Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.3.5
3.3.5 Uitzonderingen op het rechterlijk gehoor
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS302517:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In ECRM 2 oktober 1968, 3151/67, CD 27, p. 134, werd aan een geestelijk gestoorde de inzage in een psychiatrisch rapport ontzegd, om diens (eigen) geestelijke toestand niet nadelig te beïnvloeden.
Zie ECRM 22 maart 1972, 4798/71, CD 40, p. 31-33. I.c. betrof het een beroepsprocedure ten overstaan van de Committee of the City Council betreffende het ontslag van een natuurkundeleraar door het bestuur van de St. B's Grammar School.
ECRM 24 september 1963,1169161, CD 13, p. 1 e.v. (m.n. p. 31). I.c. had de klager in een huur(prijs)geschil met de gemeente Berlijn bij schrijven van zijn advocaat afgezien van een mondelinge behandeling ('erklke ich namens des Betroffenen, dalg dieser mit Entscheidung ohne möndliche Verhandlung einverstanden ist'.).
Zie voor Oostenrijk EHRM 21 september 1993, Zumtobel, serie A, vol 268-a, § 34. Vergelijk eveneens EHRM 26 april 1995, Fischer, serie A, vol 312, § 44 en EHRM 28 mei 1997, Pauger, Reports 1997-111, § 58 e.v. Dat het EHRM afstand van het recht op rechterlijk gehoor mogelijk acht, kan reeds opgemaakt worden uit EHRM 10 februari 1983, Albert en Le Compte, serie A, vol 58, § 35.
EHRM 12 februari 2003, Lundevall, 38629/97, § 34. Zie voorts nog EHRM 18 oktober 2006, Hermi, 18114/02, § 73 (strafzaak).
In een Bopz-zaak (HR 8 juli 2005, NJ 2006, 6) is in dit verband door de Hoge Raad geoordeeld dat een rechter die van oordeel is dat de bereidheid van de betrokkene - ervan uitgaande dat deze behoorlijk is opgeroepen - om zich te doen horen ontbrak, dit met zoveel woorden in zijn beschikking dient vast te stellen en de gronden dient aan te geven waarop dat oordeel rust; dat oordeel kan uit feitelijke gedragingen van de betrokkene worden afgeleid. In Hof Den Bosch 21 juni 2005, JBPr 2005, 73, ging het om een niet-verschijnen van eiseres ter comparitie van partijen wegens verblijf in het buitenland (reden waarom om uitstel van de comparitie was verzocht). De comparitie gaat niettemin door en de vordering van eiseres wordt, vanwege het onweersproken verweer van gedaagde, afgewezen; geen schending van hoor en wederhoor, oordeelde het Hof. Ik vind dat discutabel indien de aanwezigheid van eiseres ter comparitie van belang was.
HR 24 september 1982, NJ 1983, 243; HR 3 juni 1988, NJ 1989, 5 (JBMV).
HR 12 mei 1989, NJ 1989, 647. Zie voorts HR 9 september 2005, NJ 2007, 140 (HJS), JBPr 2006, 29 NAL).
Zie HR 1 juli 1992, NJ 1992, 711. In deze zaak had partij Haxe erop gerekend de schadefactoren van de door haar geleden schade als gevolg van de wanprestatie van haar wederpartij Esve uitvoerig, 'in een fair proces', aan de orde te kunnen stellen in de schadestaatprocedure. Het Hof had echter in de appelprocedure zelf de schade begroot - daarbij een oordeel gevende over de al dan niet toewijsbaarheid van vergoeding voor bepaalde schadefactoren - en partijen niet verwezen naar de schadestaatprocedure. Vergelijk ook HR 24 april 1992, NJ 1992, 672 (PAS).
HR 31 mei 1991, NJ 1992, 260.
HR 1 december 1989, NJ 1990, 438 UBMV); HR 22 juli 1991, NJ 1991, 780 (beide krankzinnigenwet-zaken).
In HR 19 januari 1990, NJ 1991, 213, werd het beginsel van hoor en wederhoor niet van toepassing geacht bij de salarisvaststelling van een curator in faillissement.
Zie mijn opmerkingen hierboven bij par. 333.1 in fine en de daar vermelde rechtspraak.
Aan het niet reageren door een partij op de laatste stellingen van de wederpartij mag niet de conclusie worden verbonden dat deze stellingen - als niet weersproken - daarmee vaststaan. Zie onder meer in enkele appelzaken HR 15 september 1995, NJ 1996, 20; HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 114 en HR 6 oktober 2000, NJ 2001, 186.
Een uitzondering vormt het conservatoir derdenbeslag op loon en periodieke uitkeringen (art. 720 jo. art. 475b-475g Rv); de wetgever acht dit beslag voor de betrokkene dermate ingrijpend dat deze gehoord moet worden.
Op het beslagrekest wordt doorgaans ook de aspirant-beslaglegger niet gehoord. Dat gebeurt echter weer wel als de aspirant-beslagene zijn twijfels met betrekking tot het te verwachten beslag naar voren brengt: het zogenaamde grijsmaken van beslag. Zie over het grijs- en/of zwartmaken van beslagen Ynzonides (1994), p. 10-13.
