De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/6.3.2:6.3.2 Gaat het om een gezamenlijk doel?
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/6.3.2
6.3.2 Gaat het om een gezamenlijk doel?
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS363917:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er is sprake van onderling overleg als wordt samengewerkt op grond van een overeenkomst met als doel het verwerven van overwegende zeggenschap of het dwarsbomen van een aangekondigd openbaar bod. Met de situatie van verschillende intenties binnen een samenwerkingsverband lijkt geen rekening te zijn gehouden. Ook de Memorie van Toelichting spreekt in de enkelvoudsvorm van “de subjectieve intentie” van betrokkenen.1 Goed denkbaar is inderdaad dat betrokkenen op dezelfde lijn zitten, maar wat als dat niet zo is? Een partij die als stroman mee-stemt met een of meer andere aandeelhouders hoeft de intenties van laatstgenoemde(n) niet te delen. Maar ook bij “echte” samenwerking om een bepaald gezamenlijk doel te bereiken, kunnen de intenties van partijen onderling verschillen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarbij sprake is van samenwerking met een aandeelhouder die reeds overwegende zeggenschap heeft; men kan in zo’n geval moeilijk volhouden dat alle aandeelhouders overwegende zeggenschap beogen (§ 12.2.4.6 en § 15.3.3).2 Ik zou menen dat enkel relevant is dat overwegende zeggenschap wordt beoogd door een van de samenwerkende aandeelhouders en niet door wie. Deze uitleg sluit het best aan bij de hiervoor reeds genoemde definitie van acting in concert. Bovendien houdt de door de Memorie van Toelichting voorgeschreven objectieve benadering (zie nader § 6.4) in dat bij verschillende, subjectieve intenties, toch “objectiverend” een gezamenlijk doel mag worden ingelezen. Kortom: de intenties van de overige participanten zijn irrelevant, zolang een der partijen overwegende zeggenschap beoogt. Een belangrijk argument ten slotte is dat de strekking van de biedplicht ook geen andere uitleg toestaat. Minderheidsaandeelhouders dienen te worden beschermd tegen het gevaar van machtsmisbruik; daarbij is irrelevant of alle participanten overwegende zeggenschap beogen of dat slechts een van hen dit beoogt en de rest als “hulptroepen” fungeert. Uiteraard is wel van belang dat zij zich gecommitteerd hebben; er moet sprake zijn van een beperking van de individuele beslissingsvrijheid, anders kan niet het bestaan van een overeenkomst worden aangenomen en ontstaat er in het geheel geen biedplicht (§ 9.3.2).