NTM/NJCM-bull. 2022/15
Theo van Boven en de slachtofferoriëntatie
Daan Bronkhorst , datum 08-06-2022
- Datum
08-06-2022
- Auteur
Daan Bronkhorst*
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS649235:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omzetbelasting / Tarief
Internationaal publiekrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Drs. D. Bronkhorst is voormalig medewerker van Amnesty International.
Bij citaten van Van Boven wordt met [vB jaartal] verwezen naar de bronnen, zie daarvoor de chronologische lijst van zijn publicaties en interviews onderaan deze beschouwing.
In chronologie: 1960-1977 ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken; 1967-1977 lector Mensenrechten, Universiteit van Amsterdam; 1970-1975 Nederlands vertegenwoordiger in de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens; 1977-1982 directeur VN-Mensenrechtendivisie; 1982-1999 hoogleraar Internationaal Recht, Universiteit Maastricht; 1986-1991 Speciale VN-rapporteur recht op reparatie; 1992-1999 lid van het VN-Comité tegen Rassendiscriminatie. Na 1993 onder meer: 1998 delegatieleider bij de conferentie voor de oprichting van het Internationaal Strafhof, Rome; 1999 eerste griffier Joegoslavië-tribunaal; 2001-2004 Speciale VN-rapporteur marteling. Tot op heden is Van Boven emeritus hoogleraar Internationaal Recht in Maastricht.
‘Optional Protocol Ratifications’, United Nations Treaty Collection, https://treaties.un.org. Van Boven kon bij zijn inzet voor het individuele klachtrecht rekenen op steun die in voorafgaande jaren was uitgesproken door het Nederlandse kabinet, zie R. Mooi, ‘Een niet geringe zaak: Nederland en het nieuwe mensenrechtenstelsel, 1948-1957’, Tijdschrift voor Geschiedenis 2019, afl. 3, p. 445–465.
I. Guest, Behind the Disappearances: Argentina’s Dirty War Against Human Rights and the United Nations, Philadelphia: Pennsylvania Studies in Human Rights 2000.
Deze profilering is gebaseerd op J. Morsink, The Universal Declaration of Human Rights: Origins, Drafting, and Intent, Philadelphia: University of Pennsylvania Press 1999; W. Schabas (red.), The Universal Declaration of Human Rights: The Travaux Préparatoires, 3 volumes, Cambridge: Cambridge University Press 2013; verder zijn van meerdere protagonisten (auto)biografieën gepubliceerd.
In 1999 riep Guiness World Records de verklaring uit tot ‘s werelds meest vertaalde document. In 2022 bestonden er ten minste 531 verschillende vertalingen.
M.Douglas, How Institutions Think, New York: Syracuse University Press 1986
M. Goodale, Letters to the Contrary: A Curated History of the UNESCO Human Rights Survey, Redwood: Stanford University Press 2018.
B. Ramcharan, The Advent of Universal Protection of Human Rights: Theo van Boven and the Transformation of the UN Role, Geneva: Springer 2018. Deze medewerkers worden ook geïnterviewd in de documentaires Theo van Boven: A Tribute [vB 2013b] en The Subversives [vB 2019].
Guest 2020 (supra noot 4), Chapter 27.
Een overzicht is te vinden in Ramcharan 2018 (supra noot 9), Chapter 12.
Ramcharan 2018 (supra noot 9), p. 25
Declaration of Basic Principles of Justice for Victims of Crime and Abuse of Power. Adopted by General Assembly resolution 40/34 of 29 November 1985. Het is een verklaring over alle slachtoffers van misdrijven, niet speciaal die van mensenrechtenschendingen.
Ramcharan 2018 (supra noot 9), Chapter 1. Zo blijkt uit correspondentie dat Van Boven jarenlang optrad op als informeel adviseur van de Dwaze Moeders en het Nederlandse comité Steun aan Argentijnse Moeders; mededeling van Margriet Kuster, in de jaren 1980 de assistent van comité-voorzitter Liesbeth den Uyl.
Anna Maria van Boven-Boezaardt (1940) overleed op 1 februari 2022.
OHCHR, Manual on Human Rights Monitoring Chapter 14, 2011, www.ohchr.org/Documents/Publications/Chapter14-56pp.pdf.
Ramcharan 2018 (supra noot 9), p. 80, 122.
M. Zwanenburg, ‘The Van Boven/Bassiouni Principles: An Appraisal’, Netherlands Quarterly of Human Rights 2006, p. 641-668. De Beginselen heten officieel ‘Basic Principles and Guidelines on the Right to a Remedy and Reparation for Victims of Gross Violations of International Human Rights Law and Serious Violations of International Humanitarian Law’, aanvaard bij resolutie 60/147 van de Algemene Vergadering op 16 december 2005.
C. Flinterman, ‘The United Nations Commission on Human Rights and the Human Factor’, in: T. van Boven & F. Coomans (red.), Rendering Justice to the Vulnerable: Liber Amicorum in Honour of Theo van Boven, Den Haag: Kluwer Law International 2000.
W.E. Hommes, ‘Het NJCM 1974-1994: Een geschiedenis’, UvA scriptie 2017.
True Heroes Films: The Digest of Human Rights Awards, www.trueheroesfilms.org/thedigest.
De VN benadrukte trouwens dat de rapporteur, Agnes Callamard, zoals eenieder in de speciale procedures op eigen gezag handelde en alleen verantwoording schuldig was aan de Mensenrechtenraad. Zie www.ohchr.org/EN/Issues/Executions/Pages/Inquiry.aspx.
‘Member states call for civil society access to the United Nations’, UNA-UK 9 October 2021, https://una.org.uk/news/member-states-call-civil-society-access-united-nations?page=14.
In de jaren 2010-2019 constateerde de auteur, toen werkzaam bij Amnesty International, een afname van meer dan 50 procent van Amnesty-rapporten waarin namen van slachtoffers werden genoemd.
Nuhanovic Foundation, Centre for War Reparations, www.nuhanovicfoundation.org/en/reparations-cases/.
D. Bronkhorst, ‘Naming Names: Identity and Identification in Human Rights Work’, Netherlands Quarterly of Human Rights 1998, afl. 4, p. 457-474.
Het Missing Migrants Project documenteert namen van omgekomen migranten sinds 2014, https://missingmigrants.iom.int/region/mediterranean.
Slachtoffers hebben veelal op het tweede plan gestaan in het werk voor mensenrechten van de Verenigde Naties. Maar voor Theo van Boven is de oriëntatie op het slachtoffer juist een constante factor geweest in zijn werk vanaf eind jaren 1960. Van Boven heeft in een reeks van VN-functies de slachtoffers van schendingen van mensenrechten een prominente plaats gegeven en er belangrijk aan bijgedragen dat het noemen van namen (van landen en individuen) een geaccepteerde praktijk werd. Zijn slachtofferoriëntatie kreeg vorm op drie manieren: door de aandacht van de VN op individuele slachtoffers te richten, door slachtoffers een stem te geven in VN-fora en door zich in te zetten voor het recht op reparatie en herstel.
‘Wat mij in het werk vooral heeft getroffen is het belang van de slachtofferoriëntatie. Het slachtoffer trekt altijd aan het kortste eind, ook achteraf als het om reparatie gaat.’ [vB 2004a]1
1 Slachtofferoriëntatie
Theo van Boven begon zijn rapport voor de Verenigde Naties over het recht op restitutie en rehabilitatie [vB 1993] met een citaat:
‘Het gekreun en geschreeuw dat op deze pagina’s te horen is, wordt nooit geuit door de meest ellendige slachtoffers. Die zijn door de eeuwen heen zonder stem gebleven. Overal waar mensenrechten met voeten worden getreden, heerst stilte en onbeweeglijkheid die geen spoor in de geschiedenis achterlaat.’
Toen hij dit rapport uitbracht, was Van Boven al drie decennia betrokken bij het mensenrechtenwerk van de VN.2 Hij was van 1977 tot 1982 de VN-directeur Mensenrechten geweest. Van Bovens inspanningen voor reparatie ten bate van slachtoffers van mensenrechtenschendingen resulteerden in 2005 in de Van Boven/Bassiouni Principles. Dat was zeker een bekroning van Van Bovens inzet.