Het recht om in de procedure gehoord te worden is niet absoluut; er zijn uitzonderingen op mogelijk. Zo achtte de Europese Commissie het reeds mogelijk dat aan iemand vanwege diens hoedanigheid gesteldheid de gelegenheid ontzegd dient te worden om zich in de procedure uit te laten.1 Bovendien achtte deze instantie het mogelijk dat men het recht op rechterlijk gehoor verwerkt (bijvoorbeeld doordat men - behoorlijk opgeroepen zijnde - zonder opgaaf van een behoorlijke reden niet ter zitting verschijnt2) of dat men afstand doet van dit recht (bijvoorbeeld doordat men er uitdrukkelijk van afziet om in persoon ter zitting te verschijnen en daar gehoord te worden3). Wat dit laatste punt betreft, heeft het Europees Hof de praktijk van menig administratieve rechter in de ons omringende landen om partijen niet te horen tenzij een van hen daar om vraagt, niet in strijd met art. 6 EVRM geacht.4 Het Hof acht dus een impliciete afstand van het recht op rechterlijk gehoor mogelijk, als maar duidelijk is dat zulks bewust gebeurt. In de zaak Lundevall drukt het Europees Hof het als volgt uit:
'... the obligation under article 6 § 1 to hold a public hearing is not an absolute one. Thus, a hearing may be dispensed with if a party unequivocally waives his or her right thereto and there are no questions of public interest making a hearing necessary. A waiver can be done explicitely or tacitly, in the Jatter case for example by refraining from submitting or maintaining a request for a hearing (see, amongst other authorities, Hákansson and Sturesson v. Sweden, judgment of 21 February 1990, Series A no. 171-A, p. 20, § 66; and Schuler-Zgraggen v. Switzerland, judgment of 24 June 1993, Series A no. 263, pp. 19-20, § 58).' 5
De Nederlandse rechtspraak zit op dezelfde golflengte als de Straatsburgse door uitzonderingen op het beginsel van hoor en wederhoor te aanvaarden. Hiervóór (onder par. 3.3.1) is al vermeld dat de rechter zijn beslissing niet hoeft aan te houden als een behoorlijke oproeping heeft plaatsgevonden, maar de betreffende partij zich desondanks niet ten overstaan van de rechter heeft gepresenteerd.6 En zo wordt het verhoor van een procespartij buiten aanwezigheid van de wederpartij geaccepteerd, indien die wederpartij haar recht op weerwoord heeft prijsgegeven.7 In een uitspraak van 12 mei 1989 overweegt de Hoge Raad voorts:
'Weliswaar brengen zowel de beginselen van een behoorlijke procesorde als art. 6 EVRM mee dat de rechter in beginsel slechts behoort te beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven (vgl. HR 27 maart 1987, NJ 1988, 130), maar dat beginsel is niet zonder uitzonderingen. Het kan met name uitzondering lijden ingeval een der partijen in een procedure de juistheid van een daarin door haar ingenomen standpunt op voorhand en zonder voorbehoud afhankelijk stelt van de na de laatste proceshandeling in die procedure te verwachten uitspraak in een andere, voor dezelfde rechter tussen partijen aanhangige procedure en aldus afstand doet van de in voormeld beginsel gelegen bescherming.,8
Soms kan opgemaakt worden dat de Hoge Raad concludeert dat een partij haar recht op rechterlijk gehoor verwerkt heeft, namelijk indien zij in de gelegenheid is gesteld (een essentieel onderdeel van) haar stellingen te belichten, maar van deze gelegenheid onvoldoende gebruik maakt. Indien het debat ten overstaan van de rechter dan naar inzicht van deze partij niet volledig tot ontwikkeling is gekomen, is dat te wijten aan die partij zelf en kan niet gezegd worden dat van een 'fair proces' geen sprake is geweest.9
Verder moet het OM als adviseur in krankzinnigenzaken expliciet de wens te kennen geven om te worden gehoord; bij gebreke daarvan wordt een impliciete afstand van het hoorrecht aangenomen.10Uitzonderingen worden ten slotte door de Hoge Raad ook wel aanvaard indien de tijdsdruk een rechterlijk gehoor niet toestaat,11indien het een louter administratieve maatregel betreft die door de rechter getroffen moet worden,12 of de beslissing ziet op zuivere rechtsopvattingen dan wel daarin een aspect betrokken wordt waarmee partijen sowieso rekening hadden moeten houden.13
Maar ook andere uitzonderingen dan in genoemde arresten aan de orde kwamen, zijn denkbaar. Zo kan een procespartij bewust afzien van het recht om te reageren op het door de wederpartij gestelde (bijvoorbeeld in de dagvaarding) door zich expliciet te refereren aan het oordeel van de rechter. Ook kan (de raadsman van) een partij bij pleidooi afzien nog te reageren op het door de wederpartij mondeling naar voren gebrachte, juist in de overtuiging dat haar standpunt duidelijker naar voren komt door er het zwijgen toe te doen.14 Het zijn maar enkele voorbeelden. Wel moet de rechter zich er naar mijn mening van vergewissen dat de afstand zonder voorbehoud wordt gedaan.
Een door de Nederlandse wet geïnstitutionaliseerde uitzondering op het recht om gehoord te worden vormt het verlof van de President tot het leggen van conservatoir beslag (art. 700 lid 1 Rv). Doorgaans.15 wordt dit verlof verleend zonder tevoren de schuldenaar te horen, zulks ter vermijding van het risico dat goederen aan het beslag onttrokken worden. Van een echte uitzondering kan men nu ook weer niet spreken, nu de schuldenaar achteraf, na beslaglegging, ter gelegenheid van de vordering in kort geding tot opheffing van het beslag (art. 705 Rv) gehoord kan worden en voorts sommige rechtbanken aan de procureur van de schuldenaar, die vermoedt dat er beslag op zijn goederen gelegd zal worden, de gelegenheid bieden vóór verlofverlening te worden gehoord (het zogenaamde zwartmaken van beslagen16).
Een andere geïnstitutionaliseerde uitzondering vormt de rechterlijke beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van minderjarigen, indien zulks niet kan worden afgewacht 'zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige'; verhoor van de belanghebbende vindt dan normaliter binnen twee weken na de beschikking plaats (zie art. 800 lid 4 en art. 809 lid 3 Rv).