondere omstandigheden waardoor de bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden niet is gebleken, geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond om bloed af te nemen, en dat daarmee een inbreuk is gemaakt op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit oordeel van het hof moet zo worden verstaan dat artikel 163 WVW 1994 onder meer de bevoegdheid verschaft om toestemming te vragen voor bloedonderzoek, dat daarbij voor de afname van bloed op grond van artikel 12 lid 3 Besluit een termijn van anderhalf uur geldt, en dat bij de overschrijding van die termijn – behalve in bijzondere omstandigheden, die in dit geval niet zijn gebleken – sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv omdat de bloedafname dan niet is verlopen overeenkomstig de regeling van artikel 163 WVW 1994 in samenhang met artikel 12 lid 3 Besluit. Daarom ontbreekt de feitelijke grondslag waarop deze klacht berust.
2.6.1
Het cassatiemiddel klaagt verder over het oordeel van het hof om de op te leggen straf te verminderen vanwege het onherstelbare vormverzuim in het voorbereidend onderzoek ten aanzien van de verdachte.
2.6.2
Het hof heeft geoordeeld dat gelet op het onder 2.5.2 genoemde onherstelbare vormverzuim – de overschrijding van de in artikel 12 lid 3 Besluit genoemde termijn van anderhalf uur, zonder dat bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan van die termijn mocht worden afgeweken – vermindering van de straf moet plaatsvinden. Het hof heeft daarbij overwogen dat de verdachte door dit vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat dit nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en dat strafvermindering ook in het licht van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Daarbij heeft het hof, wat betreft het belang van het geschonden voorschrift en het door de verdachte geleden nadeel, kennelijk in aanmerking genomen dat artikel 12 lid 3 Besluit ertoe strekt te voorkomen dat de verdachte onnodig lang moet wachten op de bloedafname en dat in dit geval – ook al was slechts sprake van een beperkte overschrijding van de termijn – de verdachte langer heeft moeten wachten dan de hiervoor op grond van artikel 12 lid 3 Besluit geldende tijdsduur. Dit oordeel van het hof is, mede in aanmerking genomen dat de strafvermindering een verlaging van de op te leggen geldboete met € 250 betreft, niet onbegrijpelijk.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 500 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Conclusie 16‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Rijden onder invloed van drugs. Art. 8 lid 5 WVW 1994. OM-cassatie. Getuigt oordeel hof dat door afnemen van bloed na in art. 12 lid 3 Besluit genoemde termijn van anderhalf uur geen op de wet gebaseerde bevoegdheid daartoe meer bestond van een onjuiste rechtsopvatting? Is oordeel hof dat verdachte nadeel heeft ondervonden van deze termijnoverschrijding toereikend gemotiveerd? Conclusie strekt tot vernietiging van de strafoplegging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04630
Zitting 16 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden1.heeft de verdachte bij arrest van 29 november 2022 wegens “overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis. Aan de verdachte is tevens een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Namens het openbaar ministerie heeft [naam 1] , advocaat-generaal bij het ressortsparket, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat er – na overschrijding van de in art. 12 lid 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) genoemde termijn van anderhalf uur – geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond om bloed af te nemen van de verdachte. De tweede deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte nadeel heeft ondervonden van voornoemde termijnoverschrijding, zodat als rechtsgevolg van het onherstelbare vormverzuim de aan de verdachte op te leggen straf dient te worden verminderd. Alvorens deze deelklachten afzonderlijk te bespreken, geef ik eerst de bewezenverklaring, de relevante overwegingen van het hof en het juridisch kader weer.
De bewezenverklaring en relevante overwegingen van het hof
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 27 januari 2019, te [plaats], gemeente [...], een voertuig, te weten een bedrijfsauto (bestelauto) heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,5 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.”
2.3
Het hof heeft met betrekking tot het bewijs overwogen (met weglating van voetnoten):
“Ten aanzien van het bewijsuitsluitingsverweer overweegt het hof als volgt. Aan het hof ligt de vraag voor of er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte (artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering), en zo ja, wat daarvan de rechtsgevolgen zouden moeten zijn.
Bij de beoordeling van het verweer slaat het hof acht op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt. De Hoge Raad heeft in de arresten van 30 maart 2004 en 19 februari 2013 uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan, voordat toepassing kan worden gegeven aan een van de in dat artikel genoemde rechtsgevolgen. In de arresten van 1 december 2020 heeft de Hoge Raad de kaders aangevuld en op punten genuanceerd.
Bij verdachte is bloed afgenomen. Aangezien met een dergelijke bloedafname inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit dient hiervoor gelet op het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) een wettelijke basis te zijn. Artikel 163 Wegenverkeerswet geeft aan in welke gevallen een bloedonderzoek mag plaatsvinden. Het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) bevat nadere regelgeving die in acht dient te worden genomen bij het bloedonderzoek. In artikel 12, derde lid van dat Besluit staat dat de bloedafname plaatsvindt uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek, zoals een speekseltest. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken.