Maar zijn toewijding aan de slachtoffers was veel eerder begonnen. Al in de rede waarmee hij zijn eerste academische aanstelling inluidde [vB 1968] noemde hij het opkomen voor slachtoffers de essentie van het werk voor mensenrechten. Hij citeerde daarin wat de Preambule van het VN-Handvest zegt over ‘het vertrouwen in de grondrechten van de mens’. Hij pleitte uitdrukkelijk voor uitbreiding van het individuele klachtrecht, want op dat moment had ‘een klager uit een niet-onafhankelijk territorium meer kans om door de Verenigde Naties te worden gehoord dan een klager uit een soevereine staat’. Hij voorspelde dat de toekomstige Hoge Commissaris voor Mensenrechten ‘toegang zal hebben tot klachten die vertrouwelijk worden overgelegd aan de Commissie Mensenrechten’. Jaren later gaf hij in zijn dankwoord bij aanvaarding van de Right Livelihood Award [vB 1985] speciale aandacht aan het ‘derde systeem’ waarin individuen en organisaties, dus ook de slachtoffers, een belangrijker stem zouden hebben. In zijn rede ‘Van uitsluiting naar insluiting’ [vB 2010], over een onderwerp dat hij ooit aanduidde als ‘een oude hobby van me’, stelt Van Boven:
‘Slachtoffers van grove mensenrechtenschendingen en ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht zijn grotendeels over het hoofd gezien of terzijde geschoven als lasteraars, mopperaars of gewoon als irrelevante personen zonder stem en gewicht. Zoals een goed geïnformeerde deskundige [Cherif Bassiouni] opmerkte: “Internationaal recht is niet slachtoffergericht”.’
In Van Bovens publicaties komt het woord slachtoffer, of een verwijzing naar hen en naar mensenrechtenverdigers, vaak in de titel voor. Het eerste boek dat van zijn toespraken en artikelen werd gemaakt [vB 1982] heette People matter. Het woord slachtoffer duikt op in ‘The Perspective of the Victim’ [vB 1998], ‘The Impact of Torture on Victims’ [vB 2005], ‘Reparative Justice – Focus on Victims’ [vB 2007], ‘Victims’ rights to a remedy and reparation’ [vB 2020] en zo meer. Slachtoffers staan centraal in de Don Helder Camara-lezing ‘Opdat mensen tot hun recht komen’ [vB 1984], ‘De ontmoeting met de ander’ [vB 1996] ‘Uiteindelijk gaat het altijd en steeds om mensen’ [vB 2004] en andere teksten. In deze speeches en publicaties behandelt Van Boven drie soorten slachtofferoriëntatie: het slachtoffer als onderwerp van aandacht van de internationale gemeenschap, het slachtoffer als stem bij de Verenigde Naties (vaak vertegenwoordigd door niet-gouvernementele organisaties) en het slachtoffer als rechthebbende op compensatie en herstel.
2 Wie is Theo van Boven?
In zijn Multatuli-lezing [vB 1996] citeerde Van Boven:
‘Zulke smart heb ik bedoeld, toen ik sprak van den menschenvriend die vurig belangstelt in het welzijn zijner medemenschen. Die beurtelings hoopt en vreest, bij’t gadeslaan van elke verandering. Die zich opwindt voor een schoon denkbeeld, en van verontwaardiging gloeit, als hij’t ziet wegdringen en vertrappen door wie – voor’n oogenblik slechts, naar we hopen – sterker zijn dan schoone denkbeelden.’
Deze woorden van de schrijver Eduard Douwes Dekker kunnen zeker gelden voor wat Van Boven zelf heeft bewogen. Hoezeer Van Boven ook werd geïnspireerd door ‘schone denkbeelden’, zoals de normen van internationale verdragen en verklaringen, zijn verontwaardiging over het negeren van slachtoffers stond bij hem voorop en kreeg op cruciale momenten de overhand.
Van Boven, in 1934 geboren in Voorburg, komt uit een gezin waarvan de voorouders afkomstig waren uit kringen van de Gereformeerde Bond. De wereld werd niet gezien als paradijselijk, zei Van Boven daarover later [vB 2002]. Als tienjarige werd hij gedurende de hongerwinter ondergebracht bij familie in Leerbroek aan de Waal, een sterk christelijk dorp. Hij hoorde pas na de oorlog van de vervolging van Joden. De oorlog heeft hem mede gevormd, zegt hij, maar was niet doorslaggevend voor zijn beroepskeuze in de mensenrechten.
Na zijn rechtenstudie in Leiden deed hij gedurende een jaar in Dallas (VS) een masteropleiding met rechtsvergelijkende vakken. ‘Ik was daar in 1959-1960; de uitspraak van het Hooggerechtshof van 1954 over rassensegregatie lag dus nog vers in het geheugen.’ In Dallas zag Van Boven hoe men in Amerika, anders dan in Leiden, op een levendige en maatschappelijk betrokken manier met het recht omsprong, dat was dan wel op een universiteit die vrijwel uitsluitend blank was. ‘Er was één zwarte student in de School of Theology. Het was eigenlijk een “token integration”. Wij woonden in een buitenwijk die ook helemaal blank was; ’s morgens kwamen bussen waarin achterin zwarte werkvrouwen zaten’ [vB 2004]. Ook was de universiteit in Dallas van uitgesproken christelijke signatuur. Later in zijn carrière had Van Boven naar eigen zeggen altijd speciaal moeite met degenen die vanuit hun geloof de schendingen van mensenrechten goedpraatten, zoals de protestanten in Chili en de katholieken in Argentinië [vB 2022].
Van Bovens belangstelling voor mensenrechten kwam min of meer toevallig. In zijn eerste baan, op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, kon hij begin jaren 1960 het onderwerp mensenrechten tot zijn taken rekenen. Zoals hij daar later over zei: ‘Het onderwerp leek me wel aardig’ [vB 2022] Voortvarend ontwikkelde hij zich op dit terrein. In de betrekkelijke luwte waarin hij als ambtenaar kon opereren, maakte hij zich sterk voor de ondertekening van het Eerste Protocol bij het Internationaal Verdrag voor Burgerrechten en Politieke rechten, beide in 1966 aangenomen door de VN met een initiatiefrol voor Nederland. Dat protocol was een doorbraak: het erkende het recht van individuen om bij de VN schendingen van mensenrechten aan de kaak te stellen. Nederland was het elfde land dat het protocol ondertekende, in 1969.3
Een jaar nadat Van Boven zijn proefschrift over godsdienstvrijheid verdedigde [vB 1967], werd hij in Amsterdam lector in de mensenrechten, de eerste universitaire aanstelling op dat terrein in Nederland.
3 Een loopbaan in de Verenigde Naties
In 1970 trad hij aan als Nederlandse vertegenwoordiger bij de Commissie Mensenrechten van de Verenigde Naties. Het was in een tijd dat de mensenrechten in het Nederlands internationaal beleid niet hoog op de agenda stonden. Bij Buitenlandse Zaken ‘kon ik bijna doen wat ik wilde’ [vB 1999]. ‘Als Nederlandse Vertegenwoordiger had ik de opdracht om die agenda te verbreden. Daarin was ik erg vasthoudend. De voorzitter noemde mij that rigid, religious Dutch -- geen compliment, maar weìl to the point.’ Het noemen van namen, wat steeds meer de inzet van Van Boven zou worden, was toen nog geenszins praktijk in de VN. Van Boven herinnert zich bijvoorbeeld hoe begin jaren 1970 de Nederlandse VN-vertegenwoordiger in de Algemene Vergadering een deel van zijn speech wijdde aan martelen. ‘Onmiddellijk protesteerde Brazilië. Moet je nagaan, dat land had hij niet eens genoemd’ [vB 2011b]. Van 1970 tot 1976 was Van Boven daarnaast lid van de VN-Subcommissie voor de rechten van de mens, een commissie van deskundigen (die in 2006 opging in de VN-Mensenrechtenraad).
In 1977 werd Van Boven benoemd als directeur van de VN-divisie Mensenrechten, die was opgericht in 1948 (en in 1993 zou opgaan in het Bureau van de Hoge Commissaris). De benoeming was niet het gevolg van intensieve lobby maar, in Van Bovens beleving, min of meer toevallig tot stand gekomen. Zijn eerste grote zaak als directeur was Chili. Al in 1974, enkele maanden na de coup van generaal Augusto Pinochet, had Van Boven als Nederlands vertegenwoordiger voorgesteld een onderzoekscommissie in te stellen om de ‘feitelijke ontwikkelingen’ – de verdwijningen en martelingen – te documenteren. ‘Zo’n fact finding mission was toen nog vrijwel onbekend. Ook was er de kritiek dat het een inbreuk zou zijn op de nationale integriteit en soevereiniteit’ [vB 2011a]. De delegatie, geleid door Van Boven, ging in juli 1978 naar Chili. Ze werden ontvangen door Pinochet die heel boos was; ze konden al gauw weer vertrekken.
