Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.2.1:4.2.1 Schuldvorderingen
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.2.1
4.2.1 Schuldvorderingen
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457784:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. XV, tweede lid. Wet van 13 december 1996. Stb. 652.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 41.
Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 58.
Vgl. HR 22 juli 1985, BNB 1986/234.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In afwijking van het oude aanmerkelijkbelangregime zijn schuldvorderingen ook onder de aanmerkelijkbelangregeling gebracht. Dit blijkt onder meer uit art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB, ingevolge welke bepaling de vervreemdingsvoordelen tevens betrekking hebben op tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen. Ingevolge art. 20a, vierde en vijfde lid, Wet IB (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.3 en 5.4) worden schuldvorderingen eveneens tot het aanmerkelijk belang gerekend, indien de schuldeiser reeds uit anderen hoofde voldoet aan de aanmerkelijkbelangkwalificatie. Deze uitbreiding van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' met de schuldvorderingen is gedaan ter reparatie van de turboconstructies waarbij gebruik werd gemaakt van onvolwaardige vorderingen op de vennootschap (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.3.2.2). Ik wijs er echter op dat deze systeemwijziging verder is gegaan dan louter de reparatie van zgn. turbovorderingen, aangezien voortaan alle schuldvorderingen van een aandeelhouder op een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, tot het aanmerkelijk belang worden gerekend. Hierbij is irrelevant voor welk bedrag de aanmerkelijkbelanghouder de schuldvordering heeft verkregen. Met name is geen beperking aangebracht tot die schuldvorderingen die voor een (fors) lager bedrag dan de nominale waarde zijn verkregen, zoals dat wel is geschied met betrekking tot de (eerdere) datum van inwerkingtreding van het nieuwe aanmerkelijkbelangregime.1 De gedachte achter deze verdergaande wijziging dan louter ter reparatie van de zgn. turbovorderingen is blijkens de memorie van toelichting dat het niet uitmaakt op welke wijze een aanmerkelijkbelanghouder vermogen aan de vennootschap ter beschikking stelt. De belastingheffing zal zowel bij verstrekt eigen als bij verstrekt vreemd vermogen in beginsel hetzelfde zijn.2
De toevoeging van de schuldvorderingen aan het aanmerkelijkbelangregime geldt blijkens art. 20a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB echter uitsluitend de vervreemdingsvoordelen van de schuldvordering en niet ook de reguliere voordelen; in art. 20a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB worden de schuldvorderingen immers niet genoemd. Dit betekent dat alleen bij vervreemding van tot het aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen - waaronder tevens de aflossing van een schuldvordering wordt begrepen (art. 20h, zesde lid, onderdeel e, Wet IB, zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.5) - belastingheffing plaatsvindt op basis van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'. De reguliere voordelen van dergelijke schuldvorderingen, met name de reguliere rente, worden, evenals dat tot 1 januari 1997 het geval was, op de gebruikelijke wijze belast op basis van de bron 'inkomsten uit vermogen'. De achterliggende reden voor deze afwijkende behandeling van de rente van tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen is het feit dat rente aftrekbaar is bij de betalende vennootschap, zodat de ontvangen rente in tegenstelling tot dividenduitkeringen de voordruk vennootschapsbelasting ontbeert. Zou de rente bij de ontvangende aanmerke-lijkbelanghouder slechts worden belast tegen het proportionele tarief van 25% (voor zover de tweede tariefschijf is overschreden), dan zou in totaal slechts 25% belasting worden geheven over de rente. Dit is aanmerkelijk minder dan de cumulatieve belastingdruk van 51,25% die over dividenden e.d. wordt geheven. Om dit effect te vermijden zijn reguliere voordelen uit de schuldvordering op de vennootschap niet onder de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' gebracht, maar onder de bron 'inkomsten uit vermogen' blijven vallen. Dit blijkt tevens uit art. 24, derde lid, Wet IB, ingevolge welke bepaling de regeling ter zake van inkomsten uit vermogen toepassing vindt, indien die voordelen kunnen worden aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang en - in afwijking van art. 24, eerste lid, Wet IB - tevens als inkomsten uit vermogen.
Overigens betekent het feit dat schuldvorderingen enkel tot het aanmerkelijk belang worden gerekend voor zover het de vervreemdingsvoordelen betreft en niet ook met betrekking tot de reguliere voordelen tevens dat renten van schulden welke zijn aangegaan ter financiering van tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen tot de aftrekbare kosten ter zake van inkomsten uit vermogen behoren en niet tot de aftrekbare kosten ter zake van winst uit aanmerkelijk belang. Nu de rente-inkomsten ter zake van schuldvorderingen die tot een aanmerkelijk belang behoren als inkomsten uit vermogen naar het tabeltarief worden belast, ontmoet het volgens de staatssecretaris van Financiën geen bezwaar de daartegenover staande betaalde rente wegens de financiering van die schuldvordering eveneens volgens dat tarief in aanmerking te nemen.3 Ook behoeft geen toerekening van (een deel van) de rente ter zake van de financiering van een dergelijke schuldvordering aan het desbetreffende voordeel plaats te vinden. In de systematiek van de Wet IB behoeft een dergelijke splitsing niet plaats te vinden. Staat eenmaal vast dat een schuld is aangegaan ter financiering van inkomsten opleverende vermogensbestanddelen, dan moet de rente in haar geheel worden geacht te strekken tot verwerving van die belaste inkomsten.4