Het hof stelt – evenals de politierechter – vast dat het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Besluit niet binnen anderhalf uur na de vordering aan verdachte om zijn medewerking te verlenen aan de speekseltest heeft plaatsgevonden.
De nota van toelichting bij het Besluit houdt wat betreft de termijn voor bloedafname (onder meer) het volgende in:
"(...) Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spreekfuncties of indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid. In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest. (...)”
Het hof stelt vast dat van bijzondere omstandigheden waardoor de bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden niet is gebleken. Gelet op het Besluit en de uitleg van het Besluit in voornoemde Nota van Toelichting mocht er dus geen bloed meer worden afgenomen van de verdachte. Er bestond voor die bloedafname door het overschrijden van de termijn van anderhalf uur immers geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer, Nu er zonder wettelijke basis toch bloed is afgenomen, is een inbreuk gemaakt op artikel 8 EVRM. Alles overziend concludeert het hof dat er in casus sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte.
Nu de rechtsgevolgen van dit vormverzuim niet uit de wet blijken, moet het hof vervolgens beoordelen of aan het vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtgevolg dan in aanmerking komt. Voor de beantwoording van die vraag dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Bewijsuitsluiting kan, als uitzonderlijke situatie, aan de orde komen in het geval het betreffende vormverzuim, naar objectieve gegevens blijkt, zozeer bij herhaling voor te komen, dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost om overtreding van het betreffende voorschrift te voorkomen. De enkele constatering dat zich een structureel verzuim voordoet is daartoe niet toereikend. Het ligt op de weg van de verdediging om, aan de hand van buiten voorliggende zaak reeds bekende gegevens, te onderbouwen dat zich zodanig structureel verzuim voordoet.
De verdediging, heeft ter onderbouwing van de omstandigheid dat het hier gaat om een structureel verzuim, gewezen op een aantal in de appelschriftuur opgenomen uitspraken. Het hof is van oordeel dat de raadsman aan de hand van voornoemde onderbouwing weliswaar heeft aangetoond dat het vormverzuim zich vaker voordoet, maar daarmee nog niet heeft aangetoond dat het verzuim een structureel karakter heeft. Op basis van de gegevens van de raadsman kan immers niets worden gezegd over het totale aantal gevallen waarin een bloedonderzoek wordt verricht, het aantal gevallen waarin bedoeld vormverzuim niet aan de orde is, en derhalve ook niets worden vastgesteld over de verhouding tussen het aantal gevallen waarin de bloedafname wel tijdig plaatsvindt en de gevallen waarin dat niet het geval is. Het hof verwerpt dan ook het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.
Wel ziet het hof gelet op het geconstateerde vormverzuim aanleiding om de aan de verdachte op te leggen straf te verminderen. Voor de mate waarin strafvermindering zal worden toegepast verwijst het hof naar hetgeen hierna onder oplegging van de straf zal worden overwogen.”
2.4
Het hof heeft ten aanzien van de op te leggen straf – voor zover hier van belang – overwogen:
“Zoals hiervoor is vastgesteld is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Strafvermindering op grond van deze bepaling komt slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, hetgeen is veroorzaakt door het verzuim; dit nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en strafvermindering ook in het licht van het geschonden voorschrift en der ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat aan die voorwaarden is voldaan. De in eerste aanleg opgelegde straf acht het hof in beginsel passend en geboden. Het hof zal echter gelet op het vastgestelde vormverzuim de geldboete met € 250,- verminderen. Alles afwegende zal het hof aan de verdachte een geldboete van € 500,- opleggen, alsmede een voorwaardelijk ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.”
Juridisch kader
2.5
Art. 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) luidt:
“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
2.6
Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) luidt:
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
2.7
“1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
[…]
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid, of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b.”
2.8
Art. 12 lid 3 Besluit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“Indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van een of meer van de in artikel 2 aangewezen stoffen, geschiedt de bloedafname uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 4 of 8 of, indien die vordering niet is gedaan, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. De vorige volzinnen zijn niet van toepassing indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van alcohol.”