‘We hebben een bezoek aan Villa Grimaldi [het martelcentrum] afgedwongen. Een slachtoffer wees waar de trap moest zijn, waar hij in water werd gedompeld, waarna elektrische schokken door zijn geslachtsdelen werden gevoerd. En hij herkende de bank waar hij, geboeid en geblinddoekt, gedwongen werd zijn uitwerpselen op te eten. (...) Wat ook enorme indruk op me maakte: er was een geheime ontmoeting georganiseerd met familieleden van vermisten. In een bioscoop, honderden mensen met foto’s van hun dierbaren. Ze wisten dat wij hun familieleden niet terug konden toveren, maar ze waren zo blij met de aandacht.’ [vB 1993c]
De Argentijnse delegatie bij de VN in Genève noemde Van Boven en zijn medewerkers ‘communistische adders’ – een betiteling die de betrokkenen daarna als geuzennaam voerden. In Argentinië had de junta binnen een paar jaar na de staatsgreep in 1976 zo’n vijfduizend mensen laten ‘verdwijnen’. Vanaf dat moment dat Van Boven die praktijken aan de kaak stelde, had hij er een grote vijand bij: Gabriel Martínez, de Argentijnse ambassadeur in Genève.
‘Hij was bezeten uit op mijn val. Hij ergerde zich wezenloos aan de oprichting van onze Werkgroep Verdwijningen [in 1980]. Hij telegrafeerde zijn opdrachtgevers in Buenos Aires: “We moeten door blijven gaan hem steeds te bekritiseren, zijn autoriteit en prestige bij andere lidstaten te verzwakken”’ [vB 1993c].
De Britse journalist Iain Guest heeft in zijn boek Behind the Disappearances een uitgebreid relaas gegeven van Van Boven en de verwikkelingen in de Verenigde Naties waarvan hij het middelpunt was.4 Guest zegt dat Van Boven geen zichtbaar ego had, ‘geen enkel idee van zijn marktwaarde’. Hij zag er ‘rather shabby’ uit: corduroy schoenen, gekreukte jasjes, gele dassen. Het werk ging voor alles. Van Boven [vB 2002] zei er zelf over:
‘Wat mij in deze baan motiveert, zijn mijn driehonderd bliksemacties per jaar. Natuurlijk is dat een topje van een ijsberg. Maar toch. Dan denk je dat je werkelijk concreet gericht bezig bent, al heeft het heel weinig effect. Soms krijg je wel een bericht dat iemand is vrijgelaten of gerehabiliteerd. Dan weet je nooit of het dankzij jouw actie is gekomen. Probleem is: is het meetbaar wat je doet? Dat denk ik niet. Maar goed...’
Van Boven was een van de driehonderd directeuren van de VN, niet van een rang die rechtstreeks toegang had tot hoogste regionen. Maar Van Boven ging veel verder in het aanklagen van regeringen dan functionarissen van de Verenigde Naties plachten te doen. Het verwijt dat Van Boven te radicaal was klonk dan ook vaak in VN-kringen, en soms ook in de Nederlandse pers. Van Boven [vB 1999]:
‘Ik had niet anders kunnen handelen dan ik deed. Achteraf heb ik de naam gekregen een wildebras te zijn, maar zelf vind ik niet dat ik zo wild ben opgetreden. Guest beschrijft me als een beetje sjofele vent, en dat is wel waar. Ook in Genève was ik een buitenbeentje. Eigenlijk vind ik het wel goed dat juist ook in internationale organisaties niet altijd de geijkte types rondlopen. Niet dat ik een rebel ben. Ik voeg me meestal wel in het gareel. Maar wel aan de rand.’
4 Sociologie van het VN-werk voor mensenrechten
Van Boven legde een visie en een sterke persoonlijkheid in de schaal, maar in zijn werk en ideeën stond hij vanzelfsprekend niet alleen. Ook bij een biografische invalshoek op het werk voor mensenrechten, moeten we in beeld brengen wat de rol van anderen daarbij is geweest. Een paradigma daarvoor geeft de tot dusver best gedocumenteerde sociologie van een mensenrechteninitiatief: de ontstaansgeschiedenis van de Universele Verklaring van de Rechten van Mens (UVRM, 1948). Aan de UVRM wijdde Van Boven een lang hoofdstuk in zijn proefschrift. Daarmee getuigde hij van visie, want in 1967 had de verklaring nog lang niet de bekendheid die vanaf een decennium later almaar groter werd.
De UVRM was het product van een gezamenlijkheid die later in de de VN vaak een coalition of the willing werd genoemd. Er was voor de UVRM geen duidelijke filosofische of academische grondslag. Maar al waren de protagonisten afkomstig uit landen van over de hele wereld en kenden ze elkaar te voren niet, ze deelden veel.5 Ze waren allemaal opgeleid aan een universiteit in West-Europa of Noord-Amerika, ook als ze geboren waren in India, China of Chili. Politiek gesproken waren ze overwegend wat je zou noemen humanistisch links. Ze waren in grote meerderheid veertigers en vijftigers (en man). In al die verscheidenheid brachten deze mensen een verklaring tot stand die als geen ander wereldwijd verbreiding vond.6 De protagonisten waren in de terminologie van de Britse antropologe Mary Douglas (How Institution Think, 1968) niet een groep maar wel een grid.7 In een grid gaat het om de rol van het individu in een netwerk. Douglas zegt dat de samenwerking in groepen en grids niet noodzakelijk het gevolg is van een rationele keuze. Individuen sluiten zich ook om heel andere redenen, waaronder toevallige omstandigheden, bij anderen aan.
Op wie van die protagonisten van de UVRM lijkt Theo van Boven? Misschien het meest op een man die niet direct deelnam aan de redactie van de UVRM, maar belangrijke inspiratie gaf. Richard McKeon (1900-1985) was in een Unesco-commissie de auteur van een ontwerpverklaring over universele mensenrechten die de redactie van de UVRM kreeg aangeboden (en goeddeels negeerde).8 McKeon was net als Van Boven iemand die als wetenschapper die veel vormen van recht had bestudeerd, die decennia lang hogelijk werd gewaardeerd als hoogleraar (McKeon had studenten als Susan Sontag en Richard Rorty), die heel snel heel gedegen teksten over mensenrechten kon leveren. McKeon’s ontwerpverklaring, met een lange inleiding, had een tekst van Van Boven kunnen zijn gezien de combinatie van deskundigheid, betrokkenheid en de inzet om zaken begrijpelijk neer te zetten. In al zijn pluralisme vond McKeon dat de ‘westerse’ oorsprong van de mensenrechten geen obstakel mocht zijn voor universalisme. Ook Van Boven, niet minder pluralistisch, is nooit meegegaan met de zogenaamde ‘niet-westerse alternatieven’ voor mensenrechten die met politieke bedoelingen door diverse regeringen zijn gelanceerd. En net als Van Boven was McKeon een maverick, loyaal aan zijn instituties maar geen blad voor de mond nemend als hij misstanden zag of op oneigenlijke gronden werd gedwarsboomd.
Onder de mensen die Van Boven hebben gevormd zijn er verscheidene die hadden meegewerkt aan de UVRM. Zo had René Cassin ervoor gezorgd dat er geen theologie terechtkwam in de UVRM. ‘Moeten wij hier in deze politieke vergadering bij stemming beslissen of God bestaat of niet?’. Van Boven zei daarover [vB 2004]: ‘Ik ben het met Cassin eens dat de VN voor een dergelijke beslissing een ongeschikt forum is. Ik vind dat nog steeds een les die wij ook nu nog in gedachten moeten houden.’ Voor de carrière van Van Boven was God trouwens geen terloopse kwestie. Van Bovens was als Nederlandse vertegenwoordiger in de Commissie Mensenrechten in 1970 de opvolger van Leo Beaufort, die de voorman was geweest van de Nederlandse delegatie bij de onderhandelingen over de Universele Verklaring. Beaufort had zich daar sterk gemaakt voor het opnemen van een verwijzing naar God in de UVRM. Van Boven zei over hem [vB 1999]:
‘Hij was een franciscaner pater uit Nijmegen die zijn instructies via de katholieke minister Joseph Luns kreeg. Ik trok aan de bel bij mijn superieuren. En ik trotseerde tijdens een vergadering in New York ‘Père’ Beaufort en haalde uiteindelijk mijn gelijk, al moest daar zelfs een kabinetsvergadering aan te pas komen.’
