Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/6.3.1
6.3.1 Artikel 3:40, lid 2 BW
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS297338:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 NBW, p. 191.
Vgl. voor België: artikel 33, par. 1 Wet op de handelspraktijken, voor Duitsland: par. 307, lid 1 BGB en voor Frankrijk: artikel L 132-1 Code de la consommation.
Waarover, naar aanleiding van het arrest van het HvJ EU in de zaak-Océano: Kamerstukken II, 27 809, MvT, nr. 3, p. 12. Vgl. ook: Hartkamp 2007b, p. 404 (voetnoot 184); Hartkamp 2007a, p. 13; Hartkamp 2011, p. 116 e.v. (nr. 148).
Vgl. Hijma 2010, p. 75 (nr. 44a). Frenk opperde deze mogelijkheid al in 2001, maar zocht dat resultaat in artikel 6:233, sub a BW, dat volgens hem onderworpen is aan de slotzinsnede van artikel 3:40, lid 2 BW (vgl. Frenk 2001, p. 75).
Kamerstukken II, 27 809, MvT, nr. 3, p. 12.
Vgl. Hartkamp (2011), p. 116-117 (nr. 148), waar ook expliciet wordt gewezen op de onwenselijkheid van een absolute nietigheid en wordt gesteld dat “[a]an de regel van vernietigbaarheid (…) op zichzelf [moet] worden vastgehouden, maar daaraan moet de mogelijkheid van ambtshalve toetsing door de rechter worden toegevoegd.” Dat zou inderdaad recht doen aan het arrest van het HvJ EU in de zaak-Pannon, omdat de rechter dan kan ‘terugkoppelen’ naar de consument, maar hiermee wordt de dogmatiek van het BW wel wat verlaten.
LOVCK-rapport 2010, p. 12.
217.
Op het eerste oog is met artikel 3:40, lid 2 BW een nietigheidssanctie niet te bewerkstelligen. Schijn bedriegt echter, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis:
“De omstandigheid dat de dwingende wetsbepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling zal bij onduidelijkheid van de bewoordingen van die bepaling veelal een doorslaggevend argument voor vernietigbaarheid zijn. Uit de strekking van de betreffende bepaling kan echter voortvloeien dat een rechtshandeling die in strijd daarmee wordt verricht, nochtans nietig is.”1
In Duitsland en Frankrijk wordt ook gewerkt met een (vorm van) nietigheidssanctie.2 Aan een via artikel 3:40 lid 2 BW te bewerkstelligen nietigheid kleeft echter een nadeel. Op een dergelijke nietigheid zou in principe ook de gebruiker van het oneerlijke beding een beroep kunnen doen.3 Dat is niet alleen vanuit het oogpunt van de Richtlijn oneerlijke bedingen onwenselijk, maar verdraagt zich ook niet goed met de uitspraak van het HvJ EU in de zaak-Pannon.
218.
Met artikel 3:40, lid 2, laatste zin, BW zou nog wel aan de eisen van het HvJ EU kunnen worden voldaan, als daarmee het midden wordt gevonden tussen een nietigheid van rechtswege en een – naar aanleiding van een daartoe ingesteld beroep – uitgesproken vernietigbaarheid. Dan dient het een vernietigbaarheid te betreffen, die desnoods ambtshalve kan worden uitgesproken door de rechter.4 In de Memorie van Toelichting wordt deze mogelijkheid ook expliciet opengelaten:
“Het voormeld in artikel 7:6 jo. 3:40 lid 2 BW besloten uitgangspunt van vernietigbaarheid door een beroep op de vernietigingsgrond door de consument sluit evenwel niet uit dat de rechter in het belang van de consument een beding ambtshalve terzijde stelt. Dit volgt uit de slotzinsnede van artikel 3:40 lid 2 (…). Deze zinsnede is juist opgenomen om de rechter hier een zekere vrijheid te laten, onder meer om bedingen ambtshalve op strijd met de betreffende dwingende wetsbepaling te toetsen. Dit kan nodig zijn om de partij ter bescherming van wie de bepaling is geschreven, ook tegen bijvoorbeeld eigen onwetendheid of gebrek aan middelen te kunnen beschermen. (…) Daarvoor is uiteraard wel noodzakelijk dat de rechter over voldoende feitelijke gegevens beschikt om tot de vereiste toetsing te komen. Dit is naar gelang van de omstandigheden ook in verstekzaken mogelijk.”5
Het gaat hier kennelijk om een relatieve nietigheidssanctie.6 De Memorie van Antwoord laat deze optie inderdaad open. Toepassing van artikel 3:40, lid 2 BW is ook hetgeen het LOVCK-rapport adviseert aan eerstelijnsrechters.7