2.9
De nota van toelichting op het oorspronkelijke Besluit van 14 december 2016 houdt met betrekking tot art. 12 lid 3 Besluit (oud) het volgende in:
“In het derde lid van artikel 12 is geregeld dat de bloedafname van de verdachte uiterlijk binnen anderhalf uur geschiedt nadat hij is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan slechts vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Aanleiding voor het opnemen van deze termijn is het feit dat de SWOV [gedoeld wordt op de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid, D.P.] in haar advies over het ontwerp van dit besluit te kennen heeft gegeven dat zij voorstander is van een zo kort mogelijke tijd tussen het eerste contact van de opsporingsambtenaar met de bestuurder en het moment waarop hij van hem bloed laat afnemen. Volgens de SWOV past daarbij niet het recht van de verdachte op een tweede bloedafname dat in het ontwerp van het besluit was opgenomen. Het argument dat de SWOV voor dit standpunt aanvoert, is dat naarmate de tijd verstrijkt de werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedende stof als cannabis, cocaïne en GHB steeds meer in het bloed van de bestuurder afbreekt als gevolg waarvan het risico steeds groter wordt dat de bestuurder ten aanzien van wie op basis van een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van het bloedonderzoek vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame stof van die drug onder de grenswaarde is gekomen. Ieder half uur kan die concentratie namelijk bij bepaalde stoffen halveren. Volgens de SWOV zouden er door deze zogenaamde halfwaardetijd bij een wachttijd van een uur voordat bloed van een verdachte wordt afgenomen, nog maar 27 van de 71 Nederlandse bestuurders die in het kader van het Europese DRUID-onderzoek positief op het gebruik van GHB en cannabis zijn getest, boven de in artikel 3, eerste lid, bepaalde grenswaarden uitkomen. Wanneer het bijvoorbeeld anderhalf uur zou duren voordat bloed wordt afgenomen, zouden slechts 18 van de 71 Nederlandse bestuurders die in het kader van het DRUID-onderzoek positief op het gebruik van die drugs zijn getest, boven deze grenswaarden blijven, terwijl dat er bij een wachttijd van een half uur 43 zouden zijn. Doorgaans is na een tijdsverloop van vier uur na gebruik van deze drugs geen spoor meer in het bloed van betrokkene terug te vinden.
Naar aanleiding van het advies van de SWOV heb ik het recht op een tweede bloedafname van de verdachte dan ook heroverwogen. Dat recht was overgenomen uit artikel 15 van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken. In de tijd waarin dat artikel tot stand kwam, werd ervan uitgegaan dat van een verdachte in beginsel niet binnen een uur na zijn aanhouding bloed zou (kunnen) worden afgenomen. De reden daarvoor was dat in die tijd artsen pas doorgaans na een uur beschikbaar waren. Omdat naarmate de tijd verstrijkt een steeds lager gehalte van de werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedende stof als alcohol in bloed kan worden gemeten, zou een verdachte bij wie wel in een bijzonder geval binnen een uur bloed zou worden afgenomen, in een nadeliger positie komen te verkeren dan de verdachte bij wie dat na een uur zou gebeuren. Vandaar dat het ten tijde van de totstandkoming van artikel 15 gerechtvaardigd werd geoordeeld dat de eerst bedoelde verdachte na dat uur nog een keer bloed kon laten afnemen en dat het bloedonderzoek dat het laagste alcoholpromillage opleverde, bepalend was voor een eventuele vervolging op grond van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Op die manier had ook de bestuurder profijt van het tijdsverloop.
Aan het recht op een tweede bloedafname kleven echter, zoals de SWOV in haar advies ook heeft laten zien, belangrijke nadelen. In de eerste plaats is daaraan het hiervoor vermelde risico verbonden dat een verdachte naar aanleiding van een bloedonderzoek vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame van de stof van een drug onder de grenswaarde is gekomen. Dat is vanuit oogpunt van verkeersveiligheid uiteraard ongewenst. Dat nadeel kent bovendien als keerzijden dat die bestuurder, achteraf bezien, onnodig van zijn vrijheid is beroofd en de betrokken opsporingsambtenaar en arts of verpleegkundige onnodig inspanningen hebben geleverd. De hiervoor beschreven situaties uit het advies van de SWOV tonen aan dat dat niet ondenkbeeldig is.
Met de SWOV ben ik, alles afwegende, bij nader inzien van mening dat een tweede bloedonderzoek de effectiviteit van het verbod op het deelnemen aan het verkeer onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof niet ten goede komt. Ik heb er daarom voor gekozen dat recht niet in dit besluit op te nemen, ook niet voor het geval iemand onder invloed is van alcohol of een geneesmiddel, omdat ook die stoffen in de tijd afbreken, maar in plaats daarvan in artikel 12, derde lid, van dit besluit het uitgangspunt neer te leggen dat van een verdachte zo snel mogelijk bloed wordt afgenomen opdat de factor tijd zo min mogelijk in zijn voordeel is. Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek, moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat bij hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid.
In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest.
[…]
De gestelde termijn is niet alleen in het voordeel van de verkeersveiligheid en opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen, maar ook van verdachten. Opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen zullen daardoor hun kostbare tijd en capaciteit alleen aan die mensen besteden die naar verwachting vervolgd kunnen worden en verdachten zullen zo kort mogelijk en zo min mogelijk onnodig van hun vrijheid worden beroofd.”2.
De eerste deelklacht
2.10
De eerste deelklacht klaagt, zoals al aangegeven, dat het oordeel van het hof dat na overschrijding van de in art. 12 lid 3 Besluit genoemde termijn van anderhalf uur, geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestaat om bloed af te nemen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.11
De wettelijke bevoegdheid tot het (doen) verrichten van een bloedonderzoek is neergelegd in art. 163 WVW 1994. Voor de uitoefening van die bevoegdheid bevat art. 12 lid 3 Besluit een procedurele waarborg, te weten dat het bloed binnen anderhalf uur wordt afgenomen nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek of, indien die vordering niet is gedaan, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek.