Als directeur van de VN-mensenrechtenafdeling was van Boven deel van een grid waarin ideeën gemeenschappelijk werden ontwikkeld, uitgeschreven, uitgedragen en omgezet in diplomatie en beleid. Zijn belangrijkste vertrouwenspersonen waren twee naaste medewerkers, Tom McCarthy en Bertie Ramcharan.9 De laatste was Van Bovens voornaamste tekstschrijver. Van Boven was ook deel van een breder verband van mensen die in de VN op de voorgrond traden vanaf de jaren 1970, toen de ontwikkeling van de mensenrechten een grote vlucht nam. Die mensen maakten net als hij naam met de betrokkenheid bij slachtoffers. Onder hen de Nederlandse ambtenaar Toine van Dongen, die in de jaren 1980 lid werd van de eerste VN-Werkgroep Verdwijningen; de Britse jurist van Amnesty International Nigel Rodley, later speciaal VN-rapporteur marteling; de Franse rechtsgeleerde Louis Joinet, in leeftijd maar een paar weken jonger dan Van Boven, die later als rapporteur wereldwijd 170 plaatsen van detentie bezocht; de Noor Asbjørn Eide, onder meer voorzitter van de VN-Werkgroep Inheemse Volken; de Oostenrijkse mensenrechtendeskundige Manfred Nowak en de Argentijnse mensenrechtenverdediger Juan Méndez, die het beiden brachten tot VN-rapporteur marteling. En Hans Thoolen, een vroege activist van het NJCM die later een internationaal netwerk voor mensenrechtenverdedigers opzette. De betekenis die Van Boven heeft gehad voor de slachtofferoriëntatie moet in samenhang met deze mensen worden gezien.
5 VN-directeur: de val en de erfenis
Op 1 februari 1982 hield Van Boven de gebruikelijke directeurstoespraak bij de jaarlijkse opening van Commissie Mensenrechten [vB 2011b]:
‘Daar werd je geacht geen landen bij naam te noemen. Dat vond ik onzin. Ik maakte een speech waarin ik onder meer de situatie in Guatemala beschreef. Wat zich daar heeft afgespeeld is misschien nog wel het meest schrijnend van heel Latijns-Amerika. Het VN-hoofdkantoor in New York wilde de passage schrappen. Ik zei dat ik dat voor mijn geweten niet kon verantwoorden. Ik kreeg uiteindelijk toestemming, maar moest wel een zin toevoegen dat een aantal onderdelen van mijn speech niet noodzakelijkerwijs de mening van de secretaris generaal vertolkte. Dat deed ik, maar toch werd ik een week later ontslagen. Waarschijnlijk zat Argentinië daarachter, mijn grote vijand in die tijd, terwijl ik dat land nota bene niet in de speech had genoemd.’
Hij zei dat hij het ontslag niet had voorzien, maar wel had geconstateerd dat hem het werken moeilijker was gemaakt [vB 1993c]:
‘Ik ondervond steeds meer tegenstand, bijvoorbeeld financieel, mijn personeelsbestand werd afgeknepen. Dat soort dingen zijn moeilijk te traceren, in een bureaucratie kan iedereen zich achter de ander verbergen.
Vooral op de Werkgroep Verdwijningen moest ik bezuinigen, terwijl daar juist mijn aandacht lag. Mijn opvolger heeft het ook over’n hele andere boeg gegooid, geen onderzoek, maar hulpverlening, adviseren in het opzetten van een wetgeving, fellowships, tsja, dat zijn leuke dingen voor de mensen. Als je [in de VN] wilt overleven, moet je misschien een zetbaas zijn. Alleen, ik zou dat nooit voor mezelf hebben kunnen verantwoorden. Misschien eigenwijs, maar zo ben ik. En dan past spijt niet.’
Iain Guest beschrijft het afscheidsconcert voor Van Boven in het gebouw van de Universiteit van Genève. Er kwamen duizenden mensen, veelal jong en veelal van niet-gouvernementele organisaties. De pianist Miguel Estrella, die in Argentinië gemarteld was, trad er op. Van Boven keerde terug naar Nederland met een dossier dreigbrieven van Martínez en borduursels uit Uruguay.10
Wat heeft Van Boven als directeur van de VN-mensenrechtenafdeling in gang gezet? Het is een hele reeks. De VN-organisatie ging oprichting en werkzaamheid van nationale mensenrechteninstellingen bevorderen. Ze lanceerde een wereldwijde voorlichtingscampagne over mensenrechten. Ze zette regionale instellingen en kantoren op. Van Boven zette zich in voor VN-verdragen over mensenrechten: er bestonden daarvan vijf vóór zijn aantreden in 1979, tien dateren van daarna waaronder die met betrekking tot gehandicapten, migranten, verdwijningen, marteling, vrouwen en kinderen. Acht verdragen kennen een individuele klachtenprocedure. Van Boven nam meerdere initiatieven die speciaal de slachtoffers beoogden: 11
Het werd na de rede die Van Boven in 1982 ten val bracht, wél gebruikelijk om in toespraken van de Verenigde Naties namen te noemen – als de spreker daar tenminste de moed voor had. In 1995 kwam er eindelijk een Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, die veelvuldig concrete schendingen en namen noemt.
Van Boven was een pionier op het gebied de ‘speciale procedures’ van de VN. Over het belang van feitenonderzoek (fact-findings missions) had hij gepubliceerd voordat hij directeur werd [vB 1982, 93-94]. Onder Van Bovens directeurschap kwam het tot de opdracht voor een rapport over genitale verminking van vrouwen en de oprichting van de Werkgroep Verdwijningen (beide in 1980), de Werkgroep voor Inheemse volken en een speciale rapporteur voor willekeurige en standrechtelijke executies (beide in 1982). Het stelsel van landenrapporteurs, thematische rapporteurs en werkgroepen waavoor Van Boven de grondslag legde, groeide uit tot misschien wel het grootste mensenrechtensucces van de VN: eind 2021 waren er 45 thematische en 13 landenmandaten.
Van Boven ondernam als directeur een groot aantal ‘bliksemacties’ voor urgente gevallen, wel driehonderd per jaar. Dergelijke bliksemacties zijn sindsdien door veel speciale rapporteurs ondernomen.
Van Boven bevorderde in 1980 het opstellen van een verklaring over de rechten van mensenrechtenverdedigers, een verklaring die pas in 1998 zou worden aangenomen. Hij gaf als directeur veel meer dan zijn voorgangers bij de VN ruimte voor de inbreng van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s). Hij beschouwde die inbreng als een principiële kwestie [vB 1990]. Het aantal ngo’s met raadgevende bevoegdheid bij de VN, dat in 1948 op 15 en in 1968 op 150 stond, groeide tot een totaal van 1500 in 1993.
Een initiatief dat Van Boven de meeste blijvende bekendheid heeft gegeven was dat van de ‘Beginselen inzake herstelrecht voor mensenrechten en humanitair recht’, waarover meer later in deze beschouwing. Na Van Bovens directeurschap kwamen er vrijwillige VN-fondsen voor steun aan inheemse volkeren, slachtoffers van marteling, mensen met een handicap en vluchtelingen.
6 Speciale rapporteur marteling
De strijd tegen martelen is vooral het werk van ngo’s en individuen geweest. Henri Alleg, een Frans-Algerijnse journalist, publiceerde in 1958 La Question over de martelingen die hij had ondergaan. Hij deed met zijn boek de wereld beseffen dat foltering niet was gestopt in vroeger eeuwen. Amnesty International bracht haar eerste grote martelingenrapport uit in 1973. De VN stelden de eerste speciale rapporteur voor marteling aan in 1985. Van Boven was de derde rapporteur, met als illustere voorgangers de Nederlandse oud-staatssecretaris (en latere minister) Peter Kooijmans en het juridisch brein van Amnesty International, Nigel Rodley. Van Boven zei over de functie [vB 2004a]:
‘Bij mijn speciaal rapporteurschap inzake marteling opereer ik alleen. Dan komt er wel erg veel op je af. Ik ben elke dag met urgent appeals bezig. Dat heeft natuurlijk ook zijn efficiënte kanten. Zo kan ik bijvoorbeeld heel snel reageren omdat ik zelfstandig kan beslissen. Het grijpt me aan dat de praktijk van martelingen nog zo wijdverbreid is. Alle landen en mensen zijn daar kennelijk toe in staat. Ook hier vind ik de slachtofferoriëntatie van groot belang. Wat ik teleurstellend vind zijn de beperkte middelen die beschikbaar worden gesteld.’