2.12
De Hoge Raad overwoog in een arrest van 20 april 2021 over art. 12 lid 3 Besluit:
“Aan de in artikel 12 lid 3 Besluit opgenomen termijnstelling ligt, blijkens de [...] toelichting daarop, in de kern ten grondslag dat door tijdsverloop de concentratie van de in artikel 2 Besluit aangewezen stoffen in het bloed vermindert, waardoor een langer durend tijdsverloop ertoe kan leiden dat de in het afgenomen bloed gemeten concentratie onder de toegestane grenswaarde komt. Daarmee wordt “het risico steeds groter (...) dat de bestuurder ten aanzien van wie op basis van een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van het bloedonderzoek vrijuit gaat”. Dat betekent echter niet dat een onderzoek waarbij eerst na het verstrijken van het tijdsbestek van anderhalf uur bloed is afgenomen, geen betrouwbaar resultaat geeft van de – voor de bewezenverklaring beslissende – op dat moment in het afgenomen bloed aanwezige concentratie van die stoffen. Daaruit volgt dat het voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het verrichte onderzoek.”3.
2.13
2.14
Het hof heeft overwogen dat met een bloedafname inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit en dat hiervoor op grond van art. 8 EVRM een wettelijke basis moet zijn. Het hof heeft verder overwogen dat art. 163 WVW 1994 een wettelijke grondslag voor bloedonderzoek biedt en dat het Besluit nadere regelgeving bevat die bij dat onderzoek in acht moet worden genomen. Daarnaast is overwogen dat art. 12 lid 3 Besluit inhoudt dat bloedafname plaatsvindt binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek en dat van die termijn enkel kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden. Het hof heeft vastgesteld dat het bloedonderzoek niet is verricht binnen de gestelde termijn van anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek en dat van bijzondere omstandigheden waardoor de bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden niet is gebleken. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op het Besluit en de uitleg van het Besluit in de Nota van Toelichting er dus geen bloed meer mocht worden afgenomen van de verdachte. Daarvoor bestond volgens het hof door het overschrijden van de termijn van anderhalf uur immers geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer. Het hof heeft geoordeeld dat nu zonder wettelijke basis toch bloed is afgenomen, een inbreuk op art. 8 EVRM is gemaakt en dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte.
2.15
Aan de klacht van de steller van het middel ligt de veronderstelling ten grondslag dat het hof heeft geoordeeld dat door het afnemen van bloed buiten de in art. 12 lid 3 Besluit genoemde termijn geen op art. 163 WVW 1994 gebaseerde bevoegdheid meer ‘bestond’. Het hof heeft in mijn ogen met zijn overwegingen echter tot uitdrukking willen brengen dat er met het afnemen van bloed buiten de in het Besluit genoemde termijn een inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte als bedoeld in art. 8 EVRM en dat niet op een bij de wet voorziene wijze als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM en dus zonder wettelijke basis is gehandeld. Met de verwijzing naar de ‘wettelijke basis’ heeft het hof kennelijk het oog gehad op art. 12 lid 3 Besluit.6.Bij die lezing berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest en mist deze derhalve feitelijke grondslag. Daarbij merk ik ten overvloede op dat nu art. 12 lid 3 Besluit een procedureel voorschrift bevat voor de bloedafname op grond van art. 163 WVW 1994 en dit voorschrift niet is nageleefd, het oordeel van het hof dat sprake is van een inbreuk op art. 8 EVRM en daarmee van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
2.16
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
2.17
Mede gelet op de toelichting begrijp ik deze deelklacht aldus dat de steller van het middel klaagt over de motivering van de beslissing van het hof om strafvermindering toe te passen naar aanleiding van een onherstelbaar vormverzuim. Die motivering is volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend. Daaraan wordt onder meer ten grondslag gelegd dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte ‘nadeel’ heeft ondervonden dat is veroorzaakt door de termijnoverschrijding niet zonder meer begrijpelijk is.
2.18
Ik stel voorop dat ingeval is vastgesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt, de strafrechter daaraan een in art. 359a lid 1 Sv genoemd gevolg kan verbinden.7.Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het betreffende vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast.8.
2.19
Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, welk oordeel in cassatie (terecht) niet wordt bestreden. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat nu de rechtsgevolgen van dit vormverzuim niet uit de wet blijken, het hof moet beoordelen of aan het vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij heeft het hof aangegeven dat het rekening dient te houden met de in art. 359a lid 2 Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Het hof heeft gelet op het geconstateerde vormverzuim aanleiding gezien om de aan de verdachte op te leggen straf te verminderen. In de strafmaatoverweging heeft het hof vervolgens overwogen dat strafvermindering op grond van art. 359a Sv slechts in aanmerking komt, indien aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden dat is veroorzaakt door het verzuim, dit nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en strafvermindering ook in het licht van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het hof is vervolgens van oordeel dat aan die voorwaarden is voldaan. Gelet op het vastgestelde vormverzuim heeft het hof de op te leggen geldboete met € 250,- verminderd.
2.20
Tegen de achtergrond van de onder randnummer 2.9 opgenomen toelichting op art. 12 lid 3 Besluit, ben ik met de steller van het middel van mening dat het oordeel van het hof dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden door het niet in acht nemen van de termijn van art. 12 lid 3 Besluit inderdaad niet zonder meer begrijpelijk is. Uit de nota van toelichting volgt immers evident dat een latere bloedafname bij de verdachte voor hem niet ongunstig is, maar juist in zijn voordeel is, omdat de werkzame stof van onder meer cannabis in het bloed (zeer) snel afbreekt. In de voorliggende zaak is in het bloed van de verdachte desalniettemin een gehalte van 7,5 microgram THC per liter bloed aangetroffen. De verdachte is dus niet onnodig lang van zijn vrijheid beroofd.
2.21
Gelet op het voorgaande is de beslissing van het hof om strafvermindering toe te passen naar aanleiding van het onherstelbare vormverzuim niet zonder meer begrijpelijk en is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd.
2.22
De tweede deelklacht is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑09‑2025
Stb. 2016, 529, p. 25-27. De termijn voor bloedafname is daarna ongewijzigd gebleven.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:623, r.o. 2.4.2.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:623, r.o. 2.4.3.
Vgl. HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1721, r.o. 2.3.
Die wettelijke basis hoeft niet zijn grondslag te vinden in een wet in formele zin, maar kan ook - zoals in deze zaak – een wet in materiële zin betreffen. Vgl. EHRM 24 april 1990, nr. 11801/85, NJ 1991/523 (Kruslin & Huvig t. Frankrijk), r.o. 27: “The expression ‘in accordance with the law’, within the meaning of Article 8 par. 2, requires firstly that the impugned measure should have some (curs. D.P.) basis in domestic law.” Onder het begrip ‘wet’ in het EVRM valt in de eerste plaats alle wetgeving in materiële zin. Vgl. EHRM 10 oktober 2005, nr. 44774/98 (Leyla Sahin vs Turkije). Zie ook A.J. Nieuwenhuis e.a., Hoofdstukken grondrechten, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2021, p. 112.
Hij kan ook volstaan met de constatering dat het vormverzuim is begaan. Dat volgt evenwel niet uit de wet.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.3.2.
Beroepschrift 24‑04‑2025
CASSATIESCHRIFTUUR
Rolnummer: 21/001111-21
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 november 2022, waarbij het Hof het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 februari 2021 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
heeft vernietigd omdat het Hof — voor zover in cassatie van belang — oordeelt dat na het overschrijden van de in artikel 12, derde lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer genoemde termijn van anderhalf uur geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestaat om bloed van de verdachte af te nemen.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietig-
heid meebrengt als bedoeld in artikel 79, eerste lid, RO, meer in het bijzonder schending van artikel 8, vijfde lid, WV W 1994 en artikel 12, derde lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer van 14 december 2016, Stb. 2016, 529 (hierna ook: het Besluit) en artikel 359a, derde lid, Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht,
- —
het oordeel van het Hof, dat na het overschrijden van de in artikel 12, derde lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer genoemde termijn van anderhalf uur geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestaat om bloed van de verdachte af te nemen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of
- —
het Hof niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte nadeel heeft ondervonden dat is veroorzaakt door het niet in acht nemen van de termijn van artikel 12, derde lid, van het Besluit, zodat als rechtsgevolg de aan de verdachte op te leggen straf dient te worden verminderd.
Toelichting
1.
In het thans bestreden arrest van 29 november 2022 heeft het Hof bewezenverklaard dat:
‘hij, op 27 januari 2019, te [a-plaats], gemeente [gemeente], een voertuig, te weten een bedrijfsauto (bestelauto) heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,5 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.’
2.
Ten aanzien van het bewijs en de op te leggen straf heeft het Hof als volgt overwogen:
‘(…)
Bij verdachte is bloed afgenomen. Aangezien met een dergelijke bloedafname inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit dient hiervoor gelet op het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) een wettelijke basis te zijn. Artikel 163 Wegenverkeerswet geeft aan in welke gevallen een bloedonderzoek mag plaatsvinden. Het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) bevat nadere regelgeving die in acht dient te worden genomen bij het bloedonderzoek. In artikel 12, derde lid van dat Besluit staat dat de bloedafname plaatsvindt uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek, zoals een speekseltest. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken.
Het hof stelt — evenals de politierechter — vast dat het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Besluit niet binnen anderhalf uur na de vordering aan verdachte om zijn medewerking te verlenen aan de speekseltest heeft plaatsgevonden.
De nota van toelichting bij het Besluit houdt wat betreft de termijn voor bloedafname (onder meer) het volgende in:
‘(…) Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spreekfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid.