In november 2002 reisde Van Boven als speciaal rapporteur naar Oezbekistan [vB 2022]:
‘Daar was het een en al etalage, de regering organiseerde mensenrechtenseminars, deed prachtige beloften over rechters en advocaten waar niks van klopte. De regering had duidelijk geen zin in mijn missie. Vanwege mijn verzoek om gevangenen te spreken in een afgelegen centrum, werd ik in een urenlange vlucht naar de bestemming gebracht. Daar bleek het toen te laat om nog gevangenen te spreken. De terugvlucht duurde nog geen uur.’
Het Hooggerechtshof van Oezbekistan veroordeelde op 19 december 2003 het gebruik van marteling in strafzaken.
Spanje was het tweede land dat Van Boven aan inspectie ter plekke onderwierp. In 2002 had hij in zijn eerste rapporteursverslag van vierhonderd pagina’s niet minder dan veertig bladzijden gewijd aan Spanje, vol met klachten over ‘marteling en wrede of onmenselijke behandeling’. Hij ging naar Spanje in oktober 2003. ‘Ik heb in Madrid gezegd: “Als jullie blijven ontkennen is er geen basis meer om verder te gaan.” Dat meen ik. De eerste fase naar een oplossing is erkennen dat dit probleem bestaat. Maar als je keihard blijft ontkennen dat er gefolterd wordt...’ In Baskenland informeerde Van Boven onder meer naar het lot van Martxelo Otamendi Eguiguren, die samen met de hoofdredacteuren van twee andere kranten aangeklaagd was voor ‘samenwerking met een gewapende bende’, waarmee doorgaans de ETA wordt bedoeld. Zijn krant zou verzinsels over marteling hebben gepubliceerd. Naar eigen verklaring werd hij na zijn arrestatie zelf ook gemarteld: onderworpen aan de bolsa (een verstikkingsmethode met een plastic zak), aan uitputtingstechnieken, uit de slaap houden en schijnexecuties. Al deze methoden laten geen littekens na en zijn derhalve moeilijk te bewijzen. Van Boven noemde de presentatie van het rapport over Spanje, bij de Commissie Mensenrechten in Genève, een ‘ontmoedigende ervaring (...). De landen van de Europese Unie waren meer geïnteresseerd in een goede verstandhouding met Spanje dan in het verdedigen van de waarheid.’
7 Aandacht voor vrouwen, kinderen, slaven, inheemse volken
Op deelonderwerpen waarvoor Van Boven zich inzette, bleek telkens zijn bijzondere focus op de slachtoffers. Van Boven hield in zijn tijd als VN-directeur een toespraak waarin hij opriep tot actie om inheemse volkeren te beschermen [vB 1981]. Hij stelde dat het probleem van de kwetsbaarheid van groepen ‘als bijzonder schrijnend kan worden gezien in relatie tot de inheemse volkeren, die enigszins fantasierijk – en misschien niet zonder rechtvaardiging – zijn beschreven als vertegenwoordigers van de vierde wereld: de wereld aan de rand, aan de periferie.’ De verklaring van Van Boven was cruciaal voor de oprichting van de VN-Werkgroep inheemse aangelegenheden.12 Op de eerste bijeenkomst, in augustus 1982, kwamen meer dan 250 vertegenwoordigers van inheemse volkeren naar Genève, veelal in traditionele kleding, om hun verhalen te vertellen. Bij die gelegenheid voerden ze inheemse riten en dansen uit op het terrein van het Palais des Nations. Bertrand Ramcharan noemt het ‘misschien wel het meest emotionele moment tot nu toe in de geschiedenis van de Verenigde Naties’. In 2001 kwam er een speciale rapporteur voor de rechten van inheemse volken, in 2002 werd het Permanente Forum voor Inheemse Kwesties opgericht, in 2007 namen de VN een Verklaring over de rechten van inheemse volkeren aan.
In zijn rapport aan de VN-Subcommissie Mensenrechten over ‘Het voorkomen van de verdwijning van kinderen’ [vB 1988] nam van Boven, wat geenszins gebruikelijk is rapporten die voortkomen uit de speciale VN-procedures, een dozijn gedetailleerd beschreven casus op. Over kinderen van ‘verdwenen’ ouders die door andere ouders zijn geadopteerd (feitelijk soms geroofd) schreef hij:
‘In feite worden ze nog steeds behandeld als de “buit” van een “vuile oorlog” en deze situatie blijft bestaan zolang hun recht om hun identiteit te behouden en bij hun legitieme families te wonen niet wordt erkend en effectief wordt gemaakt.’
In 1993 wijdde Van Boven in zijn eerste rapport over het recht op restitutie en reparatie, voor de VN-Subcommissie Mensenrechten, een paragraaf aan het geweld tegen vrouwen in directe relatie tot slavernij [vB 1993b, paragraaf 22]. Hij deed ook een aanbod: hij was ‘bereid onderzoek te doen naar de situatie van vrouwen die in oorlogstijd gedwongen werden tot prostitutie’, als hem dat werd verzocht in de hoedanigheid van een individuele deskundige. Over slavernij stelt Van Boven in zijn rapport [para 23] dat voor remedies en herstelbetalingen voor de slachtoffers van deze praktijken rekening moet worden gehouden met
‘de extreme kwetsbaarheid van de getroffen personen en de transnationale aspecten van sommige van deze praktijken. (...) Deze speciale rapporteur is het ermee eens dat effectieve positieve actie in passende gevallen nodig is als een morele plicht. Bovendien zou een nauwkeurig verslag van de geschiedenis van de slavernij, met inbegrip van een verslag van de daden en de activiteiten van de daders en hun handlangers en van het lijden van de slachtoffers, op grote schaal moeten worden verspreid.’
Door de VN zijn later zowel een speciale rapporteur voor mensenhandel (2004) als een voor hedendaagse slavernij (2007) aangesteld.
8 Compensatie en reparatie voor slachtoffers
Slachtoffers van geweld van de kant van autoriteiten hebben in de geschiedenis nooit een belangrijke plaats gehad. Voorbeelden van reparatie voor individuele slachtoffers van de kant van autoriteiten zijn historisch erg schaars, herstelbetalingen waren een kwestie van overheden onderling. Praktijken van het ‘noemen van namen’ van slachtoffers en individuele reparatie kwamen pas na de Tweede Wereldoorlog in zwang.
In 1985 aanvaardden de Verenigde Naties de Verklaring van de grondbeginselen van gerechtigheid voor slachtoffers van misdaad en machtsmisbruik.13 Daarop kon Van Boven in 1993 zijn rapport baseren, dat uiteindelijk leidde tot de Beginselen van reparatie van 2005. De VN-verklaring van 1985 definieert slachtoffers als
‘personen die, individueel of collectief, schade hebben geleden, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, emotioneel lijden, economisch verlies of substantiële aantasting van hun grondrechten, door handelingen of nalatigheden die in strijd zijn met het strafrecht dat binnen de lidstaten van kracht is, met inbegrip van die wetten die crimineel machtsmisbruik verbieden. [...] De term ‘slachtoffer’ omvat ook, in voorkomend geval, de directe familie of personen ten laste van het directe slachtoffer en personen die schade hebben geleden bij het ingrijpen om slachtoffers in nood bij te staan of om slachtofferschap te voorkomen. [...] Overtreders of derden die verantwoordelijk zijn voor hun gedrag moeten, waar nodig, een billijke vergoeding geven aan slachtoffers, hun families of afhankelijke personen. Een dergelijke restitutie moet de teruggave van eigendom of betaling van de geleden schade of het geleden verlies, de vergoeding van de gemaakte kosten als gevolg van het slachtofferschap, het verlenen van diensten en het herstel van rechten omvatten.’
De verklaring zegt dat staten rechtsmiddelen moeten bieden waaronder restitutie en/of compensatie en noodzakelijke materiële, medische, psychologische en sociale bijstand. Wanneer schadeloosstelling niet volledig te verkrijgen is bij de overtreder of andere bronnen, moeten staten zich inspannen voor financiële schadeloosstelling. En: ‘De oprichting, versterking en uitbreiding van nationale fondsen voor schadeloosstelling van slachtoffers moet worden aangemoedigd.’
De meest uitgebreide beschrijving van de noodzaak van aandacht voor slachtoffers en van reparatie geeft Van Boven in een artikel met de titel ‘Focus on Victims’ [vB 2007]. De paragrafen van dat artikel hebben aansprekende koppen zoals ‘Victims at the gate’, ‘Victims neglected’,
‘Hard and soft law’ en ‘One size fits all?’. In een later artikel [vB 2013a, p. 18-19] zet hij uiteen wat dergelijke reparatie in de weg heeft gestaan:
‘Binnenlandse juridische en sociale ordeningen brengen juridische tekortkomingen aan het licht zoals ontoereikende wetten, beperkingen in de omschrijving van de omvang en aard van overtredingen, de toepassing van wettelijke beperkingen, de werking van amnestiewetten, belemmeringen bij het verkrijgen van toegang tot de rechter en restrictieve opstelling van rechtbanken. Politieke obstakels resulteren in het bagatelliseren van de rechten en belangen van slachtoffers, met name de onwil van autoriteiten en de samenleving om te erkennen dat er ernstige fouten zijn begaan. Economische factoren werken ook in het nadeel van slachtoffers, in het licht van een vermeend of feitelijk tekort aan economische en financiële middelen. En last but not least lijden veel slachtoffers onder het onvermogen, het gebrek aan middelen en methoden die ze tot hun beschikking hebben om hun belangen te behartigen en hun eisen te doen inwilligen.’
9 Een stem voor de slachtoffers
Er zijn voorwaarden voor de praktijk van de slachtofferoriëntatie. Essentieel is dat de slachtoffers een ‘stem’ hebben, dat wil zeggen bereikbaar zijn, zich kunnen uitspreken en zch niet gedwongen voelen te wijken voor bedreiging. Van Boven heeft zich daar geregeld over uitgesproken en is in intensief contact geweest met slachtoffers en de ngo’s die zich voor hen inzetten. Geen mensenrechtendirecteur van de VN heeft zoveel persoonlijke ontmoeten met slachtoffers en vertegenwoordigers van ngo’s gehad.14 Van doorslaggevende betekenis voor zijn oriëntatie op slachtoffers noemt hij zijn ontmoetingen met de Dwaze Moeders uit Argentinië, eind jaren 1970 [vB 2022]. De ontmoetingen met slachtoffers hadden ook bij hem thuis plaats, Van Boven heeft in interviews en documentaires [vB 2013b] uitdrukkelijk de rol van zijn vrouw daarbij genoemd.15 Juist ook die contacten hebben de regeringsvertegenwoordigers die tegenstanders van zijn mensenrechtenwerk waren, aangezet om hem in 1982 als directeur ten val te brengen. Er kwam pas veel later stelselmatige aandacht voor de bedreigingen die degenen die getuigen bij de VN ervaren.16 Institutioneel is de stem van de slachtoffers bij de Verenigde Naties vooral gewaarborgd door de ngo’s. Een van zijn eerste daden was het ‘breken’ van een Ecosoc-resolutie uit 1970 die bepaalde dat ngo’s geen mondelinge of schriftelijke uitspraken mochten doen over regeringen aangaande schendingen van de mensenrechten.17
Een voorwaarde voor effectieve slachtofferoriëntatie die niet expliciet wordt vermeld in VN-verklaringen is dat de zegslieden die de slachtoffers vertegenwoordigen, waarheidsgetrouw zijn op het vlak van feiten of recht en dat ze ‘namens de slachtoffers’ kunnen spreken. Dat laatste is in de praktijk nogal eens problematisch, want slachtoffers kunnen het onderling oneens zijn over hun analyse van de kwestie en hun aanspraken. Van Boven heeft zich niet specifiek uitgelaten over de kwestie van vertegenwoordiging, zijn aandacht lag bij de talloze slachtoffers die überhaupt niet werden gehoord. In de Beginselen sluit de definitie van slachtoffers trouwens in dat het altijd gaat om degenen die, al dan niet vertegenwoordigd, gegronde reden hebben om voor herstel in aanmerking te komen.
Wat als individuele reparatie niet mogelijk is en alleen groepsherstel mogelijk? In zijn overzicht van de wording van de Beginselen beschrijft Marten Zwanenburg hoe in conceptversies van de Beginselen een collectief element was opgenomen.18 In de herziene versie van 1996 stond bijvoorbeeld dat ‘schadevergoeding individueel en in voorkomende gevallen collectief kan worden aangevraagd door de directe slachtoffers, de naaste familie, nabestaanden of andere personen of groepen van personen die verbonden met de directe slachtoffers’. De mogelijkheid dat groepen als zodanig rechten hebben en aanspraak kunnen maken op herstelbetalingen kwam in overleg in 2002 en 2003 nog aan de orde. In de uiteindelijke tekst (2005) verwijst Beginsel 8 verwijst naar ‘personen die individueel of collectief schade kunnen hebben geleden’. Dit suggereert dat het lijden van collectieve schade een groep nog niet tot erkend slachtoffer maakt. Wel staat in de Preambule dat hedendaagse vormen van slachtofferschap ook betrekking hebben op ‘groepen van personen die collectief tot doelwit zijn gemaakt’. De dubbelzinnigheid in de Beginselen ten aanzien van collectieve rechten is niet verwonderlijk gezien het feit dat staten het ook in andere VN-fora op dit punt nooit eens zijn geworden.
10 Welke factoren bepaalden het werk van Van Boven?
Dat Van Boven zo’n prominente rol kon spelen in het VN-werk voor mensenrechten is te danken aan verschillende factoren. De eerste factor is de temporele: de politieke omstandigheden van opeenvolgende perioden van Van Bovens werkzaamheid. Toen Van Boven met zijn werk voor mensenrechten begon, in de jaren 1960, bestond er weinig belangstelling voor het onderwerp en was er navenant weinig politieke druk. Afkomstig zijn uit een klein land gaf veel ruimte voor het uitdragen van mensenrechten. Nederland was westers georiënteerd en daarmee pro-Amerika en pro-Israël, maar wilde ook een bemiddelende rol spelen in de spanning tussen Oost en West. Toen Van Boven in 1977 aantrad als VN-directeur voor mensenrechten, had de Amerikaanse president Jimmy Carter van mensenrechten een prioriteit van zijn beleid gemaakt; dat jaar kreeg Amnesty International als eerste mensenrechtenorganisatie de Nobelprijs voor de Vrede. In de 21ste eeuw zijn de mensenrechten internationaal uitgegroeid tot een volwaardige academische discipline, met tal van leerstoelen en promoties. Van Boven is, als protagonist van wat vijftig jaar eerder in gang was gezet, uitgegroeid tot een icoon van de ‘menselijke factor’ van de mensenrechtenactiviteiten van de VN. Zijn collega Cees Flinterman vatte dat aldus samen:
‘Het belangrijkste is dat mensen ertoe doen. De benarde situatie van bijzonder kwetsbare groepen, van slachtoffers van schendingen en degenen die namens hen bij de strijd betrokken zijn, moet de kern blijven van de bekommernis [van de Verenigde Naties]. Dat is het wezen van de menselijke factor.’19
De tweede factor is een sociologische: de ‘leefwereld’ van Van Boven. Die begon bij zijn religieuze achtergrond, die van Nederlandse gereformeerden die sterker dan gemiddeld bij internationale kwesties van rechtvaardigheid betrokken waren. Toen Van Boven vertegenwoordiger was bij de Verenigde Naties was er voor de mensenrechten nog een wereld te winnen. ‘Eigenlijk moeten we een generatie kweken waarvan de mensen meer in termen van mensenrechten denken,’ schreven in 1978 Egbert Myjer en Mark Biesheuvel, twee leden van het Nederlands Juristen Comité voor Mensenrechten (NJCM), over de ambities van deze recent opgezette organisatie.20 Mensenrechten werden in de jaren 1970 populair in de generatie van Van Boven en onder jongeren. Bij die leefwereld hoorde ook een geest van solidariteit met de derde wereld die zich vooral in progressieve politieke kringen (Joop den Uyl, Jan Pronk) sterk deed gelden. Van Boven was vanaf het begin van zijn loopbaan voorstander van aandacht voor sociaaleconomische mensenrechten naast die voor de ‘klassieke’ rechten van vrijheid en integriteit. Zoals hierboven beschreven was Van Boven deel en soms middelpunt van een grid van gelijkgezinde mensen die elkaar vonden in nationale en internationale organisaties.