In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest. (…)’
Het hof stelt vast dat van bijzondere omstandigheden waardoor de bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden niet is gebleken. Gelet op het Besluit en de uitleg van het Besluit in voornoemde Nota van Toelichting mocht er dus geen bloed meer worden afgenomen van de verdachte. Er bestond voor die bloedafname door het overschrijden van de termijn van anderhalf uur immers geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer. Nu er zonder wettelijke basis toch bloed is afgenomen, is een inbreuk gemaakt op artikel 8 EVRM. Alles overziend concludeert het hof dat er in casus sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte.
Nu de rechtsgevolgen van dit vormverzuim niet uit de wet blijken, moet het hof vervolgens beoordelen of aan het vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtgevolg dan in aanmerking komt. Voor de beantwoording van die vraag dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
(…)
Wel ziet het hof gelet op het geconstateerde vormverzuim aanleiding om de aan de verdachte op te leggen straf te verminderen. Voor de mate waarin strafvermindering zal worden toegepast verwijst het hof naar hetgeen hierna onder oplegging van de straf zal worden overwogen.
(…)
Oplegging van straf en/of maatregel
(…)
Zoals hiervoor is vastgesteld is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Strafvermindering op grond van deze bepaling komt slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, hetgeen is veroorzaakt door het verzuim; dit nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en strafvermindering ook in het licht van het geschonden voorschrift en der ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat aan die voorwaarden is voldaan. De in eerste aanleg opgelegde straf acht het hof in beginsel passend en geboden. Het hof zal echter gelet op het vastgestelde vormverzuim de geldboete met € 250,- verminderen. (…)’
3.1
Voorop wordt gesteld dat, naar de mening van rekwirant, onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de bevoegdheid om een verdachte aan een bloedonderzoek te onderwerpen of diens medewerking daaraan te verzoeken en anderzijds het eventuele rechtsgevolg dat moet worden verbonden aan de overschrijding van de in artikel 12, derde lid, Besluit genoemde termijn van anderhalf uur die in acht moet worden genomen bij uitvoering van dat onderzoek.
Artikel 159 WVW 1994 wijst de ambtenaren aan die zijn belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens de WVW 1994. Indien ten aanzien van een verdachte de verdenking is gerezen dat hij — kort gezegd — artikel 8 WVW 1994 heeft overtreden, kan door de opsporingsambtenaar de procedure worden toegepast strekkende tot een onderzoek naar het alcoholgehalte in zijn adem dan wel zijn bloed als bedoeld in artikel 8, tweede lid, WVW 1994.
Het stramien van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, houdt in dat een verdachte eerst wordt bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek en daarna eventueel aan een bloedonderzoek. Artikel 163 WVW 1994 bepaalt vervolgens — zoals het Hof terecht heeft overwogen — in welke gevallen de opsporingsambtenaar een bloedonderzoek mag (laten) plaatsvinden.
Op grond van artikel 163, vierde lid, WVW 1994 mag worden overgegaan tot het vragen van toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek indien — voor zover in cassatie van belang — naast het vermoeden van onder invloed verkeren van alcoholhoudende drank ook het vermoeden van onder invloed verkeren van een andere stof dan alcoholhoudende drank bestaat. Wanneer die toestemming niet wordt verleend, mag de verdachte op grond van artikel 163, vijfde lid, WVW 1994 worden bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen.
3.2
Het Hof heeft zijn oordeel dat door het overschrijden van de termijn van anderhalf uur geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond om bloed van de verdachte af te nemen mede gebaseerd op de in de nota van toelichting bij het Besluit luidende zin:
‘Na die termijn mag geen bioed meer worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid’.
AG Keulen heeft in zijn conclusie van 9 maart 20211. voor HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:619, NJ 2021/174, over voormelde zin het volgende opgemerkt:
- ‘46.
(…) Van belang is in de eerste plaats dat het gaat om een zin in de Nota van Toelichting, niet om een zin uit de memorie van toelichting. Uit het wetsvoorstel en de memorie van toelichting kan worden afgeleid dat de wetgever heeft willen aansluiten bij het stramien van het tweede lid van art. 8 WVW 1994. (…)
- 47.
Mede tegen deze achtergrond ligt het niet in de rede om aan de geciteerde zin de consequentie te verbinden dat schending van de termijn van negentig minuten ertoe leidt dat niet van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 sprake is. (…)’
3.3
Uit hetgeen onder 3.1 is weergegeven, volgt dat de bevoegdheid tot het (doen) verrichten van een bloedonderzoek door een opsporingsambtenaar uitsluitend kan worden gebaseerd op artikel 163 WV W 1994. Het Hof betrekt evenwel, en naar de mening van rekwirant ten onrechte, de waarborgen die gelden voor het uitvoeren van het bloedonderzoek bij de vraag of in het gegeven geval de bevoegdheid bestond bloed af te nemen. De bevoegdheidsvraag ziet er echter op of de vraag toestemming te geven tot het verrichten van bloedonderzoek (artikel 8, vierde lid, WV W 1994) rechtmatig is gesteld.