De derde factor, ten slotte, is de karakterologische: de specifieke inzet en competenties van Van Boven. Hij is beschreven als moedig, volhardend (zo niet koppig), bescheiden (of wat sjofel) en integer (nog meer dan diplomatiek). Hij was zich in zijn werk zeer bewust van zijn positie maar had geen groot ego. Hij manifesteerde zich als geduldig op de langere en ongeduldig op de kortere termijn. Hij maakte veel vrienden maar ging confrontaties in de diplomatie niet uit de weg. Hij heeft grote intellectuele capaciteiten. Hij is zijn hele leven docent geweest, aan universiteiten verspreid over de wereld en in talloze colloquia. Het is vanuit vanuit zijn aard en overtuiging dat hij de aandacht voor slachtoffers net zo belangrijk vindt als juridische en diplomatieke initiatieven. Mensen staan voor hem voorop, niet cijfers. Dat illustreerde hij ooit met een anekdote: ‘Een sportverslaggever die bij de Tour de France in zijn oortje te horen kreeg dat “Pompidou was gevallen” [als premier van Frankrijk], riep uit: “Rugnummers moet ik hebben, geen namen!”’ [vB 2022].
11 Tendensen in de slachtofferoriëntatie
Er is een tendens tot meer aandacht voor (individuele) slachtoffers van schendingen van mensenrechten, zoals Van Boven al constateerde in 2007. Eén van de bewijzen daarvan is het almaar toegenomen aantal prijzen voor mensenrechtenverdedigers. Tot 2022 bestonden of bestaan er tenminste 222 prijzen.21 Van Boven kreeg, naast andere onderscheidingen en vier eredoctoraten, vier van die prijzen: de Right Livelihood Award, de Goler T. Butcher Medal van de American Society of International Law, de University of Oslo’s Human Rights Award en de CarnegieWateler Peace Prize van het Vredespaleis in Den Haag.
Een ander bewijs is het sterk uitgebreide stelsel van speciale VN-procedures (speciale rapporteurs en werkgroepen) op thema’s en landen: anno 2022 respectievelijk 45 en 13. Van Boven beschreef jaren eerder [vB 1990] hoe die procedures veel ruimte hebben geboden aan ngo’s. De tendens tot het noemen van namen van slachtoffers is overigens in die speciale procedures lang niet algemeen. Bijvoorbeeld, er staan namen in de meest recente rapporten van landenrapporteurs over onder meer Eritrea, Iran, Pakistan, Belarus en Burundi. Anderzijds worden geen namen genoemd in de rapporten over Cambodja, Noord-Korea, Mali en Somalië. Een uitzonderlijk initiatief was in 2019 het onderzoek van een speciale rapporteur van de zaak van een enkel individu, de vermoorde Saudische mensenrechtenverdediger Jamal Khasoggi.22 Veel individuele slachtoffers worden met naam en toenaam genoemd in rapporten van de waarheidscommissies, waarvan er sinds 1980 zo’n 45 zijn geweest. Die waarheidscommissies hebben in de regel ook procedures ingesteld om slachtoffers en nabestaanden te horen, en om tot reparatie en compensatie te komen. Daartegenover staat dat de toegang voor niet-gouvernementele organisaties tot de VN, waartoe Van Boven sterke impulsen gaf, de laatste jaren bemoeilijkt is.23 De grote ngo’s lijken ook minder onderzoek te publiceren waarin over de individuele slachtoffers wordt gerapporteerd.24
De inzet om straffeloosheid van daders tegen te gaan is meer op de voorgrond getreden dan die voor compensatie van de slachtoffers [vB 1993a]. Van Boven schreef bijna een decennium geleden over die tendens: ‘Pas recentelijk, als gevolg van een proces van humanisering van het internationaal recht, krijgen de rechten van slachtoffers meer erkenning’ [vB 2013a, p. 20]. Een overzicht uit 2020 laat zien dat er in Nederland ten minste zeventien van dergelijke rechtszaken zijn geweest in een periode van acht jaar, in een stijgende lijn.25 Recente voorbeelden bij het Europese Hof voor de Mensenrechten zijn zaken waarin compensatie en rechtsherstel werd gevraagd aan de overheden van Servië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Polen en Macedonië. Compensatie-zaken waren er ook bij het Internationaal Strafhof, alleen al drie in 2017.
12 Epiloog: namen noemen
Het noemen van namen is sinds Van Bovens gedwongen vertrek als VN-directeur veel meer geaccepteerd.26 Door de media en sociale media treden slachtoffers ook veel meer op de voorgrond. Er is een groot contrast tussen bijvoorbeeld de anonimiteit van de half miljoen of meer slachtoffers van de genocide in Rwanda in 1994 en de uitgebreide documentatie die in recente jaren door organisaties en media is geleverd over duizenden namen van verdronken migranten op de Middellandse Zee.27 Hoeveel meer infomatie er nu is over schendingen van mensenrechten vergeleken met eerdere jaren, memoreerde Van Boven in een interview met Amnesty’s maandblad Wordt Vervolgd [vB 2011b]:
‘In 1966 telden op het ministerie van Buitenlandse Zaken mensenrechten nauwelijks, ik was een jonge referendaris die het er zo’n beetje op eigen houtje bij deed. Een half miljoen mensen vermoord in Indonesië? Ik wist van niks, het was geen onderwerp van gesprek. De Verenigde Naties deden er ook niets mee. Later, toen ik bij de VN werkte, vond er in Cambodja de allergrootste genocide plaats. Maar we zaten maar wat te gissen. Uit Latijns-Amerika kwamen mensen met foto’s van lijken, maar al die jaren is nooit iemand uit Cambodja naar me toegekomen.’
Van Bovens aandacht voor slachtoffers is onderdeel van een bredere oriëntatie die de mensenrechten naar zijn mening moeten krijgen. in een interview gaf hij hiervan de volgende samenvatting [vB 2022]. Ten eerste, werk voor mensenrechten is in essentie een beweging van uitsluiting naar insluiting. Het concept van mensenrechten, schreef van Boven eerder, ‘is er een van inclusie in tegenstelling tot de eeuwenoude praktijken van mensen uitsluiten en zelfs reduceren tot de status van niet-persoon’ [vB 1995]. Insluiting komt tot stand door wettelijke bepalingen en ook door voortdurende samenwerking met slachtoffers en hun vertegenwoordigers, waaronder ngo’s. Ten tweede, slachtofferoriëntatie houdt in dat elke mensenrechtenverklaring of verdragstekst en elke maatregel ten behoeve van mensenrechten, primair de slachtoffers van mensenrechtenschendingen op het oog moet hebben. Soms zijn bindende verdragen een versterking van de afspraken van een verklaring, soms functioneert een verklaring beter als normering omdat een verdrag te beperkend zou zijn (Van Boven noemt als voorbeeld van het laatste de verklaringen over godsdienstvrijheid). Ten derde, slachtofferoriëntatie houdt in dat niet alleen specifieke schendingen worden aangepakt maar dat de waardigheid van de mens het uiteindelijke doel is. Slachtofferoriëntatie krijgt betekenis in de samenhang van alle mensenrechten, ook de sociaaleconomische, en tegen de achtergrond van een aanpak van de oorzaken van mensenrechtenschendingen.
Een niet te onderschatten factor in de slachtofferoriëntatie is een positieve verwachting of hoop. Van Bovens heeft telkens reden tot optimisme gezien [vB 2004a]:
‘Mijn beeld van de vooruitgang van mensenrechten is per saldo niet negatief. Je ziet elementen van vooruitgang en hoop. Mensenrechten komen hoger op de internationale politieke agenda’s. De universalisering van de mensenrechten krijgt vorm door de deelname van vele sectoren van het maatschappelijk middenveld in bijna alle delen van de wereld. Bezorgdheid over de mensenrechten wordt steeds meer geïntegreerd in internationale inspanningen gericht op vredestichting, vredeshandhaving en vredesopbouw.’
De successen die Van Boven behaalde in het werk waren het resultaat van een combinatie van instit
utionele, internationaal-politieke, sociologische en individuele factoren. Hij reflecteert zelf trouwens kritisch over wat hij heeft bereikt [vB 2002]:
‘Achteraf denk ik wel eens: heb ik het bij het rechte eind gehad? Wist ik wel genoeg van die en die zaak af? Uiteindelijk denk ik toch: de keuzes die ik heb gemaakt, daar sta ik nog altijd achter. Je haalt dan bewijs uit het ongerijmde: als je niets doet verandert er helemaal niets. ‘Met het redden van één mensenleven red je de hele mensheid’ – een joods gezegde dat getuigt van grote wijsheid. Ik heb wel het idee dat we een paar mensen gered hebben, ja …’
Van Boven was in zijn VN-werk een visionair. Hij heeft op een aantal terreinen duidelijk zelf het initiatief genomen, op andere heeft hij initiatieven van anderen mogelijk gemaakt of gesteund. Hij werkte in een omgeving die hem daarin steunde en heeft die omgeving, de grid van mensen met overeenkomstige waarden en idealen, mede zelf gecreëerd. Van Boven heeft zich niet laten kennen naar politieke voorkeur (links waarschijnlijk) of naar affiliatie met een ngo (zoals Amnesty).
De oriëntatie op slachtoffers zoals die door Van Boven gedurende meer dan vijf decennia is uitgedragen, droeg bij aan de vermindering van uitsluiting (onder meer door de toename van internationale verdragen), de opkomst van zaken voor herstel en compensatie en het noemen van namen. De internationaal toegenomen individualisering van de rechtspraak bevestigt het besef dat mensenrechten worden gemaakt door mensen en dat het individuele mensen zijn die met leven, goed, lichamelijke en geestelijke gezondheid de prijs van schendingen van mensenrechten betalen. Door praktijken van slachtofferoriëntatie zullen het niet alleen de leiders en de plegers van massale schendingen van mensenrechten zijn die in de herinnering blijven, ook de namen van de slachtoffers worden toenemend opgenomen in rechtbankverslagen, in documentaire geschiedenissen, in gepubliceerde getuigenissen en rapporten, op monumenten. De slachtoffers trekken nog altijd aan het kortste eind, zoals Van Boven zei in een interview in 2004; maar jaren later concludeerde hij dat er door voortgang in het werk voor mensenrechten ‘geen voldongen feiten meer zijn’ [vB 2021].
Teksten van Van Boven
In de tekst wordt met [vB jaartal] verwezen naar publicaties van en interviews met Van Boven.
1967 De volkenrechtelijke bescherming van de godsdienstvrijheid, Assen: Van Gorcum.
1968 ‘Rechten van de mens op nieuw paden’ (‘Chartering New Grounds in Human Rights’), openbare les bij aanvaarding van ambt van buitengewoon lector in rechten van de mens, Universiteit van Amsterdam.
1981 ‘The Plight of the Vulnerable: Survival at Stake’, toespraak voor de VN-Subcommissie voor het voorkomen van discriminatie en de bescherming van minderheden, 17 augustus.
1982 People matter: views on international human rights policy, H. Thoolen (red.), Amsterdam: Meulenhoff.
1984 ‘Opdat mensen tot hun recht komen’, Don Helder Camara-lezing, Vrije Universiteit Amsterdam.
1985 ‘Right Livelihood acceptance speech’, https://rightlivelihood.org/speech/acceptance-speech-theo-vanboven/.
1988 ‘Prevention of the Disappearance of Children’, UN Human Rights Commission, E.CN.4/Sub.2/1988/19.
1990 ‘The Role of Nongovernmental Organizations in International Human Rights Standard Setting: A Prerequisite of Democracy’, California Western International Law Journal 20, p. 207-225.
1993a ‘The Right to Reparation, Compensation and Rehabilitation, not Impunity of Perpetrators of Gross Human Rights Violations’, International Commission of Jurists, Geneva.
1993b ‘Study concerning the right to restitution, compensation and rehabilitation for victims of gross violations of human rights and fundamental freedoms. Final report’, UN Commission on Human Rights, E/CN.4/ Sub.2/1993/8, 2 juli.
1993c L. Wagenaar, ‘Interview met Theo van Boven’, Het Parool 24 juli.
1995 ‘Human Rights and Rights of Peoples’, European Journal of International Law 1995, p. 461-476.
1996 ‘De ontmoeting met de ander, Multatuli-lezing’, Natie, Migratie, Integratie, Den Bosch: Bijeen.
1998 ‘The Perspective of the Victim’, The Universal Declaration of Human Rights: Fifty Years and Beyond, New York: Baywood Publishing Company.
1999 ‘Terriërs op de stropdas. Interview met Theo van Boven’, De Observant, Universiteitskrant Maastricht juni.
2000a F. Grünfeld, ‘Interview met Theo van Boven’, Rendering justice to the vulnerable: liber amicorum in honour of Theo van Boven, Den Haag: Kluwer International.
2000b F. Coomans, C. Flinterman & F. Grünfeld, Human Rights from Exclusion to Inclusion: Principles and Practice: An Anthology from the Work of Theo van Boven, Den Haag: Kluwer Law International.
2000c S. Rodenburg, ‘Nog steeds toonaangevend. Interview met Theo van Boven’, (Y)our Rights december.
2001a ‘Het verleden is niet voorbij. Inaugurele rede ter aanvaarding van het ambt van hoogleraar’ (Cleveringa-leerstoel), Universiteit Leiden.
2001b ‘The Right to Compensation and Related Remedies for Racial Discrimination; concluding observations’, Human Rights in Development Yearbook 2001, Reparations: Redressing Past Wrongs, G. Ulrich & L. Krabbe Boserup (red.), Den Haag: Kluwer Law International.
2002 W. Offenberg, ‘“We moeten één lijn vasthouden”. Interview met Theo van Boven’, Wordt Vervolgd november.
2003 M. Littlejohns,’Interview with Theo van Boven, Special Rapporteur on torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment’, World Chronicle 14 november.
2004a I. Westendorp & C. Flinterman, ‘“Mr. Human Rights”: interview met Theo van Boven’, Pro Memorie 6: 1-2.
2004b ‘Uiteindelijk gaat het altijd en steeds om mensen’, Idee: tijdschrift van het Wetenschappelijk Bureau van D66, afl. 6, december, p. 5-7.
2005 ‘The Impact of Torture on Victims’, In the Aftermath of War and Torture, Department of Migration & Swiss Red Cross (eds.), Zurich: Seismo Publishers, p. 171-182.
2006 ‘The Victim’s Perspective’, 25 years Rebuilding Lives, Geneva: United Nations, p. 160-161.
2007 ‘Reparative Justice – Focus on Victims. SIM Lecture 2007’, Netherlands Quarterly of Human Rights, afl. 4, p. 723-735.
2009 ‘Victims’ Rights to a Remedy and Reparation: The New United Nations Principles and Guidelines’, Reparations for Victims of Genocide, War Crimes and Crimes against Humanity; Systems in Place and Systems in the Making, C. Ferstman, M. Goetz & A. Stephens (red.), Den Haag: Martinus Nijhoff 2009, p. 19-40.
2010 From Exclusion to Inclusion, Theo van Boven Lectures no. 1, Antwerpen: Intersentia.
2011a T. Scheltema, ‘“Betrokkenheid hangt af van de situatie waarin je verkeert”. Interview met Theo van Boven’, Advocatenblad 8 april.
2011b D. Bronkhorst & A. Hulshof, ‘Theo van Boven: “Mensenrechten zijn nog altijd de rechten van geprivilegieerden”’, Wordt Vervolgd juni.
2013a ‘Victim-Oriented Perspectives: Rights and Realities’, Victims of international crimes: an interdisciplinary discourse, Den Haag: Asser Press, p. 17-27.
2013b Theo van Boven: A tribute, documentary produced by Human Rights in the Picture.
2017 R. Moerland & H. Nelen, ‘Interview met Theo van Boven’, Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit, afl. 1.
2019 The Subversives, documentaire, geregiseerd door Miles Roston, geproduceerd door Ethan Films.
2020 ‘Victims’ rights to a remedy and reparation: the United Nations principles and guidelines’, Reparations for victims of genocide, war crimes and crimes against humanity: Systems in place and systems in the making, C. Festman & M. Goetz (red.), Leiden: Brill 2020.
2021 R. Wiche, ‘De schrik van dictators. “We zijn in staat tot verschrikkelijke daden”. Interview met Theo van Boven’, De Limburger 19 juni.
2022 gesprekken van deze auteur met Theo van Boven en Cees Flinterman, augustus 2021 – januari 2022.