De bevoegdheidsvraag ziet ook op de vraag of het bevel zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek (artikel 8, vijfde lid, WV W 1994) rechtmatig is gegeven. De bevoegdheidsvraag ziet niet op de vraag op welke wijze dat onderzoek moet worden uitgevoerd.2.
Het oordeel van het Hof dat na het overschrijden van de in artikel 12, derde lid, Besluit, gestelde termijn van anderhalf uur geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond voor het afnemen van bloed van de verdachte, geeft reeds daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.1
Het oordeel van het Hof getuigt echter ook van een onjuiste rechtsopvatting indien het aldus moet worden begrepen dat de bevoegdheid tot het (doen) verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid slechts bestaat voor zover sprake is van een onderzoek in de zin van artikel 8 lid 5 WV W 1994, in welk kader moet worden voldaan aan het in artikel 12, derde lid, Besluit genoemde termijnvoorschrift van anderhalf uur.
4.2
In dat verband is van belang dat de Hoge Raad in vijf arresten van 20 april 2021 heeft geoordeeld dat de anderhalf uur termijn van artikel 12, derde lid, van het Besluit niet behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het bloedonderzoek is omringd.3. De Hoge Raad overwoog het volgende:
‘2.4.1
Vooropgesteld moet worden dat van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684).
2.4.2
Aan de in artikel 12 lid 3 Besluit opgenomen termijnstelling ligt, blijkens de onder 2.3.3 weergegeven toelichting daarop, in de kern ten grondslag dat door tijdsverloop de concentratie van de in artikel 2 Besluit aangewezen stoffen in het bloed vermindert, waardoor een langer durend tijdsverloop ertoe kan leiden dat de in het afgenomen bloed gemeten concentratie onder de toegestane grenswaarde komt. Daarmee wordt ‘het risico steeds groter (…) dat de bestuurder ten aanzien van wie op basis van een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van het bloedonderzoek vrijuit gaat’. Dat betekent echter niet dat een onderzoek waarbij eerst na het verstrijken van het tijdsbestek van anderhalf uur bloed is afgenomen, geen betrouwbaar resultaat geeft van de — voor de bewezenverklaring beslissende — op dat moment in het afgenomen bloed aanwezige concentratie van die stoffen. Daaruit volgt dat het voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het verrichte onderzoek.’4.
Uit deze overwegingen volgt dat het voorschrift van artikel 12 lid 3 Besluit geen betrekking heeft op de waarborgen waarmee de wetgever het bloedonderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Dit volgt eveneens uit de nota van toelichting bij het Besluit waarin wordt vermeld dat van de anderhalf uur termijn kan worden afgeweken indien sprake is van een bijzondere omstandigheid. Om die reden raakt het voorschrift niet de betekenis van het begrip ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WV W 1994 (welke bepaling verwijst naar artikel 8, vierde lid, WV W 1994).
Het niet in acht nemen van het in artikel 12, derde lid, Besluit genoemde termijnvoorschrift van anderhalf uur kan dan ook niet afdoen aan de bevoegdheid om bloedonderzoek te (doen) verrichten. In elk geval in zoverre geeft het oordeel van het Hof, dat geen (op de wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestaat om bloed van de verdachte af te nemen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
5.
Het Hof heeft niet alleen geoordeeld dat, door het niet in acht nemen van het in artikel 12, derde lid, Besluit, geen wettelijke bevoegdheid bestond voor het afnemen van bloed, maar ook dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, als gevolg van het ontbreken van een wettelijke basis voor het afnemen van bloed, de verdachte nadeel heeft ondervonden in de vorm van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM en dat aan dit vormverzuim als rechtsgevolg verbonden wordt dat de aan de verdachte op te leggen straf wordt verminderd.
In het oordeel van het Hof ligt in elk geval besloten dat de termijnoverschrijding van artikel 12, derde lid, van het Besluit een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert. Dat oordeel wordt niet bestreden door rekwirant. Het kennelijke oordeel van het Hof dat de verdachte nadeel heeft ondervonden dat is veroorzaakt door de bedoelde termijnoverschrijding, zodat als rechtsgevolg de aan de verdachte op te leggen straf dient te worden verminderd, is echter naar de mening van rekwirant niet zonder meer begrijpelijk, althans dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd.
6.
In het zogenoemde eerste overzichtsarrest ter zake artikel 359a Sv van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, heeft de Hoge Raad t.a.v. onherstelbare vormverzuimen overwogen:
‘3.5.
Indien binnen bovenstaande grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.
De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’.
De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.
De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.
Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.’
In bovengenoemd arrest heeft de Hoge Raad met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen:
‘3.6.3
Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (…) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.’
Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 onder meer het volgende toegevoegd:
‘2.3.2
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit de onder 2.1.3 weergegeven uitgangspunten dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek.
2.3.3
Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering.
2.3.4
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.’
7.
Het zou een misvatting zijn in de overwegingen van het Hof te lezen dat het van oordeel is dat het belang van artikel 12, derde lid, Besluit is gelegen in het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (zoals de bescherming van de lichamelijke integriteit) van de verdachte.
Wel oordeelt het Hof dat het, als gevolg van dit vormverzuim, ontbreekt aan een wettelijke basis voor de uitvoering van het bloedonderzoek en dat om die reden sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM. Over het belang van het geschonden voorschrift van artikel 12, derde lid, Besluit bevat het arrest geen overwegingen.
Blijkens de wetgeschiedenis beoogt het voorschrift van artikel 12, derde lid, Besluit te bewerkstelligen dat van een verdachte zo snel mogelijk bloed wordt afgenomen opdat de factor tijd zo min mogelijk in zijn voordeel is en hij niet ten onrechte vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame van de stof van een drug onder de grenswaarde is gekomen. Dat wordt vanuit oogpunt van verkeersveiligheid als ongewenst beschouwd.
Dat nadeel kent wel als keerzijde dat die bestuurder, achteraf bezien, onnodig van zijn vrijheid is beroofd en de betrokken opsporingsambtenaar en arts of verpleegkundige onnodig inspanningen hebben geleverd.5. Het belang dat het voorschrift van artikel 12, derde lid, Besluit dient, is gelet op het voorgaande primair gelegen in de verkeersveiligheid.
8.1
Aangezien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift van artikel 12, derde lid, Besluit is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen (te weten de verkeersveiligheid), geldt als regel dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan een onherstelbaar verzuim.6. Mede tegen die achtergrond is het oordeel van het Hof dat, gelet op het vastgestelde vormverzuim, de geldboete met € 250,- wordt verminderd niet zonder meer begrijpelijk, althans is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd.
8.2
Maar ook gelet op hetgeen het Hof verder heeft vastgesteld omtrent het nadeel dat de verdachte heeft ondervonden en gelet op hetgeen door het Openbaar Ministerie naar voren is gebracht omtrent de ernst van het verzuim is het oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk, althans is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. In dat verband brengt rekwirant het volgende naar voren.
Blijkens de requisitoir aantekeningen van de advocaat-generaal, die zich bij de stukken bevinden waarover de Hoge Raad beschikt, is de verdachte omstreeks 00:48 uur gevorderd mee te werken aan een speekseltest, is hij omstreeks 00:58 uur gevorderd mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek en is hij omstreeks 02:25 uur onderworpen aan een bloedonderzoek. Daaruit volgt dat de termijn van artikel 12, derde lid, van het Besluit is overschreden met zeven minuten. In zijn arrest heeft het Hof geen nadere vaststellingen gedaan over de mate van overschrijding van de bedoelde termijn en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft wel vastgesteld dat van bijzondere omstandigheden waardoor de bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden niet is gebleken.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat er zonder wettelijke basis toch bloed is afgenomen, waardoor een inbreuk is gemaakt op artikel 8 EVRM. Zoals echter is geconcludeerd, doet de overschrijding van de bedoelde termijn niet af aan het bestaan van de strafvorderlijke bevoegdheid tot het (laten) afnemen van bloed van de verdachte. Het valt in dat licht zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom de door het Hof vastgestelde inbreuk op de lichamelijke integriteit, te weten de bloedafname, is veroorzaakt door het verzuim daarbij de termijn van artikel 12, derde lid, van het Besluit in acht te nemen.
De beslissing van het Hof tot toepassing van strafvermindering is ook niet toereikend gemotiveerd, nu het Hof in zijn arrest geen overwegingen heeft gewijd aan het belang van het geschonden voorschrift van artikel 12, derde lid, van het Besluit.
In het licht van het voorgaande behoeft het naar de mening van rekwirant nadere motivering waarom strafvermindering in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
9.
Het oordeel van het Hof dat de verdachte nadeel heeft ondervonden dat is veroorzaakt door het niet in acht nemen van de termijn van artikel 12, derde lid, van het Besluit, zodat als rechtsgevolg de aan de verdachte op te leggen straf dient te worden verminderd, is dan ook niet zonder meer begrijpelijk, althans dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd.
Indien het cassatiemiddel of een onderdeel daarvan doel treft, zal het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 november 2022 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 24 april 2025
mr. G.K. Schoep
Advocaat-generaal bij het ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2O21:228.
Zie in dit verband ook AG Keulen die in zijn conclusie bij NJ 2021/174 onder 44 stelt: ‘De normering van de vrijheidsbeneming staat los van de waarborgen waarmee het bloedonderzoek omgeven is.’
Zie HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:619-623.
Zie HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:619, NJ 2021/174.
Nota van toelichting (Stb. 2016, 529, p. 26). Zie ook A-G Paridaens 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:33, onder 15, voor HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:623.
Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Buruma.